Geklopt in een benauwde veste

Leiden had kwartguldens van papier. Talloze belegerde steden gaven tijdens de Tachtigjarige Oorlog noodmunten uit. De geboorte van de Republiek is er aan af te lezen....

Door Ben van Raaij

In 1572 sloegen Spaanse troepen het beleg voor Haarlem, een van de eerste steden in de Nederlanden die zich hadden aangesloten bij de Opstand tegen koning Philips II. Er kon niemand meer in of uit.

Na enkele maanden werden in de omsingelde stad niet alleen ratten gegeten, ook ontstond er een gebrek aan contant geld. Een nijpend probleem, want het garnizoen bestond zoals gebruikelijk uit huursoldaten. En hun soldij moest in elk geval worden betaald.

Het stadsbestuur besloot daarom noodgeld in omloop te brengen. Er werd zilver ingezameld bij kerken, gilden en burgerij. Dat werd door zilversmeden omgesmolten en tot geïmproviseerde muntstukken verwerkt. Bij gebrek aan speciaal muntgereedschap gebeurde dat met zogenaamde 'ponsoenen', kleine stempels.

Op de achthoekige Haarlemse 'velddaalders' staat niet meer dan het stadswapen, het jaartal 1572 en het meesterteken van de zilversmid. Vanwege hun zilvergehalte en -gewicht waren ze echter evenveel waard als gewone daalders, zodat ze ook na afloop van het beleg bruikbaar zouden blijven.

De Tachtigjarige Oorlog bestond aanvankelijk voornamelijk uit zulke langdurige belegeringen. Haarlem werd in 1573 uiteindelijk door de Spanjaarden ingenomen, belegerde steden als Alkmaar (1573) en Leiden (1573-'74) bleven voor de opstandelingen behouden.

In totaal hebben zo'n 25 belegerde steden noodmunten uitgebracht, van Haarlem in 1572-'73 tot Breda in 1624-'25. Daaronder ook 'Spaanse' steden die door de opstandelingen werden belaagd, zoals Kampen, Brussel en ook Middelburg, dat in 1574 na een beleg van twee jaar door Willem van Oranje werd ingenomen.

Een kleine expositie met noodmunten uit de Tachtigjarige Oorlog is tot 5 juni te zien in Teylers Museum in Haarlem. De stukken, die uiterlijk vaak sterk afwijken van normaal muntgeld, zijn afkomstig uit de eigen collectie van Teylers' Numismatisch Kabinet. Deze verzameling munten en penningen gaat terug tot Pieter Teyler zelf, de 18de-eeuwse weldoener en naamgever van het museum, die 44 noodmunten in bezit had.

Krijgskansen De vroegste noodmunten, legt conservator drs. Paul Beliën uit, waren meestal van zilver. Toen enkele jaren later de krijgskansen tijdelijk in Spaans voordeel keerden en in veel opnieuw belegerde steden steeds minder zilver beschikbaar was, werden de noodmunten vaak noodgedwongen gemaakt van goedkoper materiaal zoals koper, tin, lood en zelfs papier.

Een – vroeg – voorbeeld van zo'n papieren noodmunt is de Leidse kwartgulden uit 1573. De munt bestaat uit tientallen uit boekpapier gestanste, op elkaar geplakte ronde stukjes papier. Hij heeft een vertrouwwekkend professioneel stempel, dat te danken zou zijn aan een in Leiden gestrande stempelsnijder van de Dordtse munt. De papiermunt werd geaccepteerd vanwege de belofte dat hij na het beleg weer inwisselbaar zou zijn tegen 'echt' geld.

De oorlog tegen Spanje was voor de zeven opstandige provincies een kostbare zaak. Niet alleen moesten de eigen legers worden betaald, soms gold dat ook voor de Spaanse. Toen er in 1576 muiterij uitbrak onder de Spaanse troepen omdat ze geen geld meer kregen, bliezen deze de aftocht nadat de Hollandse steden hun achterstallige soldij hadden uitbetaald.

