Geschonden zelfbeeld

DUIZENDEN brieven heeft Busken Huet in zijn leven geschreven, en stuk voor stuk waren ze om door een stilistisch ringetje te halen....

Dat had natuurlijk ook te maken met de cultuur van zijn negentiende-eeuwse dagen. De formele omgangsvormen die de sociale etiquette dicteerden, vroegen om epistolaire zorgvuldigheid, zoals ze om tafelmanieren, netjes gekamde haren en een betamelijke visitejurk vroegen: je moest met al die dingen voor de dag kunnen komen.

In het geval van Huet kwam daar de tamelijk extreme behoefte bij een voornaam zelfbeeld te bewaken - dat van de respectabele theoloog die uit vrije wil de Waalse gemeente had verlaten, van de geletterde aristocraat, van de ongenaakbare oordelaar over Hollands geestesleven. Hooghartigheid was hem niet vreemd. 'Vroeger', schreef hij eens aan Johannes van Vloten, 'meende ik dat er mogelijkheid bestond om Jan Rap manieren te leeren en een gentleman van hem te maken; doch de man is inkurabel.'

Verongelijktheid lag daar vlak naast. Om als uitgetreden predikant in z'n levensonderhoud te voorzien, accepteerde hij in 1862 een betrekking bij de Opregte Haarlemsche Courant. Hij onderging het als een vernedering. 'Mijn betrekking bij de Haarlemsche Courant', liet hij Multatuli in 1866 weten, 'is in den grond der zaak die van een bediende.' En jaren later, op een Parijs' schrijverscongres, verzuchtte hij: 'Bij openbare feestelijke gelegenheden ziet 'de' pers, zoals men haar glimlachend noemt, zich niet geweerd maar, overdrachtelijk en feitelijk, aan het lager einde der tafel geplaatst. De Nederlandse dagbladschrijver is in de eerste plaats stoker van een lokomotief, bestemd tot het aanvoeren van nieuwstijdingen uit binnen- en buitenland.'

Als Potgieter hem per brief opriep zich los te maken van die 'lagere wereld der journalistiek', verweerde hij zich zwakjes, want hij was het volledig met zijn achttien jaar oudere vriend eens. Maar wat kon hij anders, in een land dat hem niet spontaan op z'n minst een hoogleraarschap aanbood, of liever nog een sinecure die het hem mogelijk maakte zich geheel en onbekommerd aan de letteren te wijden?

Het beste alternatief deed zich voor in 1868, toen de Java-Bode in Batavia een (hoofd)redacteur zocht. Weliswaar nog altijd journalistiek werk - dus beneden zijn maat -, maar hij zou er tenminste de baas zijn en geen bediende meer. In salaris zou hij er bovendien aanzienlijk op vooruitgaan, hij zou (hield men hem voor) mogen schrijven wat hij wilde, en de krant verscheen maar twee keer in de week - de locomotief hoefde niet voortdurend gestookt te worden.

Huet - veertig jaar toen, getrouwd en met een kind - nam het aanbod aan, maar om de verhuizing en de overtocht te bekostigen deed hij nog iets anders. Via Multatuli zocht hij contact met de bewindsman voor Koloniën in het conservatieve kabinet-Van Zuylen Heemskerk, bij wie hij de reisvergoeding kreeg toegezegd, op voorwaarde dat hij in Indië de Gouverneur-Generaal zou adviseren over de wijze waarop men de al te liberale Indische pers enigszins zou kunnen beteugelen.

Misschien zou het met de gevolgen van de ignobele transactie nog wel zijn losgelopen - het is maar de vraag of Huet het aangenomen verklikkerswerk serieus heeft genomen - als de liberale opvolger van zijn opdrachtgever de geheime overeenkomst niet nog datzelfde jaar openbaar had gemaakt. Nu was het grote ego publiekelijk geschonden - in hetzelfde jaar nota bene waarin de genadeloze criticus ook literair door de mand was gevallen met een roman (Lidewyde) die eenstemmig werd neergesabeld, en die ook geen ander lot verdiend had.

