Geschiedenis gereduceerd tot verzameling plaatjes

BEELDENDE KUNST..

Rijksmuseum Amsterdam: Olympische goden. Tot en met 15 augustus. Catalogus fl 19,95.

Het Prentenkabinet van het Rijksmuseum kent een lange en respectabele traditie van serieuze tentoonstellingen. Met de opening, vorige week, van de tentoonstelling Olympische goden is aan die traditie een einde gekomen.

De tentoonstelling wil een beeld geven van de manier waarop de Griekse godenwereld ruwweg vanaf de Renaissance vooral in Italië en de Nederlanden op papier tot leven is gewekt. Dat gebeurt aan de hand van iets meer dan honderd tekeningen, etsen, gravures, een enkele mezzotint, een paar pastels, een handvol lithografiën, een zevental Nederlandse edities van de Metamorphoses van Ovidius en een paar foto's uit de negentiende eeuw.

Een interessant onderwerp, een redelijke collectie, maar een blamerend resultaat. Om te beginnen: de manier waarop de expositie wordt gepresenteerd.

Nimmer is een dergelijk overzicht zorgelozer en met een diepere minachting voor onderwerp en publiek in elkaar geflanst. Het is een samenraapsel van blunders, inconsistenties en aperte onzin. Essentiële kunsthistorische problemen blijven onbesproken. Het ontbreken van enigerlei vorm van eindredactie roept de indruk op dat de samenstelling niet meer dan een paar uur in beslag heeft genomen, en bovendien het werk moet zijn van conservatoren die zelf voor het eerst met de klassieke oudheid kennis hebben gemaakt.

Men beweert systematisch voor de Latijnse benamingen te hebben gekozen en niet voor de Griekse - Vulcanus in plaats van Hephaistos. Maar zodra de personificatie van de tweedracht ter sprake komt, wordt gekozen voor Eris - niet voor Discordia.

Terzake de meest simpele feiten heeft het Rijksmuseum de bloemetjes eens flink buitengezet. Jaartallen zijn een nachtmerrie. Tot twee keer toe wordt van de Engelsman Richard Earlom gezegd dat hij geboren is in 1714 en overleden in 1822. Die moet dus 108 zijn geworden. Zijn precieze geboortejaar, 1745, wordt nergens genoemd. De Fransman Jean-Etienne Liotard laat men in het ene geval in 1782, in het andere in 1789 overlijden. (Hij stierf in het revolutiejaar.) De uit Mantua afkomstige Giorgio Ghisi sterft eerst in 1582 (hetgeen correct is), maar bij een andere prent 'na 1576', terwijl een van zijn voorstellingen in het Nederlandse bijschrift wordt gedateerd op 1566, in het Engelse op 1556.

De vader van de schilder Pieter Saenredam heet eerst Johannes en vervolgens Jan. Dat laatste klopt. Volgens een bijschrift zou de Franse fotograaf Adolphe Braun zijn overleden in Dornack. In de catalogus wordt dat Domack. In werkelijkheid was het Dornach.

Al deze rampen zouden eventueel nog door de vingers zijn te zien, als de samenstellers er niet ook op andere punten met hun pet naar hadden gegooid. Hun kennis van de klassieke mythologie is pover: het is bijvoorbeeld redelijk absurd om te menen dat de Spartaanse koningin Leda, na door Jupiter in de gedaante van een zwaan te zijn bezocht, vervolgens in één worp niet alleen Castor en Pollux, maar ook zowel Helena als Clytaemnestra ter wereld bracht.

Maar het allerberoerdste is dat het Rijksmuseum zich op geen enkele manier bewust is geweest van het terrein waarop het zich begeeft. De antieke mythologie, de verhalen, de beelden die erbij horen, en de sporen die zijn getrokken in de kunstgeschiedenis van de Middeleeuwen tot ver in de moderne tijd, vormen al tientallen jaren een wezenlijk cultuurhistorisch onderzoeksobject.

Bijna zestig jaar geleden publiceerde de Franse kunsthistoricus Jean Seznec zijn briljante monografie La Survivance des dieux antiques. Dat boek behelsde een verkenning - en tegelijkertijd een programma. Voor zover het een verkenning was, liet het zien dat het licht op de klassieke oudheid tijdens de Middeleeuwen nooit helemaal uitgeschakeld was geweest. En voor zover programma, toonde Seznec aan dat de kunst vanaf de Renaissance niet zozeer berustte op een reanimatie van de klassieken, als wel op de erkenning van een culturele continuïteit - vooral waar het de symbolen, de verhalen, de eventuele moraal en het bijbehorende idee van 'verbeelding' betrof.

Die erkenning bestaat voornamelijk bij de gratie van het inzicht dat kunstwerken een bepaalde vorm van dubbelzinnigheid bevatten. Hoe komt het dat het klassieke wereldbeeld in een eindeloos aantal facetten kon worden geïncorporeerd in het Christelijke? Welke op het oog frivole of zelfs aanstootgevende motieven van de klassieke cultuur werden zonder moeite geaccepteerd, omdat men bereid was er een dubbele bodem en een morele of didactische strekking in aan te brengen?

En welke verklaringen zijn te geven voor het feit dat zowel tijdens de Renaissance als in de Nederlandse zeventiende eeuw de klassieke context kon functioneren als een verzameling verborgen, maar niettemin herkenbare symbolen die vaak even populair als onomstotelijk en dwingend konden zijn?

De gidsfunctie die de klassieke mythologie eeuwenlang heeft vervuld, raakt vanaf een zeker moment op de achtergrond. Het is misschien verleidelijk om dat moment zo vroeg mogelijk in de geschiedenis te plaatsen, al is het maar omdat men beter in staat zou zijn kunstenaars op hun particuliere artistieke kwaliteit te beoordelen. Maar de prijs die men daarvoor betaalt, is hoog: als de functie van al die kunstwerken wordt vergeten, reduceert men de geschiedenis tot een verzameling plaatjes - of nodigt men althans het publiek uit om er op die manier naar te kijken.

Het ongetwijfeld onbedoelde effect van dit alles is duidelijk: zoals men zonder problemen het Grieks en het Latijn door elkaar kan halen (Eris versus Discordia), zo is feitelijk ook de inhoud van de klassieke cultuur, als body of knowledge, afgestorven. Wie zelf de moeite neemt ziet er misschien nog vaag iets van schemeren, maar de verbindingen zijn definitief verbroken.

Ten slotte: het Rijksmuseum afficheert deze expositie als een evenement ter gelegenheid van de Gay Games die binnenkort in Amsterdam zullen plaatsvinden. Mij ontgaat het verband, maar nog even afgezien daarvan: is het voorstelbaar dat een zichzelf respecterend instituut als het Louvre een tentoonstelling maakt rondom de Tour de France? Wanneer schenkt het British Museum nu eindelijk eens aandacht aan Wimbledon, aan Ascot, aan de Embassy World Snooker Championship?

Melchior de Wolff

Meer over