GEEN MISSIE, GEEN IDEAAL, GEEN PRETENTIE

In ‘This is America’ wil het Centraal Museum een breed beeld geven van Amerika. Verrassend is de luchtigheid en ongedwongenheid waarmee het onderwerp wordt benaderd....

Het voert te ver om te zeggen dat het onderwerp verrast. Dagelijks staan de kranten vol met de ontmaskering van de natie die bij zijn oprichting geloofde in de ‘vanzelfsprekende waarheid’ dat alle mensen in beginsel gelijk zijn en hetzelfde recht hebben op ‘Leven, Vrijheid en het nastreven van Geluk’, zoals in Utrecht uit de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring (1776) wordt geciteerd.

En wie in de afgelopen jaren de bioscoop heeft bezocht, heeft ongetwijfeld kennis genomen van ontluisterende documentaires als Bowling for Columbine of Super size me, waarin genadeloos wordt aangetoond hoe de Amerikaanse samenleving is doortrokken van geweld en de consumptiemaatschappij leidt tot ongezonde vraatzucht.

Dus wat ligt meer voor de hand, zou je denken, dan op dit moment van de geschiedenis, waarin kritiek op Amerika gemeengoed is geworden, een tentoonstelling te maken waarin hedendaagse kunstenaars uit Noord-Amerika en West-Europa zich kritisch uitlaten over het ooit wijdomarmde ideaal van de Amerikaanse Droom?

Toch is zo’n expositie minder voor de hand liggend dan verwacht, zoals blijkt uit de tentoonstelling This is America, Visies op de Amerikaanse droom in het Centraal Museum Utrecht. Geen enkele sponsor – welke zijn benaderd, maakt het museum niet bekend – durfde geld te geven en het risico te lopen zich met anti-Amerikanisme te associëren.

Nog teren de musea in Nederland voornamelijk op overheidsgelden. Je moet er niet aan denken dat ze op zijn Amerikaans afhankelijk worden van sponsoren. Want hoezeer ook wordt beweerd dat de invloed van sponsors gering is, een tentoonstelling als This is America was er in zo’n situatie domweg niet geweest.

Het onbedoelde neveneffect van de expositie – het openlijke zicht op de schaduwkanten van het Amerikaanse ideaal – is koren op de molen van de nieuwe museumdirecteur Pauline Terreehorst. Onder haar bewind gaat het Centraal Museum de grenzen opzoeken, tussen kunst en wetenschap, tussen kunst en literatuur, tussen kunst en maatschappij.

This is America, samengesteld door conservator Meta Knol maar met interventies van Terreehorst, is een voorbeeld van deze nieuwe aanpak. Behalve voor hedendaagse kunst is er aandacht voor geschiedenis en voor filosofie. De catalogus is gevuld met verhalen van literatoren en journalisten en in de tentoonstelling is een huiskamer ingericht met documentaires van de tachtigjarige VPRO, een omroep die in zijn hoogtijdagen zeer door het Amerikaanse vrijheidsdenken werd beïnvloed.

Een gewaagde onderneming, want zo’n brede, cultureel-maatschappelijke opzet kent natuurlijk een aantal levensgrote gevaren, waaronder niet in het minst een drammerig politieke teneur. Gelukkig schieten de tentoonstellingsmakers slechts een enkele keer uit hun slof.

Dan tovert het uit Frankrijk afkomstige kunstenaarsduo Patrick & Heather Burnett-Rose in een bombastische installatie met vijf videoschermen een aaneenschakeling van documentaire oorlogsbeelden tevoorschijn. Zelfs de ongelooflijke kleurenpracht en de esthetische vertraging bieden geen soelaas: het drama wordt erin gehamerd: Tanks! Vlaggen! Bommen! Huilende slachtoffers!

Een ander gevaar, de opvoedkundige missie, is totaal vermeden. En dat is bij een tentoonstelling met deze thematiek en van dit kaliber nog het meest verrassend: de luchtigheid en ongedwongenheid waarmee het onderwerp wordt benaderd. Zelfs bij de Guerrilla Girls, de anonieme, vrouwelijke kunstenaarsgroep die de wereld sinds 1985 met feministische opvattingen bestookt, is de boodschap gedrenkt in humor. Hun glanzende, verleidelijke, nauwelijks van echt te onderscheiden filmaffiches, met in de hoofdrol een vrouwelijke King Kong of cliché-sexbommen als Pamela Anderson in The Birth of Feminism hebben hetzelfde prettige glimlach-effect als de posters van Loesje.

