Glazen doos aan het IJ

3X Nielsen, de architecten van het nieuwe Muziekgebouw aan 't IJ en het Bimhuis in Amsterdam, hebben zich dienstbaar opgesteld....

Door Hilde de Haan

Een geïsoleerde plek achter de spoorbaan, langs een drukke verkeersweg, en dan ook nog eens aan een koude, waaierige IJ-oever. Op een schiereiland dat verder helemaal met overmaatse gebouwen is vol gezet. Bimhuis en de IJsbreker, de Amsterdams muziekpodia die verhuizen naar het nieuwe muziekgebouw in Amsterdam, lijken er niet op vooruit te gaan.

Totdat je het gebouw van de Deense architectencombinatie 3x Nielsen betreedt. Want dan blijkt dat het woord 'gebouw' een volstrekt ontoereikende benaming is. Onder een luifel zó hoog en groot dat je hem bijna als hemel ervaart, is hier een heel nieuw stuk van de stad verrezen. Met heuse pleinen, smalle stegen, fraaie traplandschappen, riante terrassen. Alles openbare ruimte (de kassa's staan ver achterin, bij de zalen), met glas beschut tegen het klimaat, en met een wonderschoon uitzicht.

De drie nieuwe muziekzalen hebben elk een eigen plaats gekregen. Eén ervan bevindt zich in het nieuwe Bimhuis dat als een zwarte doos op acht meter hoogte dwars door de glazen zuidgevel steekt. Een andere zaal, veruit de grootste, bevindt zich in het reusachtige blok dat met zijn schuine betonnen wanden - vierentwintig meter hoog - de harde kern vormt van het complex. In dat betonnen blok is ook de derde zaal opgenomen, een kleine ruimte waarvan één glazen wand eventueel kan worden opengezet. Als dat gebeurt, is de muziek over alle pleinen en terrassen te horen.

Architectonisch is het meesterlijk: een aaneenschakeling van met licht overspoelde pleinen en niveauverschillen. En bouwkundig is het perfect gemaakt met een harmonieus gebruik van vier verschillende materialen. Drie daarvan zijn nogal hard: schoonbeton voor de hoge wanden rond de grote zaal; staal voor de vele, ranke constructies, en glas voor alle wanden rondom. Maar het vierde materiaal is zacht van aard en brengt daarmee het geheel in evenwicht: ongeschuurd hardhout op alle vloeren, een vriendelijke plankenbodem.

Alles draait hier natuurlijk om de muziek, de architectuur is daaraan dienstbaar. Zo hebben alle zalen en repetitieruimtes een doos-in-doos constructie: dubbellaagse wanden, vrijwel ondoordringbaar voor geluid. En elke zaal heeft een eigen sfeer, waardoor ze samen vele soorten optredens mogelijk maken.

In het Bimhuis, waar voor het interieur architect Christian Bouma werd ingeschakeld, is de zaal het meest intiem; in open verbinding met een café ook, zoals in het oude gebouw. Wel zijn er betere technische installaties, en is er een opnamestudio bijgekomen. Ronduit spectaculair is de glazen wand achter het podium. Deze kan door gordijnen worden afgedicht, maar als ze open zijn is het extra feest. Dan ziet het publiek, tussen de musici door, de lichtjes van Amsterdam en zien voorbijgangers hoe binnen wordt geswingd.

De grote zaal, in het betonnen blok, is de grootste verrassing. Deze is geheel bekleed met hout, nu niet ongeschuurd maar in de vorm van mooie, blanke esdoornlatjes. Daarachter is verlichting aangebracht, die in allerlei kleuren branden kan. Ook deze zaal is vrij intiem, dankzij zijn fikse breedte bij een tamelijk geringe diepte. En vooral is hij veelzijdig. Zo zijn de circa zevenhonderdvijftig stoelen in een handomdraai aan de zijkant weg te bergen, en kan de getrapte bodem worden weggeklapt.

