Gepropt met soldaten en bootsgezellen met kisten vol kooygoet Zeeschilders hakten de Spanjaarden nog erger in de pan dan de Hollandse vloot

Museum Boijmans heeft het zeventiende-eeuwse zeegezicht op meeslepende wijze gerehabiliteerd. Een omvangrijk en voorbeeldig overzicht laat het Hollandse genre in al zijn glorie zien....

IN HET NAJAAR van 1990 was in het Minneapolis Institute of Arts een tentoonstelling te zien onder de titel Mirror of Empire: Dutch Marine Art of the Seventeenth Century. Er hingen 55 schilderijen, van de hand van 24 verschillende kunstenaars. In de catalogus schreven de samenstellers dat het Hollandse zeegezicht binnen de officiële kunstgeschiedenis altijd zeer stiefmoederlijk was behandeld, dat er nimmer een vakkundig overzicht was gemaakt, en dat deze expositie alleen al daarom als een daad van rechtvaardigheid kon worden gezien.

Zes jaar later is het zeegezicht opnieuw het onderwerp van een inventariserende tentoonstelling, dit keer in het museum Boijmans in Rotterdam. Het overzicht is met 110 catalogusnummers twee keer zo groot als dat in Minneapolis, terwijl het aantal kunstenaars uitkomt op een totaal van 49. In alle objectiviteit is het Rotterdamse initiatief vier keer zo belangrijk als het Amerikaanse.

Lof der Zeevaart: De Hollandse zeeschilders van de 17de eeuw is in alle opzichten een voorbeeldige en representatieve tentoonstelling, in zijn ontdekkingen, in zijn wetenschappelijke ontsluiting, in omvang en compleetheid en in de aandacht die aan individuele kunstenaars is besteed, al naar gelang hun artistieke betekenis.

Om van dat laatste een voorbeeld te geven: de Haarlemse schipperszoon Cornelis Claesz van Wieringen, een van de grondleggers van het genre. In Minneapolis hing van hem slechts één schilderij, in Rotterdam hangen er vier, waaronder twee versies van de Zeeslag tussen Spanje en Nederland bij Gibraltar (25 april 1607), die al direct een bewijs geven voor de nadrukkelijk historiografische intenties waaraan veel zeegezichten hun ontstaan hebben te danken. Het valt misschien niet uit te sluiten dat Van Wieringen de Spanjaarden op een nog indrukwekkender manier in de pan heeft gehakt dan zoals dat door de Nederlandse vloot was gedaan, maar daar staat tegenover dat zelfs het silhouet van Gibraltar, van de rotsmassa zoals die op het doek wordt weergegeven, overeenkomt met de werkelijkheid. Zo hoorde dat.

Als genre ontstond het zeegezicht niet voor het tweede decennium van de zeventiende eeuw. Uiteraard was de zee wel eens eerder afgebeeld, maar meestal als een miniem onderdeel van een landschap, nooit als zelfstandig motief. De term zeegezicht is ook in zoverre misleidend, dat de zee er meestal minder toe doet dan datgene wat op die zee is te zien. In honderd procent van de gevallen zijn één of meer schepen afgebeeld, de voornaamste instigatie voor het ontstaan van het genre is dat Nederland vanaf het eind van de zestiende een zeevarend land begon te worden.

Nog een belangrijke reden is de hoge graad aan realisme die zich omstreeks dezelfde periode in de Nederlandse schilderkunst begint af te tekenen. Eerdere zeevarende naties, zoals Genua of Venetië, kenden geen zeegezichten, daarvoor was de Italiaanse schilderkunst te sterk mythologisch of religieus georiënteerd. Interessant is ook dat het zeegezicht, nadat het door de Hollanders tot bloei en later weer tot verval was gebracht, in de negentiende eeuw nog één keer een impuls zou krijgen, en wel in Engeland, waar - Britannia rules the waves - figuren als George Chambers, E. W. Cooke, John Lynn en uiteraard William Turner zich in maritieme onderwerpen specialiseerden.

Lof der Zeevaart heeft een chronologische opzet. De tentoonstelling begint met Hendrick Cornelisz Vroom, bij wie de horizon nog door de bovenste helft van het schilderij loopt; zij eindigt bij Ludolf Bakhuizen, op wiens barokke Storm aan een bergachtige kust de einder alweer flink naar boven is geklommen. Daartussen liggen ruim vijftig jaar en zo'n drie generaties zeeschilders die vaak met een zeer lage horizon werkten en deshalve hoofdzakelijk wolken hebben geschilderd.

De tentoonstelling biedt een prachtige gelegenheid om het hele meteorologische arsenaal van licht, bewolking, windstilte, bries en storm door te nemen en te zien hoe men de problemen heeft aangepakt. Maar vooral de uitwerking die die elementen hebben op de golven: aanvankelijk nog van een metalic-achtige kwaliteit bij Hendrick Vroom, een paar jaar later bij Jan Porcellis alsof er krulspelden in hebben gezeten, en na nog weer een decennium, bij Simon de Vlieger, alsof er geen overtuigender manier kon worden bedacht om het uiteenspatten van een golf tegen een scheepsboeg te registreren.

