Geschiedenis is een luxe

Dit jaar organiseert de Volkskrant , in samenwerking met het Historisch Nieuwsblad , voor de tweede keer de Grote Geschiedenis Quiz....

door Jan Blokker

AF EN TOE ga ik naar bed met Motley.

John Lothrop Motley was een Amerikaanse historicus die z'n leven lang bezig is geweest met eigenlijk maar één onderwerp: de opstand van de Nederlanden tegen het Spanje van Filips II. Hij schreef er drie reusachtige boeken over in bij mekaar negen reusachtige delen. Het eerste - over de opkomst van de afvallige Republiek - verscheen in 1856. Het tweede, waarin hij de politieke, de maatschappelijke en vooral ook de militaire ontwikkelingen schetste gedurende de Tachtigjarige Oorlog, was elf jaar later klaar. En kort voor z'n dood in 1877 voltooide hij nog het levensverhaal van de enige tragische held die onze vaderlandse geschiedenis heeft gekend: Life and death of John of Barneveld, advocate of Holland.

Vreemd, dat uitgerekend een Amerikaan van de negentiende eeuw zo gepreoccupeerd was met het Nederland van de zestiende?

Niet als je bedenkt dat Amerika op het moment dat Motley werd geboren nog geen veertig jaar bestond, en de herinnering aan de onafhankelijkheidsoorlog tegen het Engelse bestuur dus nog vers was. De founding fathers van de Amerikaanse revolutie hadden in de Hollandse rebellie tegen het toenmalige wereldrijk van de Habsburgers steeds een lichtend voorbeeld gezien voor hun eigen verzet tegen de overheersers uit Londen. Ook toen had een handjevol dappere dissidenten een gehate koning afgezworen en de strijd aangebonden tegen een vijand die op papier onoverwinnelijk leek, maar niettemin: ze wonnen 'm.

Veel vreemder is eigenlijk dat er na de chroniqueurs van de zestiende en de zeventiende eeuw (Bor, Van Meteren, P.C. Hooft) nauwelijks Nederlandse historici waren geweeest die de roemrijke bevrijdingsoorlog van hun voorvaderen serieus hadden onderzocht en beschreven, en sterker nog: dat in feite pas dankzij het werk van Motley de aandacht van Nederlandse geschiedschrijvers als Groen van Prinsterer, Bakhuizen van den Brink en Fruin op het eigen glorieuze verleden werd gevestigd, en het bronnenonderzoek ten slotte ook hier systematisch ter hand werd genomen.

Op één punt intussen zouden de Nederlanders van toen en daarna Motley nooit meer inhalen: niemand zou ooit nog in één adem het aaneengesloten verhaal van opstand, crisis en triomf opschrijven, laat staan met dat unieke vertellerstalent voor drama en detail. De opstellen van Fruin en diens opvolgers raadpleeg ik nog wel eens. Maar Motley neem ik mee naar bed.

Ik geef een voorbeeld, om uit te leggen waarom.

Het is januari 1608 geworden. Na jaren van moeizame, geheime diplomatie is het ogenblik aangebroken dat de koning van Spanje - financieel bijna uitgeblust van veldtochten tegen Turken, Azteken en andere ongelovigen - tot een wapenstilstand bereid is met de ketterse rebellen in het verre noorden van zijn rijk. Uit de zuidelijke Nederlanden stuurt hij een officiële onderhandelingsdelegatie met aan het hoofd niemand minder dan de markies de Spinola - de grote militaire tegenvoeter van prins Maurits.

'Het was hartje winter', schrijft Motley, 'en het was de strengste winter sinds jaren. Elke rivier, elk kanaal, elke gracht, elke sloot was dichtgevroren. Heel Holland was één brede ijsvlakte, waarover men zich alleen per slee kon verplaatsen. Op de laatste dag van januari vertrok prins Maurits, in gezelschap van zijn neef Willem Lodewijk en een gevolg van staatse hoogwaardigheidsbekleders, uit Den Haag naar de Hoornse brug, halverwege Rijswijk en de hoofdstad van de Republiek. De prins had aanvankelijk verklaard dat hij Spinola alleen maar tegemoet wilde reizen om hem te bevechten. Maar Oldenbarneveld had hem erop gewezen dat het zijn plicht was om als dienaar van de staat de waardigheid in acht te nemen, dus de Spaanse delegatie welkom te heten. Maurits had zich na de vermaning bij het onvermijdelijke neergelegd, en ging. Maar hij ging met tegenzin.'