De oplopende tekorten werden onder meer op monetaire wijze gelenigd, valt in Teyler te zien. Zo voerden de Hollandse en Zeeuwse Staten in 1573 het kloppen in. Alle in omloop zijnde munten moesten van een instempeling (klop) worden voorzien, waardoor ze 15 procent meer waard werden. Burgers kregen hun geklopte munten retour na afdracht van die 15 procent. De dwangmaatregel leverde Holland en Zeeland volgens Beliën zo'n kwart miljoen gulden op.

De oorlogskas werd ook gespekt door oude koperen oorden, duiten en penningen, waarin wat zilver zat, te vervangen door zuiver koperen munten. Een andere truc werd toegepast bij de zogenaamde 'leeuwendaalders', die vanaf 1575 werden uitgegeven. Ze werden tegen een koers van 32 stuivers uitgebracht, maar bevatten slechts voor 29 stuivers zilver. Het verschil werd als reserve aan de oorlogskas toegevoegd. Geschatte opbrengst: ruim één miljoen gulden.

Dit waren riskante operaties, zegt Beliën, want morrelen aan je geld kon het vertrouwen in overheid en economie schaden. 'Romeinse keizers brachten van de 1e tot de 3de eeuw het zilvergehalte in hun munten ook steeds verder terug, tot het vertrouwen weg was en het muntstelsel instortte.' De leeuwendaalders bleken overigens een succes: zo waren ze decennia lang geliefd in de Levanthandel.

Rijkssteden Het 16de-en 17de eeuwse muntstelsel zat ingewikkeld in elkaar. Anders dan nu had elke provincie zijn eigen munthuis, net als enkele voormalige Duitse rijkssteden zoals Nijmegen, Deventer, Kampen en Zwolle. In West-Friesland rouleerde het munthuis zelfs tussen Hoorn, Enkhuizen en Medemblik.

Deze situatie ging terug op het muntrecht van de middeleeuwse vorsten, zoals de graven van Holland, de hertogen van Gelre en de bisschop van Utrecht. Er circuleerden bovendien veel muntsoorten, zoals de gouden Carolusguldens van Karel V, de zilveren Philipsguldens van Philips II, daalders, dukaten, schellingen en duiten én buitenlandse munten. En al die munten oogden verschillend.

Aan de munten laat zich de geboorte van de Republiek aflezen, aldus Beliën. Na het afzweren van Philips II lieten de zeven provincies eerst Philips' portret, toen zijn wapenschild, en vanaf de leeuwendaalders van 1575 ook zijn naam van hun muntstukken verdwijnen.

Maar pas in 1606 wisten de Staten Generaal enige overzichtelijkheid en stabiliteit te creëren, met een nieuwe wet die het goud-en zilvergehalte, gewicht en uiterlijk van de munten moest standaardiseren. Alleen de tekst en het muntteken varieerde nog per provincie.

Beliën: 'De muntgeschiedenis is dus nauw verbonden met het proces van de vroege staatsvorming, waarbij de Staten Generaal van de jonge Republiek naast politieke eenheid ook munteenheid hoopten te realiseren. Dat was een moeizaam proces, vergelijkbaar met de invoering van de euro.'

Al die verschillende oude en nieuwe munten bleven in omloop. Ze waren onderling – en ook met buitenlandse munten – inwisselbaar omdat hun waarde gebaseerd was op hun goud-of zilverinhoud. Die was in 'tariefboekjes' vastgelegd en werd met balansen gecontroleerd op vervalsingen en snoeierij (het afvijlen van munten).

Provinciale munthuizen hebben tot de Franse tijd bestaan. Pas rond 1845 werden hun laatste munten uit roulatie genomen en omgeruild voor de 'koninkrijksmunt', op basis van het decimale stelsel.

De noodmunten waren intussen een verzamelobject geworden, mede omdat Gerard van Loon ze in 1723-'31 al had opgenomen in zijn numismatische standaardwerk Beschryving der Nederlandsche Historipenningen. Soms werden ze voorzien van een herdenkingsincriptie, zoals een Groningse noodmunt van 25 stuiver uit 1672 ter herinnering aan het ontzet van de stad in het Rampjaar.

Een andere munt, ook in Teyler, vermeldt eenvoudig: 'Haarlem van den tiran Alba belegert heeft door noot dit geld geslagen'.

Meer over