Geletterde vrouwen in het oude Rome

JULIA BALBILLA heette de dichteres van wie vier korte gedichten werden aangebracht op 'de zingende kolos van Memnon', een toeristische trekpleister in de buurt van het Egyptische Thebe....

Balbilla was in 130 na Christus naar Thebe gereisd in het gevolg van keizer Hadrianus en keizerin Sabina. De hoge bezoekers wilden met eigen ogen het beroemde beeld bekijken van de mythische held Memnon, de zoon van de godin van de Dageraad. En ze wilden met eigen oren horen hoe Memnon (in werkelijkheid het door een aardbeving beschadigde beeld van een oude Egyptische koning) bij zonsopgang zijn moeder toezong, dat wil zeggen hoe deeltjes van het stenen beeld, wanneer de opkomende zon het na een koude nacht had verwarmd, lossprongen en een tinkelend geluid lieten horen.

Het keizerlijk gezelschap had geluk: Memnon verhief inderdaad zijn stem. De gedichtjes van Balbilla, gegrift in het beeld van de zittende farao, getuigen er nog steeds van. Maar zingen doet de kolos allang niet meer: na de restauratie van het beeld door een van Hadrianus' opvolgers was het geluid weg.

De in het Grieks geschreven epigrammen van Balbilla worden niet gekenmerkt door een hoog poëtisch niveau. Niettemin verdienen ze de aandacht in een boek als dat van Hemelrijk, al was het alleen maar omdat vrouwen in de bestudeerde periode (van de tweede eeuw voor Christus tot 235 na Christus) zó weinig aan poëzie en proza hebben nagelaten dat men al blij mag zijn als er überhaupt iets bewaard is gebleven. Vergeleken met mannelijke gelegenheidsdichters uit dezelfde periode slaat Balbilla trouwens niet eens zo'n gek figuur.

Hemelrijk schreef bovendien geen literatuurgeschiedenis. Zij deed onderzoek naar onderwijs en geleerdheid van vrouwen in de Romeinse wereld. En wie wil weten welke rol vrouwen speelden in het intellectuele leven van de eeuwen rond het begin van de jaartelling, kan van het geval van Balbilla het een en ander leren. Bijvoorbeeld dat zij uit een aanzienlijke familie stamde, erudiet was en goed thuis in het oeuvre van de grote Griekse dichteres Sappho.

Het voorbeeld van Balbilla laat ook zien dat er gewoekerd moet worden met het beschikbare materiaal. Als de gedichten over het uitstapje van Hadrianus en de zijnen niet te midden van andere graffiti op het duurzame steen van de kolos van Memnon waren gekrast, zouden wij ze niet meer hebben kunnen lezen, want in boekvorm zijn ze nergens overgeleverd.

Waarom hebben vrouwen zo weinig geschriften nagelaten? Die vraag staat centraal in de laatste honderd bladzijden van Matrona Docta. Daaraan vooraf gaan hoofdstukken over de sociale positie van vrouwen uit de Romeinse elite (vrouwen uit lagere standen worden, onder andere wegens gebrek aan relevante bronnen, buiten beschouwing gelaten), over de mogelijkheden voor meisjes en vrouwen om onderwijs te krijgen en over het doel van dat onderwijs. Ook is een hoofdstuk gewijd aan de (bescheiden) rol die vrouwen speelden als patronessen van dichters en geleerden.

De positie van vrouwen uit de hoogste kringen van de Romeinse samenleving wordt gekenmerkt door tegenstrijdigheden, legt Hemelrijk uit. Enerzijds speelden zij een belangrijke rol in de familie en deelden zij in het prestige en in sommige privileges van de stand waartoe ze behoorden, anderzijds hadden zij niet dezelfde rechten als mannen. Zij waren bijvoorbeeld uitgesloten van het openbare politieke leven. Een voorname dame genoot weliswaar een grote mate van bewegingsvrijheid, maar daartegenover stonden strenge beperkingen. Men verwachtte van haar kuisheid, ingetogenheid, spaarzaamheid, huiselijkheid, zorgzaamheid voor echtgenoot en kinderen, en een teruggetrokken levenswijze.