Hier voet je al iets rommelen. De kapitein-generaal in dienst van de Verenigde Nederlanden, die pais en vree moet spelen met de man tegen wie hij jarenlang in het veld heeft gestaan - dat is haast het onmogelijke vragen. Maar de landsadvocaat, die tenslotte geen militair is, heeft het koopmansprofijt van een bestand becijferd, en overreedt de prins van Oranje, die formeel z'n ondergeschikte is, tot gehoorzaamheid.

'Zo ver het oog reikte', schildert Motley verder, 'was het witte landschap zwart bespikkeld met menselijke figuren. Het leek wel of de totale bevolking van de Nederlanden was uitgelopen om getuige te zijn van de vreedzame ontmoeting tussen de twe legerleiders die nooit anders dan op het slagveld oog in oog hadden gestaan. In rijtuigen, in ezelswagens, te paard, op sleeën, op de schaats of te voet - mannen, vrouwen, kinderen, van goede of mindere komaf, protestanten, katholieken, Gomaristen en Arminianen, wederdopers, landedelen, stadsmagistraten, handelaren, ambachtslieden, scheepsvolk, boeren, allerhande heren met naast zich echtgenote of dochter in gesteven kraag of onder feestelijke hoofddeksels - zij verdrongen zich in grote hoeveelheden, al die brave Hollanders, en ze juichten en gooiden hun muts in de lucht ter ere van de veldheer wiens militaire genie zo veel rampzaligheden in hun dappere land teweeg had gebracht. Maar Spinola trok hun hoofdstad niet als een triomfator tegemoet, hij voerde ook geen Spaans leger aan. Integendeel. De mars naar Den Haag van deze machtige vijand die een olijftak met zich meedroeg in plaats van een zwaard - die mars betekende geen zegetocht voor Spanje, maar een overwinning voor de Republiek waarmee de afgezant van de Spaanse koning zou onderhandelen als met een vrij en onafhankelijk land.'

Prachtig toch?

Het winterlandschap van Pieter Bruegel de Oudere, het van hoog tot laag toegestroomde volk, de twee militaire 'genieën' van wie de Spanjaard zijn kleurigste gala-uniform had aangetrokken, terwijl Maurits zich had beperkt tot een warme wollen buis tegen de kou - en dat allemaal gepenseeld door de Amerikaan voor wie de Hollanders zonder uitzondering zoiets als de onverbiddelijke ijsheiligen, en de Spanjaarden de even onverbiddelijke tirannen waren.

In een volgende alinea scherpt hij de tegenstelling nog verder aan. Eenmaal in Den Haag (in een huis aan de Vijverberg) lijkt Spinola als een praalhans het gereformeerde klootjesvolk te willen epateren. 'Zijn huis stond dag en nacht open, en hij gebruikte zijn maaltijden in het openbaar. De enorme gouden schalen, de gigantische kandelabers en de schitterende zilveren wijnkannen, vingerkommen en kwispedoren stemden het toekijkend publiek tot verbazing. Vorstelijke pracht en praal was hun vreemd, Het was een land waar elk kind schoolging, waar vrijwel elke inwoner kon lezen en schrijven, waar zelfs leden van de middenklasse vertrouwd waren met de wiskunde en de klassieke talen, en waar matigheid in materiële zaken altijd werd verkozen boven zinledige weelde. In al die republikeinse Hollandse steden was men al sinds jaar en dag vervreemd geraakt van de pronkende nietswaardigheden waar koningen zo aan hechten.'

Wat is precies het genoegen dat ik aan Motley beleef?

Eigenlijk, denk ik, kun je het 't best vergelijken met het genoegen dat een mens ontleent aan een mooie, spannende, prachtig aangeklede, briljant gespeelde en bij voorkeur met een paar massale veldslagen opgetuigde historische speelfilm. Meestal nemen ze het daarin met de geschiedkundige feiten niet altijd even nauw, maar kan me dat echt schelen? Naarmate er meer archieven zijn ontsloten, is vastgesteld dat Motley er ook bij herhaling naast zat. Zijn Nederlandse tijdgenoot Fruin was een van de eersten die hem op allerlei onnauwkeurigheden betrapten, en die hem meer speciaal verweten dat hij eigenlijk meer een bevlogen verhalenverteller was dan een consciëntieuze onderzoeker.

