Geluk en ziekte op een bedje van deugdzaamheid en plichtsgevoel

De directeur van het Rijksmuseum toont ‘een dagje uit het leven in de Gouden Eeuw’: oude schilderijen met bakerpraatjes...

Van onze verslaggever Rutger Pontzen

Amsterdam Er is geen audiotour met zijn hoge stemgeluid en Groningse tongval. Geen geschreven manifest. Dwaal op de begane grond van het Rijksmuseum in Amsterdam langs de poppenhuizen, het met schildpad en ivoor ingelegde meubilair, tussen de talloze delftsblauwe vazen, het vergulde zilver met ‘kwabornamenten’, de boekenkist van Hugo de Groot en het stokje van Oldenbarnevelt – niets wijst erop dat de tentoonstelling De keuze van Wim Pijbes een speciale opstelling van de vaste collectie is, zoals aangekondigd.

Totdat je plots in een donkere tussenzaal de Grandfather Clock van Maarten Baas ontwaart. Aha, toch typisch Pijbes. De directeur van het Rijksmuseum is altijd in voor een geintje: achter de matglazen wijzerplaat is de gestalte van een man te herkennen, die om de minuut de grote en kleine wijzer een tikkeltje verder tekent.

Het tekstbordje naast het gevaarte geeft uitleg over deze Director’s Choice: ‘Onherroepelijk verglijdt de tijd, verandert onze smaak en worden wij ouder’, filosofeert de directeur. ‘Het museum vangt de tijd en vormt zo een baken in een veranderende wereld.’

Wie wil weten wat Pijbes met deze mission statement bedoelt, moet een verdieping hoger zijn, bij de collectie 17de-eeuwse schilderkunst. 23 schilderijen heeft Pijbes van zijn keurmerk voorzien. Sommige hingen altijd al op zaal; andere heeft Pijbes speciaal uit de kelders laten opdiepen.

Combinaties
Oude schilderijen dus. Het dempt de hoge verwachting dat de selectie van Pijbes een voorafspiegeling zou zijn van wat het Rijksmuseum na de verbouwing en de heropening in 2013 van plan is. Hoe het museum en de directeur de collectie zouden modelleren naar nieuwe inzichten en verrassende combinaties. Met scheepsmodellen naast schilderijen, servies bij beeldhouwwerk, eigentijdse geschiedenis en middeleeuwse prenten.

Dat dus niet. Wel ‘een dagje uit het leven in de Gouden Eeuw’, zoals de ondertitel van de expositie luidt. Ook dat is typisch Pijbes. Geen kunsthistorische vertogen, geen theoretische invalshoek, maar de kunstgeschiedenis teruggebracht tot wat iedereen kan overkomen en bezighoudt: geluk, ziekte, rijkdom, erotiek. En dat alles geserveerd op een bedje van tijdloze waarden als nederigheid, plichtsgevoel, deugdzaamheid en lust. Omdat volgens Pijbes ‘deze kunst van alle tijden’ is.

Wat er te zien is? Een bonte mix van alledaagse bezigheden. Geschilderde taferelen van een moeder die haar dochtertje ontluist (Pieter de Hooch), een meid die melk schenkt (Vermeer), een alcoholisch naaktfeest (Jacob van Loo), een schildersatelier (Adriaen van Ostade), vijf mannen en een bediende achter een tafel (Rembrandt), een vrouw die op de bedrand haar sok uittrekt en een zieke die de pols wordt gevoeld (beide Jan Steen), een bosje asperges (Adriaen Coorte) en een portret van Willem de Zwijger (Adriaen Thomas Key).

Schilderijen die, afgaande op de bijschriften, niet zijn gekozen om hun bijzondere stijl, maar omdat de waarde zich zo goed laat reduceren tot een anekdotisch verhaaltje. Dat de gezinsleden op het portret van de familie Leeuw (van Abraham van den Tempel) waarschijnlijk niet konden musiceren, zoals op het doek wordt gesuggereerd. Dat de schilder Johannes Torrentius een subversieve schuinsmarcheerder was die ooit een vrouw tekende, ‘pissend in het oor van een man’. Dat op het portret van Maria Trip (door Rembrandt) haar kinnetje met babyspek te zien is, en de vrouw die haar handen warmt aan een stoof (Caesar van Everdingen) refereert aan de pikante slotzin van een oud-Hollands kermisliedje: ‘Doe een turfje in mijn haard’.

Het grote publiek, daar gaat het Pijbes blijkbaar om. En dat moet je niet vermoeien met overwegingen van stilistische en artistieke aard. Wel met bakerpraatjes.

De woorden van Pijbes passen in de beeldvorming van de Gouden Eeuw, die wij, vier eeuwen later, graag zo willen houden. Als een bloeiende cultuur die zijn tijd ver vooruit was. Een klein landje met grote aspiraties, maar toch bescheiden en godvruchtig.

Maar daar blijft het niet bij. Pijbes onderstreept in zijn keuze dat de 17de-eeuwse schilderkunst ook een spiegel is van hoe de Nederlander anno 2010 over zichzelf denkt. Het imago dat we nog steeds zuinig zijn, arbeidzaam, ondernemend, proper, behulpzaam en af en toe een beetje ondeugend. Inderdaad, karaktertrekken ‘van alle tijden’.

Pijbes presenteert zich in zijn ‘kijkroute’ als een eigentijdse 17de-eeuwer. Met dezelfde oogkleppen die, net als toen, het uitzicht belemmeren op wat voor een schreeuwerig, arrogant, hebzuchtig, hypocriet volkje we ook zijn. Aan dat inzicht wil de directeur niet toegeven – alle veranderingen van de verglijdende tijd, waarover Pijbes bij de klok van Baas rept, ten spijt.

Meer over