Tegenstrijdigheden zijn er ook te bespeuren op het gebied van het onderwijs. Dat meisjes uit de elite in toenemende mate onderwijs ontvingen, staat wel vast. Maar anders dan de op een carrière gerichte opleiding van jongens had dit onderwijs geen duidelijk doel. Hoewel de meeste meisjes van stand leerden lezen, schrijven en rekenen en velen ook onderwijs kregen in literatuur, zullen zij hun opleiding vaak niet hebben afgemaakt.

Zij kwamen al helemaal niet of nauwelijks toe aan de voor jongens gebruikelijke training in de retorica. Voordat het zover was, waren zij immers al lang en breed getrouwd (de huwelijksleeftijd voor meisjes lag tussen de twaalf en vijftien jaar). Daarbij kwam dat vorderingen op het gebied van onderwijs vrouwen niet louter waardering opleverden. Lang niet iedere vader of echtgenoot vond het gewenst dat zijn dochter of vrouw zich intellectueel ontwikkelde; van al te veel geleerdheid werd ze maar lichtzinnig of betweterig en verwaarloosde ze het huishouden.

Een geringere kans op onderwijs dan mannelijke leeftijdsgenoten, het ideaal van vrouwelijk bescheidenheid, huiselijke en sociale beslommeringen - dat zijn enkele van de door Hemelrijk besproken factoren die vrouwen uit de elite belemmerden om te schrijven en te publiceren. Het aantal genres dat vrouwen beoefenden, was verder tamelijk klein, vrijwel uitsluitend liefdes- en gelegenheidspoëzie en, wat het proza betreft, brieven en memoires.

Voeg daarbij de omstandigheid dat vrouwen feitelijk uitgesloten waren van literaire kringen en de daar gevoerde discussies - voor veel auteurs dé springplank naar publicatie - en het wordt begrijpelijk dat, áls vrouwen hun werk al in boekvorm in handen van lezers wisten te krijgen, dit vaak te danken was aan de steun en bemiddeling van mannelijke familieleden; kennelijk heeft Julia Balbilla zulke hulp moeten ontberen.

Vrouwen uit de klassieke Oudheid trekken de laatste decennia meer de aandacht van historici dan in het verleden vaak het geval was. Maar een systematische studie naar onderwijs en geleerdheid van vrouwen, aan de hand van voorbeelden als dat van Balbilla, van Cornelia, de moeder van de Gracchen, van keizerin Julia Domna en van anderen, ontbrak tot op heden. Daarin is nu met het verschijnen van Matrona Docta verandering gekomen.

Het vereiste heel wat speurwerk om de schaarse gegevens over dit onderwerp bijeen te krijgen. De antieke bronnen besteden er nu eenmaal weinig aandacht aan. Vrouwen spelen trouwens over het algemeen een geringe rol in de bronnen en ze worden door de mannelijke auteurs van die bronnen veelal in stereotiepe termen beschreven.

Het is echter zaak de bronnen met verstand te interpreteren. 'Nadere bestudering', aldus Hemelrijk, 'laat zien dat de zwijgzaamheid van de bronnen betreffende geleerde vrouwen niet moet worden opgevat als een weerspiegeling van de werkelijkheid, maar eerder als een gevolg van de gemengde, ongemakkelijke gevoelens die dergelijke vrouwen bij de antieke auteurs opriepen.' Hans Teitler

Emily A. Hemelrijk: Matrona Docta - Educated Women in the Roman Elite from Cornelia to Julia Domna.

Dissertatie Katholieke Universiteit Nijmegen.

Een handelseditie verschijnt volgend jaar bij Routledge, Londen.

Meer over