Maar dat bedoel ik.

Uit de duizenden bladzijden die hij schreef, heb ik de bovenstaande passages natuurlijk niet helemaal voor niets als citaat gebruikt. Alleen al dat kleine zinnetje over Maurits die bij Rijswijk liefst slag had geleverd met Spinola, en pas na de vermaning van Oldenbarneveld met de pest in z'n lijf de rol van beleefde gastheer op zich nam, onthult misschien iets over een controverse die nog altijd actueel is: de competentiestrijd tussen de erfelijke Oranjes en de gekozen regenten.

Voor Motley was het de aanzet tot het koningsdrama dat hij in de latere delen van z'n geschiedverhaal breed zal uitmeten, en waarin zijn schrijverssympathie onherroepelijk uitgaat naar de oude, onthoofde Oldenbarneveld: 'veroordeeld als een Seneca, door Nero's haat en ongena', zoals Vondel rijmde.

Maar na Motley zijn nog bibliotheken volgeschreven over de boosaardige Oranje en de schuldeloze landsadvocaat, en zijn op goede, wetenschappelijke gronden nog tientallen interpretaties verschenen waarin de prins steeds minder boosaardig, en Oldenbarneveld steeds minder onschuldig leek.

Vanwege de 'vergruizing' van het beeld is aan nut en zin van de geschiedwetenschap steeds vaker getwijfeld - vooral ook door historici zelf, die overwegend vanuit de verdediging de eer van hun discipline hoog proberen te houden. Hebben we iets aan kennis van het verleden, kunnen we uit de geschiedenis iets leren?

De Utrechtse historicus Von der Dunk beproefde (in De organisatie van het verleden) een antwoord, en schreef:

'Kennis van het verleden in ruime zin is de voorwaarde voor zelfs de meest simpele vorm van ervaring, en ervaring vormt de grondslag van ons handelen. De geschiedenis kan met recht de alomtegenwoordige leermeester van het leven worden genoemd.'

Dat klonk allerminst defensief - maar er kwam nog iets achteraan:

'Wij leren voortdurend', vervolgde hij, 'en wij leren uit de geschiedenis. Althans in het vlak van de intermenselijke verhoudingen.'

Maar voor dat laatste hebben we de Slag bij Heiligerlee, of de inname van Den Briel, of de moord op Willem de Zwijger, of het Twaalfjarig Bestand, of het schavot van Oldenbarneveld niet nodig. Voor de intermenselijke verhoudingen kunnen we terecht bij de psychiater, voor wie de geschiedenis begint in het jaar waarin hij werd geboren.

Hele volksstammen kunnen uitstekend en gerieflijk leven en sterven zonder zich ooit om Troje, de val van Rome, de kruistochten, de Tachtigjarige Oorlog of de slag aan de Marne te hebben bekommerd. Ze hoeven alleen maar vaag gehoord te hebben over Adolf Hitler om te demonstreren tegen Jörg Haider.

Bewaren is een luxe, dus geschiedenis is een luxe.

Maar Motley lees ik graag voor het slapengaan: even verrijkende als nutteloze bezigheid. In die zin zie ik ook de betekenis van een geschiedenisquiz. Van even weinig nut als het Groot Dictee der Nederlandse Taal, maar kijk eens wat er in de afgelopen tien jaar is gebeurd: steeds meer kinderen komen van school zonder te weten dat je 'hij wordt' met dt en 'paard' met een d moet schrijven, en steeds meer mensen grijpen in december naar pen en papier om in de huiskamer op gezag van Philip Freriks het woordje 'guichelheil' goed te spellen.

De geschiedenisquiz moet op televisie komen.

De finale van de tweede Grote Geschiedenis Quiz is op zaterdag 13 mei in het Teylers Museum in Haarlem. Er mogen vijftig finalisten aan deelnemen, die zich kunnen plaatsen via de voorronde (de selectiequiz) die op zaterdag 22 april in de Volkskrant (op de Sporen-pagina) verschijnt.

De quiz is een meerkeuzetoets met vragen over de Nederlandse geschiedenis sinds 1500, en enkele algemene geschiedenisvragen. Hoofdprijs is een geheel verzorgde historische reis naar keuze.

Meer over