Beschouwing

‘God schreef de Bijbel, Jac. P. Thijsse de albums van Verkade’

De uitgave van de Wandeldagboeken van Jac. P. Thijsse (1865-1945) tekent de nieuwe belangstelling voor de grote planten- en dierenkenner, die een voorbeeld was voor de jonge Jan Wolkers.

null Beeld Olivier Heiligers
Beeld Olivier Heiligers

‘Het is nog niet uitgemaakt, wie het eerst de Lente proclameert: de zanglijster, de sneeuwklokjes of de hazelaar. Het eene jaar komt de vogel het eerst met ’t nieuwtje, het andere jaar de heester of de bloem, maar in ieder geval weten zij het altijd eerder dan de menschen, die op den kalender afgaan, en meenen, dat de Lente den eenentwintigsten maart haar intocht doet.’

Zo opent Lente, het eerste Verkade-album van Jac. P. Thijsse, uit 1906. Het was de opmaat tot een reeks boeken die in Nederland het denken over de natuur zou veranderen. Maar wie de regels niet zo lang geleden declameerde, ontmoette vooral vragende blikken – met uitzondering misschien van een enkele bejaarde die zich de Verkade-albums nog herinnerde, niet zozeer om de teksten van Thijsse overigens, maar om de kleurige plaatjes die met de Verkade-ontbijtkoek en -beschuit waren mee verpakt. Jongere belangstellenden schenen er amper te zijn, en als je een groep geschiedenisstudenten vroeg wie Thijsse was, stak niemand zijn hand op.

Aan zijn vele pleitbezorgers heeft het niet gelegen. De kleurrijkste was Jan Wolkers. ‘In mijn prille jeugd waren er maar twee schrijvers’, schreef hij. ‘God, die de Bijbel had geschreven en Jac. P. Thijsse, die de Albums van Verkade geschreven had. De eerste wist in een mum van tijd met gruwelijke verhalen over Sodomieten, Hettieten en Kanaänieten je zilverfrisse jongensziel in de walm van Gomorra te roken tot de rimpelige bokking der erfzonde, en als je maar even een appeltje voor de dorst aansprak liet hij je zonder pardon door een paar als engelen verklede boswachters uit de hof van Eden verwijderen.

De andere schrijver, Jac. P. Thijsse, was ook wel streng maar toch een stuk soepeler.’ Waarbij de soepelheid het won, vervolgde Wolkers: ‘Wat een lieve man, die Thijsse. Ik moet bekennen dat ik als jongen menig broedwarm eitje uit een vogelnest ontvreemd heb voor mijn verzameling. Maar ook daar had hij begrip voor. Hij kende de jongensnatuur door en door, omdat hij zelf zo’n jongen was geweest.’

Wolkers schreef zijn pleidooi in 1995, het jaar dat Thijsses vijftigste sterfdag werd herdacht. Ter gelegenheid hiervan verschenen ook een nagekomen Verkade-album en nog wat gelegenheidsboekjes, maar tot een echte herwaardering kwam het nog niet. Maar nu, een kwarteeuw later, lijkt het of Thijsse dan toch aan een voorzichtige revival is begonnen. De afgelopen jaren verschenen er een uitgebreide bloemlezing van zijn brieven, een korte biografie en een stel in zijn geest geschreven wandelboeken. En daar zijn nu Thijsses oudste natuurdagboeken bijgekomen, in een werkelijk prachtig verzorgde uitgave met biografische hoofdstukken en toelichtingen van bioloog en Thijsse-kenner Marga Coesèl.

Nu ga ik er eens op uit – Wandeldagboeken 1884-1898 – een ondertitel die mogelijk inspeelt op de wandelmode van nu, want het was Thijsse toch vooral om de natuur te doen – is bovendien uitvoerig geïllustreerd, met tekeningen van Thijsse zelf en plaatjes van anderen, merendeels afkomstig uit de Verkade-albums. Met reden: Thijsse hechtte aan afbeeldingen in natuurboeken en zijn werk zat er dan ook vol mee. Er was echter nog een reden om zijn dagboekaantekeningen op deze wijze uit te geven, en dat wordt duidelijk als we ze vergelijken met het Natuurdagboek van Nescio, dat dit voorjaar werd herdrukt.