Aan de 'Indische affaire' is Huet vrijwel al zijn Nederlandse vrienden kwijtgeraakt, deels omdat ze zijn handelswijze principieel verwierpen, deels omdat ze hem voor een liberale geestverwant hadden gehouden, die nu dus als een 'verrader' kon gelden. Zijn verdediging was de aanval, en de aanval raakte steeds meer vervuld van verbittering.

'Zij die zich voor mijn vrienden uitgaven', schreef hij in 1869 aan Potgieter (die hem, zij het met moeite, trouw bleef), 'vonden het een rustig denkbeeld dat ik bij de Enschedés' - de eigenaren van de Haarlemsche Courant - 'den kost voor het eten had, en geen hunner scheen er besef van te hebben, dat ik voor dien tijdroovenden en zieldoodenden arbeid intellektueel te gronde ging.'

En in diezelfde brief even verder:

'De gelegenheid om naar Indië te gaan beschouwde ik als eene aanwijzing; en daar ik mij van alles wat zich in Nederland liberaal noemt volslagen vervreemd voelde, behoefde ik slechts één schrede te doen om eene inwendig sedert lang bestaande breuk naar buiten te voltooyen. Zonder het te willen of te bedoelen, hebben de Indische liberalen die voltooying bespoedigd. Want toen ik Holland verliet, stond het voornemen niet bij mij vast, dadelijk in het openbaar de zijde der konservatieven te kiezen. Veeleer verkeerde ik in den waan, dat ik mij vooreerst zou kunnen bepalen tot het bestrijden der liberalen in Holland. Doch door de felheid-zelve, waarmede ik hier ben aangevallen, heeft het omwentelingsproces een veel snelleren loop genomen dan ik gedacht had.'

Het proza is onveranderd concies gebleven - maar het is het proza van iemand in het nauw.

De brievenselectie door Olf Praamstra heet Een vastgeraakte lokomotief - de locomotief blijkt een door Huet vaker gebruikte metafoor. In 1874 schreef hij aan de tabaksplanter (en geldschieter) George Birnie dat zijn maatschappelijke loopbaan tot dusver 'eene aaneenschakeling van nederlagen' was geweest, en dat hij zijn bestaan moest zien als 'eene in het zand, naast de aarden baan, vastgeraakte lokomotief, die met doelloze inspanning hare krachten verspilt en zich bewust is, dat zij een trein zou kunnen voorttrekken.'

Let wel: hij zag zichzelf in dat beeld toch vooral als de voortrekker van de trein.

Niet bekend

Nederland en de Nederlanders kunnen weinig goed meer bij hem doen - niet voor niets vestigt hij zich na terugkeer uit de Oost in Parijs. Kort voor zijn dood schrijft hij aan een recensent van Het land van Rembrandt die een vervolgstudie over de achttiende eeuw had geopperd: 'Het hollandsch publiek bemint te weinig de letteren, en een hollandsch auteur zonder fortuin is van te kwade konditie. De Hollanders vermoeden zelfs niet dat studie geld kost. Alleen eten, drinken en kleederen kosten geld, denken zij.'

Het is alsof je W.F. Hermans hoort.

In 1886 stierf hij. Maar ver van huis had hij in z'n laatste tien jaar nog wel honderden 'litterarische fantasieën en kritieken' geschreven, gezwegen van die twee nog altijd onovertroffen cultuurhistorische 'panorama's' die hij naar achtereenvolgens Rubens en Rembrandt noemde.

De bloemlezing van Praamstra bevat nauwelijks nieuws. Huet-fans waren met de indertijd al door de weduwe uitgegeven correspondentie, en met de veel later verschenen complete briefwisseling van Huet en Potgieter, al geheel aan hun trekken gekomen. Inleiding en 'biografische schets' hebben de diepgang van een lemma uit de encyclopedie, en de annotatie is soms van eigenaardige onnozelheid. 'Is het liberalisme', schreef Huet ergens, 'welbezien dan iets anders of iets meer dan de wijsbegeerte van het koffijhuis?' Toen ik noot 457 bij dat laatste woord opsloeg, las ik: '457: Café'.

Conrad Busken Huet: Een vastgeraakte lokomotief - Een portret in brieven.

Uitgekozen en van aantekeningen voorzien door Olf Praamstra.

Veen; 318 pagina's; ¿ 39,90.

ISBN 90 254 2342 6.

Meer over