De eerste aanloop voor de het muziekcentrum begon zo'n twintig jaar geleden, toen de IJsbreker uit zijn voegen barstte. Dit piepkleine centrum voor eigentijdse kamermuziek aan de Weesperzijde in Amsterdam was in 1979, na jarenlange vergeefse pogingen om een gesubsidieerd centrum van de grond te krijgen, opgericht door Jan Wolff - de belangrijkste voortrekker van de nieuwbouw nu.

Eind jaren negentig kwam er eindelijk zicht op een nieuwe muziekzaal. De ontwikkeling van de oostelijke havengebieden kwam op gang, en hier bleek het mogelijk een groot muziekgebouw te maken. Tegen die tijd bleek dat ook het Bimhuis een nieuwe behuizing nodig had.

In 1997 schreef de gemeente Amsterdam een ideeënoproep uit. Uit 48 inzendingen werd unaniem gekozen voor het Deense 3x Nielsen. Dit bureau, in 1984 in Arhus opgericht door drie architecten die toevallig allemaal Nielsen heetten, had indertijd vrijwel alleen nog in eigen land gebouwd. Dat was een reusachtig voordeel, zegt Jan Wolff nu: 'Hun ontwerp leek relatief goedkoop, en ze hadden minder kapsones dan veel beroemdere architecten. En wat ze al hadden gemaakt, was fabelachtig: een verbouwde bioscoop in Kopenhagen, de Deense Ambassade in Berlijn. En zo straalde ook hun ontwerp voor de Amsterdamse muziekpodia een fantastische eenvoud en schoonheid uit. Een bouwwerk dat zelf geen aandacht opeist zodat alles wat binnen gebeurt des te meer kan bruisen.'

Het uiteindelijke gebouw lijkt sprekend op het eerste ontwerp, - toen al een glazen doos, met uitkragend dak, waarbinnen als losse elementen de diverse onderdelen waren opgenomen. Er is één groot verschil: in het eerste ontwerp was alle kantoorruimte nog ondergebracht in een heel dik dak. Dat is drastisch veranderd. Er moest 10 miljoen gulden worden bezuinigd, bijna 10 procent van het bouwbedrag. In het uitgevoerde ontwerp werd het dak 'gewoon dun' en alle kantoorruimte gesitueerd in een blok van vier etages aan de oostkant.

Achteraf gezien is dat goed. Tussen de concertzalen en het kantorenblok is nu een extra binnenplein ontstaan, waar musici, publiek en organisatoren elkaar voortdurend kunnen tegenkomen. Hiervandaan ook zijn allerlei onderdelen toegankelijker geworden voor het publiek: zoals die klankspeeltuin, pal bij de ingang, waar kinderen met behulp van kleurrijke apparaten kunnen merken hoe leuk muziek maken is; spelen én componeren.

Gaandeweg het ontwerpproces is meer verbeterd. Bijzonder omdat strikt genomen niet de 'toekomstige gebruikers' maar de stad Amsterdam opdrachtgever was. In zo'n situatie hebben gebruikers gewoonlijk in het bouwproces weinig meer in te brengen. Zo niet bij dit Muziekgebouw, waar Wolff, als drijvende kracht, er voor zorgde dat een invloedrijk Gebruikersoverleg ontstond dat uren, dagen, maanden met de architecten overlegde.

Geen enkele oplossing werd door dit team als vanzelfsprekend aangenomen. Dat leidde er bijvoorbeeld toe dat de ruimten backstage - kleedruimten, de opslagkamer voor instrumenten, artiestenfoyer - nu eens niet een sluitpost zijn geworden. Ook hamerde Wolff de architecten in hoe musici het liefst naar podia lopen: via trappen zo breed dat ze mét hun instrument, en met zijn drieën naast elkaar, naar boven kunnen gaan. Die trappen zijn er gekomen. En de kleedzalen die na een bezuinigingsronde door het hele gebouw werden verspreid, staan nu toch netjes bij elkaar.

Die vasthoudendheid heeft gezorgd dat musici van vele genres de romantiek van onbeholpen onderkomens nu achter zich kunnen laten. Het is vooral voor hen een genot: dit nieuwe deel van Amsterdam.

Meer over