Górecki stijgt niet meer uit boven dat ene gloriemoment

De progressieve muziekclub schamperde eind vorige eeuw over zijn honingzoete Derde Symfonie. Het lijkt er niet op dat Górecki's postume Vierde nu een neo-publiekshit wordt.

Henryk Górecki.Beeld CAMERA PRESS/Jeff Morgan

Honing of prikkeldraad: hoe pakt Henryk Górecki's postume Vierde symfonie uit, na de miljoenvoudig verkochte Derde?

De Vierde symfonie van Henryk Górecki is amper vijf minuten onderweg of de trommelvliezen zijn al gezandstraald. De Nederlandse première in het Amsterdamse Concertgebouw begint onschuldig. Simpel melodietje, vijf tonen, vol orkest. Maar dan: wham!!! Drie grote troms delen een beuk uit. In de klank van het Radio Filharmonisch Orkest sluipt ijzervijlsel dat langs snaren en mondstukken gemeen schuurt.

Alsof Henryk Górecki, de Poolse componist die in 2010 is overleden, zijn fans liever maar meteen waarschuwt. Verwacht niet dat hij in de opvolger van zijn mateloos populaire Derde symfonie bezig blíjft met honing smeren.

Machtig verhaal was dat: hoe een orkestwerk van een voormalige avant-gardist in 1992 de westerse hitlijsten bestormde. Miljoenvoudig vlogen de cd's met de Derde symfonie van Henryk Górecki over de toonbank, op weg naar luisteraars die perplex vaststelden dat hedendaagse klassieke muziek helemaal niet hoefde te klinken naar prikkeldraad.

Drie traag wentelende delen lang bood de Derde symfonie een begripvolle schouder. De melodieën kon je neuriën, de ritmes grijpen. Samenklanken hadden de allure van een verdiende massage. Als rode draad in deze troostende textuur zong een sopraan over moederschap en gemis.

Over het succes was Henryk Górecki zelf nog het meest verbaasd. Sinds 1977 had zijn Symfonie der Klaagliederen uitgeteld in een hoek gelegen. Nadat de muziekpaus Pierre Boulez er zijn banvloek over had uitgesproken met een hartgrondig merde!, hoorden Górecki en zijn 'decadente troep' niet meer bij de progressieve muziekclub.

Tel Górecki's beduusdheid uit 1977 op bij de hype uit 1992, en je ziet het lastige gesternte waaronder hij zat te schaven aan zijn Vierde. Het stuk zou in première gaan tijdens het Holland Festival van 2010. Het skelet lag klaar, maar de componist overleed voordat hij er een orkesthuid overheen had kunnen trekken. Die klus werd geklaard door zijn zoon Mikolaj, een vakgenoot die de Vierde symfonie vorig jaar in Londen aan de wereld presenteerde. In de NTR ZaterdagMatinee tekenden zich rond de Nederlandse première twee vragen af. In welke substantie had de voormalige Poolse revolutionair zijn componistenpen gedoopt: zoutzuur of honing? En wat bewoog eigenlijk de gastdirigent, Reinbert de Leeuw? Die zag in Górecki ooit een 'fascinerende figuur', maar verklaarde na de triomf van diens Derde symfonie niet meer te kunnen geloven in 's mans 'eindeloos mooie drieklanken', de 'naïviteit' en 'simpliciteit'.

De twee troffen elkaar in de Vierde halverwege. Górecki wisselde de beukende trommen en het grauwende orkest af met oorbalsem, zoals warme klarinetten op een bedje van contrabassen en cello's. Hij schreef zowel pompende ritmes à la Stravinsky als zangerige maten waarin een pianotrio speurde naar de verloren tijd.

De neospirituele golf

De Oostblok-componisten kwamen met hun hypnotiserende ritmes.

Rond 1980 doken ze op, componisten uit het communistische Oostblok die opzichtig braken met de modernistische esthetiek van West-Europa. Mannen als Arvo Pärt (Estland), Gija Kantsjeli (Georgië) en Henryk Górecki (Polen) kozen radicaal voor de eenvoud. Met gloeiende akkoorden, hypnotiserende ritmes en eenzame tonen eisten ze hun eigen, vaak spiritueel getinte expressie op. Het viel in de smaak bij een westers publiek dat allang z'n buik vol had van 'tuutpiepknarsmuziek'. Ook de Brit John Tavener trad toe tot het gilde dat de zoekende mens graag bijstond. Joep Franssens werd de belangrijkste Nederlandse exponent. En al kwam Simeon ten Holt nooit uit de kast als neo-spiritueel, zijn Canto ostinato kon uitstekend gedijen in het universum van New Age.

Górecki verkende de grenzen tussen hartstocht en sentiment. Dat is precies het terrein waarop Reinbert de Leeuw zich senang voelt, getuige zijn liefde voor componisten als Satie en Messiaen. Noem het de hangplek voor romantici in modernistische vermomming. Voor artiesten die oprecht menen dat de kunst vooruit moet, maar stikjaloers zijn op 19de-eeuwers die nog onbekommerd konden zwelgen.

Twintig jaar na de explosie klinkt Górecki's Derde symfonie in de concertzaal nog zelden. Voor de Vierde is dat een veeg teken. Het stuk heeft ontegenzeglijk meer bite, is niettemin vriendelijk voor de luisteraar, en kent in de loop van veertig minuten zelden een moment waarop meer dan twee muzikale bouwstenen tegelijk om aandacht vragen.

Je mag menen dat Górecki in Sjostakovitsj-achtige polka's te lang door-emmert. Je kunt zijn flirt met de minimalistische hupsakee van John Adams goedkoop vinden. Te vrezen valt dat het allemaal toch niet uitmaakt. Dat Górecki's muziekhistorische belang niet meer uitstijgt boven dat ene gloriemoment in 1992.

Henryk Górecki: Vierde symfonie. Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Reinbert de Leeuw. 14/2, Concertgebouw, Amsterdam

Meer over