Geijkte, maar ook gemeen stekende noten

Het North Sea Jazz Festival in Den Haag is dit jaar vijfdaags geworden, net als in de jaren dat het nog goed ging met de jazz....

Van onze verslaggevers Frank van Herk Remco Takken

Freelance muzikanten kunnen het zich niet veroorloven naar lezingen te komen luisteren die vier keer zoveel kosten als een optreden op North Sea oplevert, hoe interessant de programmering ook is.

De tweede kleine opmaat voor het festival was de Dutch Jazz Competition. De angst dat deze talentenjacht zou uitlopen op een conservatoriumfeestje, bleek ongegrond.

De zomerse jazzrock van winnaar Jamesz overwon ook de regen, en de meest behoudende muziek van de avond bleek verrassend genoeg uit de geïmproviseerde hoek te komen. De Gebroeders Kromhout gingen 35 jaar terug, met gestoorde bandrecorderinstallaties en onleuke geënsceneerde chaos, die in de hippe jaren zestig soms het voordeel van de twijfel kreeg.

Gelukkig was er ook jazz te horen.

Fluegelhornspeler Daniel Nösig en pianist Glenn Corneille stonden op gezonde wijze in de jazztraditie, en werden gelauwerd als beste solist en beste jong talent.

De opening van North Sea, vrijdag, kende dezelfde afwisseling van verrassend en geijkt. Wynton Marsalis presenteerde zijn Lincoln Center Orchestra, een gedegen big band met hoofdzakelijk invloeden uit de jaren dertig. De enkele eigen composities vielen op door overbodigheid: bluesjes met oubollige ritmische accenten en voordehandliggende harmonieën. In de geïmproviseerde gedeelten moest het gebeuren, maar het Ellingtoniaanse keurslijf en de strenge opvattingen over jazz van Marsalis zelf, bleken te strak om de solisten iets meeslepends te laten opbouwen.

Het Tuinpaviljoen was bij dit 25-jarig jubileum omgedoopt in het Paul Acket Paviljoen, maar het geluid knalde nog steeds even schril van het beton. Daaronder leden vooral de blazers bij de jump blues van Clarence 'Gatemouth' Brown, die voor de vooroorlogse riffjes zorgden. Brown is een eigenwijze oude kankerpit, die niet tot de doorsnee bluesmannen gerekend wil worden, omdat die hem te primitief zijn.

Het leukste van zijn muziek is echter het contrast tussen de geoliede blazerssectie en de toch wel behoorlijk basale blues van Gatemouth. Hij heeft een huisbakken stijl van gitaarspelen, een soort fingerpicking met volledig gestrekte vingers, zodat hij niet erg wendbaar is, maar zijn geplukte noten wel gemeen steken.

Klarinettist Don Byron is inmiddels ook bijna een vaste waarde op het festival. Omdat hij de reacties van het publiek altijd stuurt met een thema, had hij zijn concert jungle music for postmoderns genoemd.

En inderdaad speelde hij meerdere oudere stukken van Duke Ellington, zoals The Mooche.

Ook in zijn eigen composities maakte hij volop gebruik van de ouderwets diepe groove van slagwerker Pheeroan AkLaff en de rijke klankschakeringen die de twee andere blazers, trompettist Ralph Alessi en trombonist Josh Roseman, hem boden. Soms hield hij zich trouw aan de stijl van de periode - Harlem River Quiver kreeg een hupse jaren twintig tweekwartsmaat.

Maar meestal volgde hij het voorbeeld van de grote Ellington-aanbidder Charles Mingus, rekte vormen uit, joeg het tempo steeds een andere richting uit en liet de lange, spannende improvisaties uit hun voegen barsten.

Postmodern of niet, het werd geleidelijk aan warmer op het winderige dakterras.

Meer over