Hoewel ze in allerlei opzichten geestverwanten waren, hebben ze elkaar, voor zover bekend, nooit ontmoet. Dat Jac. P. Thijsse een natuurdagboek had bijgehouden, kon de zeventien jaar jongere Jan Hendrik Frederik Grönloh niet weten. Hun notities hadden dan ook een geheel verschillend karakter.

Nescio was al 63 toen hij zijn dagboek begon bij te houden. Zijn notities waaierden vele kanten uit. Sfeerbeschrijvingen, het openbaar vervoer, zijn humeur, gebeurtenissen die hemzelf en zijn naaste omgeving betroffen, maar vanzelfsprekend vooral veel natuur. Hij zag de eerste krokussen opkomen, merkte op dat de iepen gingen bloeien en hoorde de eerste zingende merel op het landgoed Frankendael, vlak bij zijn huis aan het Linnaeushof in Amsterdam.

Een waarneming als ‘Hooi, vlier en rozen en een paar maal de koekoek. Geen leeuweriken’ zou zo in Thijsses dagboek kunnen – maar dat is een uitzondering. Vaker herinneren de notities van de wandelaar, fietser en treinreiziger Grönloh aan het werk van de schrijver Nescio. 26 juni 1947: ‘Vooral ’s morgens zeer ontvankelijk voor zacht gerimpeld, blauwig, tintelend zeetje en land, alles kwam voortdurend naar binnen.’ Hij had veel aandacht voor het weer – dat deelde hij dan weer met Thijsse – en vooral voor de wolken: ‘Geweldige wolkengevaarten, heengaande wolken in het oosten, terugkeerend in ’t westen en wat regen’ (12 november 1946).

null Beeld Olivier Heiligers
Beeld Olivier Heiligers

Het contrast met Thijsses dagboek is groot. ‘Watertorren en oeverkevertjes zijn al druk in de weer’, noteerde die bijvoorbeeld op 19 januari 1896. ‘Dyticus marginalis, Colymbetes, Gyrinus en Elaphrus riparius.’ Al zijn de laatste vier soorten in de uitgave keurig geannoteerd als geelgerande watertor, waterroofkever, schrijvertje en oeverloopkever, meeslepende lectuur wordt het er niet door. En daarom is het goed dat zijn dagboek in een bredere context is uitgegeven.

Want de betekenis van Nu ga ik er eens op uit zit hem niet in de literaire kwaliteit van Thijsses dagboek – al is het bij vlagen alleszins leesbaar. Zoals het Natuurdagboek van Nescio een belangrijke aanvulling is op verhalen als De uitvreter en Dichtertje, zo zijn Thijsses Wandeldagboeken te beschouwen als een van de grondslagen van zijn werk. Niet zozeer omdat hij er voor zijn boeken en artikelen op teruggreep – dat deed hij ook wel – maar vooral omdat het zijn ontluikende belangstelling voor de natuur toont, en de ontwikkeling die hij doormaakte als natuurkenner.

Hij begon zijn dagboek begin 1884, toen hij 18 jaar oud was en net onderwijzer was geworden op een Amsterdamse lagere school. In deze jaren, toen niemand kon voorzien dat hij nog eens de belangrijkste natuurschrijver van Nederland zou worden, bracht hij vooral de plantengroei in de omgeving van Amsterdam in kaart. Vaak bezocht hij dezelfde plekken als Nescio zo’n zeventig jaar later, maar waar de schrijver van Dichtertje vooral naar de luchten keek, was Thijsse naar de grond gericht. Pas later zou hij zich in het herkennen van vogels gaan specialiseren.

Zeker in de eerste jaren beperkte hij zich niet tot beschrijvingen van de planten en dieren die hij zag en toonde hij dat hij aardig kon schrijven. ‘Daar wij vakantie hebben, heeft het gisteren en deze morgen aanhoudend en vervelend geregend’, noteerde hij op 11 april 1884.

