Genieën zijn dooie blanke kerels

Charles Murray, bekend neoconservatief, heeft het nu 'bewezen'. De groten van kunst en wetenschap waren bijna allemaal Europese blanken, rekent hij voor in zijn nieuwe boek....

Het is spijtig, maar zwarten zijn gemiddeld minder intelligent dan blanken, betoogden Charles Murray en Richard Herrnstein tien jaar geleden in The Bell Curve. De gemiddeld lagere score van zwarten op IQ-tests wordt niet verklaard door sociale achterstand – dat is allemaal politiek-correcte praat – maar vooral door genetische factoren.

De auteurs oogstten een storm van verontwaardiging. Niet alleen omdat zwarten zich beledigd voelden, maar ook vanwege de radicale politieke implicaties. Als de achterstand van bepaalde groepen genetisch is bepaald, heeft het weinig nut hun niveau op te krikken met dure onderwijsprogramma's en sociale voorzieningen.

In zijn nieuwe boek, Het Menselijk Genie, zet Charles Murray, verbonden aan de conservatieve denktank American Enterprise Institute, zijn kruistocht tegen het politiek-correcte denken voort. Maar wel op een manier die heel wat minder stof doet opwaaien.

Het nieuwe boek is geschreven tegen de achtergrond van de culture wars, die vooral in de jaren tachgaat en negentig aan de Amerikaanse universiteiten woedden. Vrouwen, zwarten en andere achtergestelde groepen beklaagden zich over het curriculum dat te veel aandacht zou besteden aan Dead White Males van Europese komaf. De voorstanders van de traditionele canon wierpen tegen dat de geschiedenis van kunst en wetenschap nu eenmaal gedomineerd wordt door blanke Europese mannen.

In Het Menselijk Genie probeert Murray deze controverse te beslechten door 'genialiteit' te meten. De uitkomst laat aan duidelijkheid niets te wensen over. De meeste belangrijke figuren in kunst en wetenschap waren 'dooie blanke kerels' uit Europa.

Luiheid kan Murray niet worden verweten. Hij worstelde zich door honderden handboeken, encyclopedieën en historische studies. Trouwhartig turfde hij de belanggoed, figuren die erin behandeld werden.

Via allerlei zelfbedachte criteria, wegingsfactoren, index-scores en statistische analyses – die het boek moeilijk verteerbaar maken – hield hij tussen 800 voor Christus en 1950, 369 'centrale ontdekkingen' in de wetenschap over, alsmede 4002 'significante figuren' in kunst en wetenschap, en 30 'giganten' die door iedereen genoemd worden, zoals Aristoteles, Newton, Michelangelo en Beethoven.

Bell Curve

Om het verwijt van eurocentrisme te pareren, doorvlooide hij ook een aantal standaardwerken over niet-westerse culturen, zodat het rijtje giganten is opgefleurd met de Chinese schilder Gu Kaizhi of de Indische schrijver Kalidasi. Dat verandert echter weinig aan de conclusie: de meeste genieën watinezuur), ren blanke, Europese mannen.

The Bell Curve was een explosief boek, omdat het ongemakkelijke vragen stelde over de IQ-scores van verschillende rassen. Het Menselijk Genie is vooral een mál boek. Met zijn eindeloze reeks statistieken probeert Murray het postmoderne relativisme te ontkrachten. Als auteurs van handboeken en encyclopedieën, allen zeer deskundig op hun vakgebied, steevast dezelfde namen noemen, móet er wel zoiets bestaan als objectieve waarheid of schoonheid.

Maar in wezen toont Murray's 750 pagina's tellende statistische exercitie niets aan. Want handboeken en encyclopedieën weerspiegelen de dominante cultuur, die inderdaad wordt bepaald door dode, blanke mannen. Het is dan ook niet meer dan logisch dat alle auteurs met dezelfde namen op de proppen komen. Het boek is één grote cirkelredenering.

Aanvankelijk lijkt Murray's boek een lofzang op de westerse cultuur. Europa onderscheidde zich van andere werelddelen door een relatief vrij klimaat voor intellectuele discussie. Daarom kon Europa de wereld veroveren, terwijl de vooruitgang in China en de Arabische wereld werd gesmoord in politieke dictatuur en religieuze dogmatiek.

Schoonheid

Maar Murray eindigt pessimistisch. Sinds de negentiende eeuw marcheren we bergafwaarts. Hij kan dat zelfs 'bewijzen'. Het prestatieniveau in de westerse wereld daalt. Het aantal beroemde kunstenaars en wetenschappers neemt weliswaar toe, maar ze zijn minder 'groot', in de zin dat ze door iedereen genoemd worden.

Volgens Amerikaanse critici van Murray is dit vooral een kwestie van afstand. Wie schrijft over de oude Grieken of de Gouden Eeuw beperkt zich doorgaans tot een handjevol figuren die in de loop der eeuwen als ijkpunt in de geschiedenis zijn gaan fungeren. Maar het recente verleden is veel minder uitgekristalliseerd, en laat daardoor een gefragmenteerder beeld zien.

Murray heeft echter een andere verklaring. 'Grote' cultuur is in essentie religieus. Zij houdt zich bezig met de plaats van de mens in de kosmos en formuleert een bestemming voor de mens. Sinds de Verlichting zijn zulke grote concepten steeds meer in onbruik geraakt. Moderne kunst streeft niet meer naar transcendente waarden – 'het goede, het schone en het ware' – maar naar ontregeling en deconstructie.

Maar Murray heeft nog hoop. 'Misschien dat de tijd van de Verlichting tot en met de twintigste eeuw uiteindelijk gezien zal worden als een soort adolescentie van de menselijke soort', schrijft hij. Misschien wordt de mens in de 21ste eeuw 'volwassen', en combineert hij de wetenschappelijke waarden van de Verlichting met een religieus streven naar waarheid en schoonheid.

Het moge duidelijk zijn dat Charles Murray hiermee de statistiek en de objectieve bewijsvoering verlaten heeft. In zijn conclusies ontpopt hij zich als een representant van het Amerikaanse neoconservatisme, dat het geloof in een universele, joods-christelijk geïnspireerde waarheid, wil herstellen.

Meer over