Georges Perecs debuut laat zijn thema's al zien

Hij noemde het de eerste 'voldragen roman' die hij schreef, maar bij zijn leven werd Georges Perecs debuutroman Le Condottière niet gepubliceerd. Het manuscript raakte in de jaren zestig zoek tijdens een verhuizing van de schrijver en dook pas in 1992 weer op. De Franse uitgever Seuil bracht het in 2012 uit, ter gelegenheid van het dertigste sterfjaar van de schrijver (1936-1982). Nu is het ook in het Nederlands vertaald.

Wineke de Boer
null Beeld Rue des Archives/Hollandse Hoogte
Beeld Rue des Archives/Hollandse Hoogte

Labyrinthische romans

Perec, naast romancier lid van het illustere genootschap Oulipo ('Ouvroir de littérature potentielle', 'Werkplaats voor potentiële literatuur') en kruiswoordraadselmaker, legde zichzelf bij het schrijven van later werk beperkingen op waardoor hij labyrintische romans creëerde. Beroemd is zijn La Disparition ('t Manco), waarin hij de letter e niet gebruikte. Een nog indrukwekkender voorbeeld is zijn magnum opus La Vie mode d'emploi (Het leven een gebruiksaanwijzing), een duizelingwekkende puzzel met honderden verwijzingen naar bestaande en niet bestaande schilderijen en kunstenaars.

Hiervan is nog geen sprake in De condottiere; wel zijn er al kenmerkende motieven aanwezig zoals schilderkunst, vervalsingen en een hoofdpersoon die Gaspard Winckler heet.

De eerste paar bladzijden kan de niets vermoedende lezer nog denken dat het gaat om een 'gewone' misdaadroman: de hoofdpersoon sjouwt een net vermoord, groot en dik lichaam de trap af, in de richting van zijn laboratorium. Als hij vervolgens gesnapt wordt door de huisknecht van de vermoorde Anatole Madera, rent hij zijn werkruimte in en barricadeert de deur. Uiteindelijk krijgt de lezer zijn spectaculaire ontsnapping, maar het gaat Perec om iets anders.

Mislukking

De schilderijenvervalser Winckler wil, na twaalf jaar perfecte vervalsingen in opdracht van Madera te hebben geschilderd, nu zelf eens iets creëren: hij kiest het mansportret De Condottiere van Antonello da Messina uit 1475. Zijn doel is er iets van te maken dat net zo veel Da Messina als Winckler is. Nadat hij er anderhalf jaar aan heeft gewerkt moet hij toegeven dat het op een complete mislukking is uitgelopen. Zijn eigen 'condottiere' heeft niets van de wilskracht en de natuurlijke autoriteit van die van Da Messina. Het is een kleinzielige figuur, angstig en verbitterd, met rattenoogjes, en Winckler moet toegeven dat het portret op hemzelf lijkt. Zijn onderneming was tot mislukken gedoemd: een echt kunstwerk is de expressie van zijn maker, een goede vervalsing laat het wereldbeeld van iemand anders zien.

Er knapt iets bij hem en hij moet Madera vermoorden. 'Over de chaos heen was de dood van Madera in zijn onuitsprekelijke spontaniteit wellicht het eerste gebaar van de demiurg.' De moord is kunst geworden. Winckler blijft in vertwijfeling achter. Stukje bij beetje onthult Perec hoe het zo ver met hem is gekomen.

Perec-kenner

Toevallig is onlangs ook een bundel essays over Franse literatuur is verschenen van Perec-kenner bij uitstek Manet van Montfrans. Zij schreef haar proefschrift over autobiografie en vormdwang in het proza van Perec. Een aantal van de essays in de bundel, getiteld Steltlopen door de tijd, gaat hier dan ook over. In het stuk 'Georges Perec, een meestervervalser' gaat Van Montfrans in op het motief van de vervalsing bij Perec. In De condottiere is het nog onmogelijk om kopie en creatie met elkaar te verenigen in een vervalsing, schrijft ze. In Perecs laatste bij leven gepubliceerde roman, Een kunstkabinet, triomfeert de vervalsing 'omdat hij door zijn eigen kopie een waarmerk van echtheid heeft gekregen'.

Andere stukken in deze bundel gaan over hedendaagse Franse schrijvers die 'een bezinning op de werking van het geheugen' delen, die putten uit de geschiedenis, of dat nu die van henzelf is of die van een land of bijvoorbeeld een (verzonnen) schilderij. Patrick Modiano komt uiteraard aan bod, en ook de 'generatieromanciers' zoals Jean Rouaud of François Bon, net als recent werk van schrijvers die de voormalige Franse koloniën als onderwerp hebben: Laurent Mauvignier en Patrick Deville.

Meer over