Godskameren en proveniers

Veel is er nog niet van te merken, maar Nederland staat voor een belangrijk jubileum. Dit voorjaar is het vijftig jaar geleden dat Willem Drees, in 1947 minister van Sociale Zaken, kwam met de Noodwet Ouderdomsvoorziening....

Die * 19,50 per week was niet veel, maar vormde toch een 'doorbraak in de opbouw van de verzorgingsstaat', want voor het eerst werd een serieuze poging ondernomen bejaarden te bevrijden uit de armoedeval waarin zij terechtkwamen als zij niet meer konden werken. Dit schrijven Renger de Bruin, Mieke Heurneman en Frank van der Veeke in van Aalmoes tot AOW - Zes eeuwen ouderenzorg in een Nederlandse stad (Centraal Museum Utrecht; * 35,-).

Uit dit boek, verschenen bij de gelijknamige tentoonstelling in het Centraal Museum (nog tot en met 16 februari), blijkt duidelijk hoe ingrijpend de stap was naar een door de overheid geregeld, algemeen pensioen. Want vóór 1900 was ouderenzorg eeuwenlang onderdeel van de armenzorg, die voornamelijk werd verricht door kerkelijke en particuliere instanties.

Ouderenzorg was een vorm van liefdadigheid. Welgestelde katholieken stichtten gasthuizen of 'vrijwoningen' voor ouden van dagen, omdat zij zo hoopten een plaats in de hemel te verwerven. Rijke protestanten deden later hetzelfde om God te danken dat hij hun een beter lot had geschonken dan de armen. Bidden voor het zielenheil van hun weldoeners behoorde dan ook tot de dagelijke plichten van arme katholieken.

In het boek gaat het om de geschiedenis van de ouderenzorg in Utrecht en dat maakt die geschiedenis heel concreet en interessant. Enkele van die oude instellingen voor bejaarden bestaan nog, zoals het Bartholomeusgasthuis en verschillende 'godskameren', huisjes waar bejaarden vroeger gratis mochten wonen.

In de gasthuizen van Utrecht verbleven voornamelijk armen. Zij sliepen in bedsteden in de wanden van de 'deel' en gebruikten samen de maaltijd; disgenoten werden ze daarom genoemd. Maar er waren ook 'proveniers' en 'proveniersters', bejaarden die zich voor een bepaald bedrag inkochten in een gasthuis en daar werden ondergebracht in een kamertje.

Jan Practiseer was zo'n provenier die ruim 34 jaar lang in het Jobsgasthuis woonde. De man stierf op 101-jarige leeftijd. Zijn hoge leeftijd was zo uitzonderlijk dat de regenten van het gasthuis besloten hem te laten schilderen. Over Jan Practiseer wordt overigens ook in het boek verteld dat hij wegens drankmisbruik tot twee keer toe tijdelijk uit het gasthuis werd gezet.

De regels waren streng in de gasthuizen. Dankbaar en gehoorzaam moesten de bewoners zijn en wie zich niet goed gedroeg, werd gestraft. De ergste straf bestond eruit te worden geketend aan een houten blok. Maar zware straffen werden 'opmerkelijk weinig' opgelegd.

Jan Luijten

Heiloo had eigen

literaire kring

'Het kreng waarop doctorale roofvogels aanvliegen.' Zo betitelde de negentiende-eeuwse historicus en essayist R.C. Bakhuizen van den Brink met een wat merkwaardige woordkeus de Noord-Hollandse kuststreek in de omgeving van Alkmaar. Hij doelde op de graagte waarmee Leidse studenten na hun afstuderen in die buurt een baan zochten. Zijn woorden waren geschreven in een brief aan zijn studiegenoot J.P. Hasebroek, die na zijn theologiestudie als predikant de gemeente Heiloo toegewezen had gekregen - de bofkont. 'Bij Alkmaar ligt een dorpje, dat oog en hart verrukt', dichtte Nicolaas Beets in zijn gedicht 'Holland'. En in het gedicht 'Heiloo' barstte hij los: 'Waarom klopt het hart mij zoo,/ Als ik, boven Limmen,/ Op een spitsen torentop,/ 't Haantje met vergulden kop,/ Boven 't Hout zie klim

men?/ Heiloo ligt boven Limmen.'

Hasebroek was 24 toen hij in oktober 1836 in Heiloo neerstreek. Al gauw ontpopte hij zich als een drijvende kracht achter culturele ontmoetingen. Met zijn voorliefde voor de letteren nodigde hij graag literaire vrienden uit zijn Leidse tijd uit. Zijn pastorie werd een verzamelpunt van wat ging heten 'de Kring van Heiloo'. Tot de vaste gasten behoorden Johannes Kneppelhout (Studenten-typen), Nicolaas Beets (Camera obscura), Jacob van Lennep (De lotgevallen van Ferdinand Huyck) en Anna Toussaint, de latere mevrouw Bosboom-Toussaint. Op afstand had Potgieter veel invloed op de kring.

De dominee was zelf een matig dichter, maar hij had andere kwaliteiten. 'Hasebroeks belangrijkste talent was talent voor vriendschap en bewondering voor anderen', schrijft Nico Keuning in Rozenwolken en wierookwalmen - Letterkundige reisgids Heiloo (Reservaat, Heiloo; * 34,50). Zijn moment suprème beleefde Hasebroek in de zomer van 1842, toen koning Willem II een bezoek aan Heiloo bracht. Hem viel de eer te beurt als plaatsvervanger de officiële welkomstoespraak te mogen houden wegens ziekte van de burgemeester. Hij vond zichzelf ook de juiste persoon, schreef hij later, 'daar de overige leden van het dorpsbestuur wel wat erg dorper waren om den koning toe te spreken'. Hasebroek was zeer gesteld op Johannes Kneppelhout, die zich bediende van het pseudoniem Klikspaan. Als 'Knep' weer huiswaarts keerde, liet hij 'een groot gevoel van leegte' achter. Keuning: 'Kneppelhout was een geboren verteller. Op de pastorie vertelde hij Hasebroek prachtige verhalen over zijn studententijd, zijn medestudenten, examens bij hoogleraren. Dát moet je opschrijven, zou Hasebroek gezegd hebben.' Dat werd Studenten-typen.

De Kring van Heiloo is een van de meest in het oog springende onderdelen van de literaire wandeling die Rozenwolken en wierookwalmen te bieden heeft. Andere literatoren die vanwege een al dan niet kortstondige binding met Heiloo ten tonele worden gevoerd, zijn: Godfried Bomans, Pieter Boskma, Jan Hanlo, Willem van Iependaal, Gerard Reve, Margreet Schouwenaar, Adriaan Venema en Gijs IJlander. Veel aandacht krijgt de bedevaartskapel Onze Lieve Vrouw ter Nood, het 'heilig putje'.

Han van Gessel

Meer over