Tien jaar later beschreef hij beeldend het gedrag van een braamsluiper. ‘Een klein grauw vogeltje’, schreef hij, ‘komt ons opnemen en sluipt en draait en wendt zich nu eens in de hoge notenboom, die pas bladeren krijgt, dan weer in de bonte ahorn of in de rode kastanje. Daarbij laat hij onophoudelijk zijn heldere lokstrofe horen en zijn vertrouwelijk babbelend zacht liedje – soms met een scherpe triller eindigend.’ Maar toen hij dit noteerde had hij al kennisgemaakt met een collega-onderwijzer, Eli Heimans.

Heimans, enkele jaren ouder dan Thijsse, had een lesboek over de natuur in het Sarphatipark op zijn naam staan. Toen Thijsse hem aanraadde om ook zo’n boek over de natuur buiten de stad te schrijven, zei Heimans: ‘Laat ons dat samen doen!’ Het was het begin van een innige en ongekend productieve vriendschap. In korte tijd publiceerden ze samen een serie boekjes over de natuur in Nederland, richtten ze een tijdschrift op en stelden ze een nieuwe geïllustreerde flora samen.

Jac. P. Thijsse (1865-1945), die de teksten leverde voor een groot aantal Verkade-albums, heeft veel bijgedragen aan de popularisering van de natuurstudie in Nederland. Beeld Hollandse Hoogte /  ANP
Jac. P. Thijsse (1865-1945), die de teksten leverde voor een groot aantal Verkade-albums, heeft veel bijgedragen aan de popularisering van de natuurstudie in Nederland.Beeld Hollandse Hoogte / ANP

Hun handelsmerk was hun taalgebruik. Ze beschreven de natuur niet in de plechtstatige bewoordingen die in zwang waren, maar op een gemoedelijke en persoonlijke manier, liefdevol en betrokken, en vol persoonlijke herinneringen. ‘Ik ben een ik-mens’, zei Thijsse hierover later in een interview. ‘Men heeft mij dat wel eens verweten, maar ik trek mij van dat verwijt niets aan. Als ik vertel, praat ik over mijzelf.’

Dat Thijsse hierbij schatplichtig was aan zijn oudere vriend, heeft hij altijd benadrukt. Jaren later, toen Heimans al was overleden, bekende hij: ‘Zonder Heimans zou ik nooit geworden zijn, wat ik nu ben; hij heeft mij de weg gewezen, met mij samen de weg gebaand; wij, in onze jaren, oogsten, wat vooral door Heimans, die nu al vele jaren in het graf rust, was gezaaid.’

Vooral in zijn bijdragen voor hun nieuwe tijdschrift, De levende natuur, greep Thijsse nogal eens terug op zijn natuurdagboek. Af en toe scheurde hij er zelfs een aantal bladzijden uit die hij plompverloren als kopij naar de drukker stuurde. De kale notities zonder mooischrijverij pasten wel in het bonte karakter van De levende natuur, waarin welhaast wetenschappelijke artikelen samengingen met persoonlijke beschouwingen, en de lezers door een vraag-en-antwoordrubriek nauw bij het tijdschrift werden betrokken.

Toch kon hij lang niet altijd op zijn dagboek terugvallen. De wel erg bondige aantekening ‘26 Mei - 2 Juni excursie Texel’ was natuurlijk onbruikbaar voor de lange beschouwing die hij twee jaar later in De levende natuur aan die excursie wijdde, en die terecht in Nu ga ik er eens op uit is opgenomen. Thijsse beschreef er onder meer in hoe hij – voor de collectie van Artis – een kluut schoot: ‘Hij stortte dan ook ineens, als door de bliksem getroffen, neer, de prachtige vogel, en geen bloedvlek ontsierde het smetteloos wit van zijn veren.’ Er blijkt niet uit dat de schutter, die later weinig van de jacht meer moest hebben, dit met tegenzin deed, maar hij was wel blij dat ‘er vooreerst geen kluiten meer behoefden geschoten te worden’.

