Gefascineerd door teloorgang

In zijn essays en portretten betoont Truman Capote zich een gretig en creatief observator, met een onmiskenbare fascinatie voor verval en teloorgang....

Hans Bouman

Hoewel hij alweer 23 jaar geleden is overleden, staat Truman Capote nog altijd behoorlijk in de belangstelling. Dat heeft niet alleen te maken met een aantal recente postume boekuitgaven, zoals zijn complete korte verhalen (2004), de selectie uit zijn brieven Too Brief A Treat (2004) en zijn verloren gewaande eerste roman Summer Crossing (2005), maar ook met de twee verfilmingen van zijn leven: Capote (2005) en Infamous (2006).

Natuurlijk droegen die twee films het meest tot Capote’s – hernieuwde – bekendheid bij. Ten eerste omdat film een medium is met een breed bereik, daarnaast omdat ze Capote’s biografie tot onderwerp hadden. En als er één auteur was wiens literaire reputatie ten nauwste samenhing met de mythes rond zijn persoon, dan was dat Truman Capote.

Zijn bekende naam kreeg hij overigens pas op zijn elfde, toen zijn moeder hertrouwde met een Cubaanse zakenman, die zijn adoptiefzoon niet alleen zijn eigen achternaam gaf, maar ook een nieuwe voornaam.

Truman Capote werd in 1924 als Thomas Streckfus Persons geboren in New Orleans en groeide op in Alabama. Op zijn zeventiende kreeg hij een baantje bij The New Yorker, dat hij weer kwijtraakte als gevolg van een bizarre confrontatie met de dichter Robert Frost, die toen op het hoogtepunt van zijn faam stond. Frost verkeerde niet alleen in de onjuiste veronderstelling dat de jonge kopijklerk een schrijvend journalist was van het tijdschrift, maar meende bovendien dat deze hem tijdens een lezing wilde beledigen door eerst te doen alsof hij in slaap was gevallen en vervolgens demonstratief weg te lopen. De oude dichter brak getergd zijn voordracht af en gooide Capote het boek naar diens hoofd.

Hoewel Capote altijd is blijven volhouden dat het een misverstand betrof – hij had voorovergebogen gezeten wegens een stijve nek door de griep, en besloot toen maar liever weg te gaan – zou het incident kenmerkend worden voor zijn reputatie. Een relnicht, iemand die anderen gebruikte ten behoeve van zijn eigen faam, die – in het gunstigste geval – zijn omgeving ‘leegzoog’ om er literatuur van te maken.

De bundel Portraits and Observations – The Essays of Truman Capote zou als bewijsmateriaal voor een dergelijke stelling kunnen worden gebruikt. Het boek bevat alle non-fictie die Capote in zijn loopbaan heeft geschreven, met uitzondering van In Cold Blood. De stukken, die een periode van 38 jaar beslaan, zijn gerangschikt in chronologische volgorde en geven zo een interessant inzicht in de ontwikkeling die Capote als auteur heeft doorgemaakt. Er is één constante: in alle ongeveer vijftig reportages, portretten en beschouwingen betoont Capote zich een gretig en creatief observator.

Portraits and Observations begint met een reeks portretten van locaties als ‘New Orleans’, ‘New York’, ‘Brooklyn’ en ‘Hollywood’. Terugkerend motief in deze stukken is de charme van het stedelijk verval, iets waar Capote duidelijk een zwak voor had, zoals hij in zijn algemeenheid werd aangetrokken door het verschijnsel van de teloorgang. Dat werd ook in zijn fictie – vanaf zijn debuut Other Voices, Other Rooms (1948) – al snel duidelijk. Het zorgde er mede voor dat hij de reputatie kreeg een ‘gothic’ schrijver te zijn.

Al in het eerste, uit 1946 stammende stuk valt de doorwrochte, aan het maniëristische grenzende schrijfstijl op, vol alliteraties, verwijzingen en bewust geforceerde vergelijkingen. Talrijk zijn broeierige zinnen als ‘New Orleans streets have long, lonesome perspectives; in empty hours the atmosphere is like Chirico’, en: ‘The torn lips of golden-haired girls leer luridly on faded leaning house fronts’. Het is vooral atmosfeer die hier wordt overgebracht, niet zozeer informatie, en dat was ook precies Capote’s bedoeling.

Zijn eerste belangrijke en voor hemzelf werkelijk bevredigende reportage schreef hij met het ruim honderd pagina’s lange ‘The Muses Are Heard’ (in opdracht van The New Yorker, dat hem weer in genade had aangenomen). Hierin beschrijft Capote hoe een gezelschap van 58 Amerikaanse acteurs, vergezeld van backstagepersoneel en andere begeleiders, in 1955 naar Moskou en Leningrad reist voor een reeks uitvoeringen van Porgy and Bess. Het stuk excelleert in goed geobserveerde details, zoals de gretigheid van de vrouw van tekstdichter Ira Gershwin (broer van componist George), die vooral blijkt te zijn meegereisd vanwege de goedkope kaviaar.

Treffend zijn z’n beschrijvingen van de winkels in Moskou: armetierige alkoofjes die vooral gevuld zijn met wat je in Amerikaanse kermissen als prijs in de schiettent kunt winnen: goedkope, allemaal op elkaar lijkende poppen, lelijke vazen, gipsen dierfiguurtjes, kitscherige setjes toiletartikelen.

De bundel bevat ook een reeks langere portretten en kortere vignetten van beroemdheden als Jane Bowles, Elizabeth Taylor, Marlon Brando, Tennessee Williams, Humphrey Bogard, Isaac Dinesen en Marilyn Monroe. In de beste slaagt Capote erin de icoon terug te brengen tot menselijke, herkenbare proporties, zonder de mythe aan diggelen te slaan.

Zoals bekend is het levensverhaal van Truman Capote niet in de laatste plaats de geschiedenis van een snelle en glorieuze opkomst, gevolgd door een trage, maar gestage teloorgang, met In Cold Blood als scharnierpunt. Met dit boek, dat hij een non-fictieroman noemde, had Capote zijn ideale vorm gevonden. In dit werk beschreef hij waar gebeurde zaken – de moord op een boerenfamilie in Kansas en de nasleep ervan, tot en met de executie van de daders – met de technieken van de fictie. Het verschafte hem de mogelijkheid de verbeelding te hulp te roepen, daar waar de feiten tekortschoten.

In Cold Blood maakte Capote rijk en beroemd, en verschafte hem de mogelijkheid zich in kringen van de Amerikaanse jetset te begeven. Dit bleef niet zonder gevolgen voor zijn ego, en dat is in de latere essays en portretten van Portraits and Observations terug te vinden. Waar Capote in zijn vroege artikelen aanwezig was als beschouwer, werd hij later zelf de middelpuntvliegende kracht van de verhalen. Bovendien ging hij, mede onder druk van de verwachtingen die hij zelf nadrukkelijk schiep, steeds meer drinken en slikken, wat zijn creatieve vaardigheden niet ten goede kwam.

In het op twee na laatste stuk in deze bundel, de introductie die Capote schreef voor zijn Music For Chameleons, zegt hij in alle eerlijkheid dat hij de bijdragen in dit boek met slechts de helft of eenderde van zijn krachten heeft geschreven.

Zo is Portraits and Observations, binnen het formele kader van een verzameling stukken over anderen, een treffend en soms ontluisterend zelfportret. Het verschaft je een uiterst leesbaar inzicht in het doen en denken van een belangwekkend schrijver – met een onmiskenbare fascinatie voor teloorgang. Gothic, zeg maar.Hans Bouman

Meer over