Een ander parcours is af te leggen in de relatieve 'volheid' van de schilderijen. De eerste generatie zeeschilders legde het penseel niet neer als het doek niet eerst tot de nok toe was gevuld met allerlei meer en minder terzake doende details. Cornelis van Wieringen, wiens Zeeslag bij Gibraltar een lengte bezit van 490 centimeter (ruim een halve meter meer dan De Nachtwacht), kreeg voor dit kapitale schilderij een honorarium van 2400 gulden. In de huidige orde van grootte is dat zoiets als 24 miljoen, maar de opdrachtgevers, de heren van de Amsterdamse Admiraliteit, moeten meer dan tevreden zijn geweest over de manier waarop Van Wieringen waar voor hun geld heeft geleverd.

Die horror vacui is er vooral in de beginperiode, als er bij wijze van spreken nog een soort excuus voor het zeegezicht moet worden gegeven, zoals bijvoorbeeld ook blijkt uit een paneel van de Vlaming Adam Willarts, Gemsenjacht aan de kust, waarvan het rechtergedeelte niets met de zee maar alles met het land heeft te maken. Naarmate het genre zelfstandiger wordt, verdwijnt de kustlijn uit het zicht, loopt het aantal schepen per voorstelling drastisch terug, en is ook de behoefte aan een navertelbare inhoud of een historische identificatie een stuk kleiner. Pas zodra de grote maritieme confrontaties tussen de Nederlanders en de Engelsen zich voordoen, in de oorlogen van 1653, 1665 en 1672, neemt de herkenbaarheid weer toe, met name in het werk van schilders als Abraham Storck en Lieve Verschuier en in dat van vader en zoon Willem van de Velde.

HET MOOIE VAN deze tentoonstelling is dat ook betrekkelijk onbekende schilders, of zelfs notoire depotbewoners, een scherper reliëf krijgen. Storck is zo'n voorbeeld. Arnold Houbraken vermeldt hem als schilder van 'ongestuime en stille zeestukken, Schepen, en zeehoofden vol gewoel van beeltjes, ook Steygerbooten, en andere vaartuigen, gepropt met soldaten en bootsgezellen met kisten en kooygoet'. Dat is al een hele mond vol, maar belangrijker nog is het feit dat Storck, samen met Lieve Verschuier, de kleine minderheid vertegenwoordigt van schilders die zich serieus met de walvisvaart hebben ingelaten.

Walvissen waren tot dan toe alleen afgebeeld, wanneer er een op het strand was aangespoeld, zoals in het beroemde voorbeeld van Goltzius. De walvisvangst, waarmee tegen het eind van de zeventiende eeuw omstreeks tienduizend Nederlanders hun brood verdienden, lijkt nauwelijks tot de beeldende kunst te zijn doorgedrongen. Het merkwaardige is dat Storck en Verschuier de walvis op exact dezelfde manier afbeelden, als een donkere uit het water opstijgende ellips met een dubbele staart. Kennelijk moet er een soort gedeelde opvatting hebben bestaan over de vraag hoe een walvis zich door het water beweegt, want zelfs de hoek waaronder hij op de twee schilderijen wordt waargenomen, is in beide gevallen dezelfde.

Dergelijke overeenkomsten zijn er meer. Er lijkt een vastgestelde norm te bestaan voor het moment waarop een zinkend schip het beste kan worden weergegeven. Het aantal hoeken waaronder een aanval op een vijandelijk schip wordt ingezet, lijkt beperkt. Arriveren gaat van links naar rechts, vertrekken gaat omgekeerd. Niet altijd overigens: het feit dat zeventiende-eeuwse schepen als regel van een uitbundige gedecoreerde achtersteven waren voorzien heeft ertoe geleid dat boegsprieten een minderheid vormen. Maar de belangrijkste overeenkomst ligt in de ongelooflijke precisie waarmee de maritieme specialisten hun schepen hebben vastgelegd. Schilderen staat gelijk aan navigeren: tot in de priegeligste details is alles van voor naar achter gekopieerd, de tuigage, het lopend want, het staand want, de schegbeelden, die onuitputtelijke sfeer van bewerkelijkheid, aandacht en onvermoeibare volharding.

In de persoon van Jeroen Giltaij heeft Boijmans het zeegezicht op meeslepende wijze gerehabiliteerd. Eigenlijk moest er maar een nieuw woord aan de taal worden toegevoegd: zeeschap.

Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam: Lof der Zeevaart. De Hollandse zeeschilders van de 17de eeuw. Van 21 december tot en met 23 februari.

Jeroen Giltaij en Jan Kelch: Lof der Zeevaart. De Hollandse zeeschilders van de 17de eeuw. ¿ 55,-.

Meer over