Een jaar of tien na de kennismaking met Heimans ging Thijsse steeds meer zijn eigen weg. In 1904 verscheen het eerste boek dat hij in zijn eentje had geschreven: Het vogeljaar. Het was een meesterwerk, misschien wel het beste natuurboek dat in Nederland is geschreven. In die tijd hield hij vermoedelijk geen dagboek bij, wat niet wegneemt dat Het vogeljaar een bijzonder persoonlijk boek was: het opende zelfs met ‘Ik’.

Hij drukte zijn lezers op het hart dat ze om bijzondere vogels te zien geen verre reizen hoefden te maken: ‘Ik heb den Renvogel en den Scharrelaar ook nog nooit in ’t wild gezien en ben er niet eens zoo heel erg benieuwd naar.’ Wat hem betrof ging er niets boven ‘de huiselijke roeken en duiven, de kluchtige uiltjes, de dartele meezen, het blijde zangersgild van vinken en leeuweriken, lijsters, nachtegalen, rietzangers en boomzangers, de luidruchtige steltloopers van de weide en de wilde jacht van het strandgevogelte’.

Jac. P. Thijsse was inmiddels Nederlands bekendste natuurschrijver geworden, iets wat ook kwam doordat hij zich inmiddels als actievoerder had bewezen: bijna in zijn eentje lobbyde hij tegen plannen van de gemeente Amsterdam om van het Naardermeer een vuilnisbelt te maken. Hoewel het uiteindelijk niet aan Thijsse lag dat het natuurgebied werd behouden, was dit in 1905 wel de aanleiding tot de oprichting van de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten. Namens die vereniging zou hij zich tot het eind toe inzetten voor de bescherming van de Nederlandse natuur.

Het was niet zo vreemd dat de firma Verkade, op zoek naar een tekstschrijver voor haar plaatjesalbums, in deze omstandigheden bij Thijsse uitkwam. ‘Ze hebben me nu gevraagd om te schrijven voor de reclame. Dat doe ik vast niet’, zei hij op een dag tegen zijn vrouw. Maar hij deed het wel, en hoe. Twintig Verkade-albums zou hij schrijven, waarvan er twee na zijn dood verschenen. De totale oplage beliep in de miljoenen. Dat het denken over de natuur, de natuurbescherming en daarmee het Nederlandse landschap er zonder Thijsse anders zouden hebben uitgezien, is dan ook geen gewaagde veronderstelling. Alleen dat rechtvaardigt al de uitgave van zijn natuurdagboeken.

Die dagboeken laten, net als Thijsses artikelen en boeken, ook iets anders zien: de rijkdom van het Nederlandse landschap aan het eind van de negentiende eeuw – en zeventig jaar later trouwens nog steeds, zoals uit het Natuurdagboek van Nescio blijkt. Beide Amsterdammers begaven zich vaak naar Muiderberg, waar het uitzicht op het IJsselmeer – voor Thijsse nog Zuiderzee – ook in Nescio’s tijd niet gehinderd werd door de Flevopolder.

In 1951 hoorde Nescio er het water kabbelen: ‘Het was een onwereldsch kabbelen, zoo zacht. Schiereiland tusschen Muiderberg en Muiden met breede strooken gouden riet er voor, een moutonnement van enkele boerderijtjes en het slot aan het eind daarboven een streep van witte wolkjes aan elkaar, en die blauwe zee op zee.’ De details had Thijsse in 1897 al ingevuld: ‘Kruisbek in sparren bij Flevorama, nest van braamsluipertje op braam, overhangend over water, lissen pieken er langs. Wielewalen, lege doppen op de grond. Gaaien, groenspecht, fitis, mezen, boomkruiper, boomklever, winterkoninkje. Roodborstje dat buitengewoon mooi zingt. Spechtengaten en begin van spechten. […] Op framboos hommels, honingbijen, Volucella [een zweefvlieg] en andere vliegers. Zeer veel insectenbezoek. Boktorretje op braambloesem.’

Nog altijd is het een aangename plek, maar het monumentale landhuis Flevorama (waar later de uitgever Johan Polak zou wonen en Gerard Reve logeerde) kijkt nu uit op de flatgebouwen van Almere. Kruisbekken en wielewalen zie je er niet meer en ook het insectenbezoek is er sterk afgenomen. Elders zijn de veranderingen nog veel ingrijpender geweest. Thijsses favoriete moeraslandjes nabij Amsterdam waar hij orchideeën zag en karekieten hoorde, heeft hij zelf nog zien verdwijnen. ‘De ‘orchideeënwandeling door ’t Gooi’ die hij in juni 1896 maakte, zou tegenwoordig niet veel orchideeën meer opleveren. Maar ook veel wilgenbosjes en de rommelige akkertjes die Nescio tientallen jaren later beschreef, hebben plaatsgemaakt voor bedrijventerreinen en grootschalige landbouw.

Ze waren beiden niet blind voor de verstedelijking van het platteland. In 1950 was Nescio’s hoofdindruk van een ritje naar Bloemendaal: ‘Overal wordt Holland dichtgebouwd met fabrieken en huisjes, we komen in een bijenkorf te leven zonder uitzicht en zonder uitvliegen.’ Driekwart eeuw eerder was het Thijsse ook al opgevallen. ‘Nu ga ik er eens op uit om te zien hoe de Natuur bij Amsterdam er uitziet’, schreef hij in 1884. ‘De Nieuwe Buurt [= de Dapperbuurt] heeft de Natuur in enkele jaren een heel eind teruggedrongen. De Rietlanden zijn slechts voor een klein deel in haar rijke woestheid gespaard. Zeeburg wordt vertrapt en de Oetewaler weg is tot de Linnaeusstraat geworden. Ik moet daarom tot aan de Diemerringvaart lopen, eer ik iets hoor of zie.’

Nescio zag het allemaal met lede ogen aan. Bekend is een voetnoot die hij in 1942 aan het verhaal ‘Kortenhoef’ toevoegde: ‘Dit aardige wipbruggetje bestaat ook al niet meer. De weg is over het water heen geplempt. God zegene de verantwoordelijke autoriteiten. Als ’t kan een beetje hardhandig.’ Thijsse, die in januari 1945 overleed, had in de bijna tachtig jaar dat hij leefde nog meer moois zien verdwijnen. Hoewel hem dit verdroot, bleef hij optimistisch: ‘Ik lees tegenwoordig veel geschiedenis’, schreef hij in oktober 1939, kort na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, in een brief. ‘Heel nuttig want je ontdekt dan dat het vroeger met de menschen toch nog veel ellendiger gesteld was dan thans. Wanhoop nooit aan vooruitgang.’

Thijsse had een punt (al schreef hij dit wel op een omineus moment), maar je vraagt je af wat hij van het platteland van nu zou hebben gevonden. In zijn tijd verdwenen moerassen, vennen en hoogveengebieden, maar er kwam iets voor in de plaats: akkers en bonte weiden waar patrijzen zich thuis voelden en grutto’s, kemphanen en scholeksters. Langs de roggevelden bloeiden korenbloemen en margrieten. Het boerenland hoorde voor hem niet minder bij de natuur dan duin, bos en heide. Of dat ook zou opgaan voor de monotone maïsakkers, de groene woestijnen en de verzuurde bossen van nu, valt zeer te betwijfelen.

Maar misschien heeft de herontdekking van Thijsse juist hiermee te maken. De natuur zit in de verdrukking, maar we kunnen niet zonder, er was geen corona-epidemie voor nodig om ons daarvan te laten doordringen. Voor de planten en dieren die je tijdens een wandeling of fietstocht nauwelijks meer tegenkomt, kun je bij zijn boeken terecht. En toch, bij het herlezen van zijn werk, Het vogeljaar voorop, bekruipt je het verlangen naar een nieuwe Jac. P. Thijsse, die het opneemt voor de natuur van nu.

null Beeld Van Oorschot
Beeld Van Oorschot

Jac. P. Thijsse: Nu ga ik er eens op uit – Wandeldagboeken 1884-1898. Bezorgd door Marga Coesèl. Van Oorschot; 240 pagina’s; € 35.

Meer over