De verklaring ligt in het zwaartepunt van de tentoonstelling. Niet de brede, maatschappelijke kijk staat voorop. Het museum grijpt de gelegenheid aan om een nieuwe generatie kunstenaars te presenteren geboren in de jaren ’60 en ’70, een vrolijke generatie die knipoogt naar de Popart van hun geboortejaren.

Net als hun voorvaderen haalt deze nieuwe generatie, waarvan hier zeventien voorbeelden worden gepresenteerd, inspiratie uit de massacultuur, wandelt zij ongedwongen rond in de stortvloed aan beelden aangereikt door filmindustrie, internet en reclame. En zoals de Popart-kunstenaars de werkelijkheid opbliezen en overbrachten naar de wereld van musea en galerie, in het midden latend of ze de consumptiemaatschappij verheerlijkten danwel luchtig becommentarieerden, zo hanteert deze nieuwe lichting de taal van clips, games, film en CNN. En passant geeft ze de werkelijkheid een lichte draai, waarin desgewenst een kritische blik kan worden gezien. Daarbij kent zij haar klassiekers.

Niet voor niets openen de neon-letters van de in Berlijn werkende Olaf Nicolai (1962) de tentoonstelling. Zijn werk staat symbool voor de hier bij elkaar gebrachte groep en knipoogt zowel naar film en graffiti als naar de neonsculpturen van highbrow kunstenaars als François Morellet en Bruce Nauman. Aan en uit knipperen de woorden, waarbij de laatste letter van het eerste woord en de eerste letter van het tweede woord nu eens oplichten danweer doven. Zo treedt afwisselend de tekst ‘Hello There’ en ‘Hell Here’ tevoorschijn.

Nicolai doet geen moment voorkomen alsof hij de kreet zelf heeft bedacht. Zoals Andy Warhol de Brillo-doos uit de schappen van de supermarkt haalde, zo heeft Nicolai zijn kreet geplukt uit het Hollywood-spektakel Batman Returns, waarin catwoman Michelle Pfeiffer als eenzaam individu ronddoolt in de anonieme grote stad. Originaliteit, lang een hooggewaardeerde eigenschap in de beeldende kunst, is voor deze generatie geen onderwerp van discussie.

Wat Nicolai, en de rest, ook typeert: zijn woorden zijn weliswaar onheilspellend, de vorm en kleur waarin hij de woorden giet zijn dat niet. Zijn letters druipen niet, zijn paars is niet unheimisch en kil, zoals de zwartgallige letters en kleuren waarvan de Nederlandse kunstenaar Marc Bijl zich bedient. Nicolais paars is blij, meer power flower dan gothic. De hel, de wereld van Hollywood of van Pfeiffers grote stad, is voor Nicolai geenszins alleen afschrikwekkend en unheimisch, maar ook een oord van vermaak en van plezier.

Diezelfde relativering en speelse omgang met de werkelijkheid, keren in This is America voortdurend terug en geven de tentoonstelling een aangename lichtvoetigheid. Zo is het in Bagdad gefotografeerde uithangbord van Jens Haaning een luchtige voetnoot bij de Amerikaanse bemoeienis met Irak – hij had het alledaagse uithangbord à la Duchamp naar het museum willen slepen, maar is daarin vanwege ‘complicaties tijdens het transport tussen Bagdad en Utrecht’ niet geslaagd. Zo haalt Maurice le Chevallier in zijn omgekeerde cliché-filmpjes, waarin Hollywood en de Franse Nouvelle Vague elkaar ontmoeten, uit naar het typisch Amerikaanse streven naar geld en macht. Keer op keer ligt zijn happy end in het afschudden van het bereikte succes. ‘Real life is elsewhere’, zegt zijn op de president gelijkende hoofdpersoon melodramatisch, terwijl hij zijn vele rinkelende telefoons negeert en als een zwerver de wijde wereld intrekt, om het volgende moment als in een vicieuze cirkel weer een gooi te doen naar de top. Macht, geld en succes kunnen dan wel afkeurenswaardig zijn, ze lonken ook.

Hadden voorgangers als Paul McCarthy en Diane Airbus nog de behoefte om de schaduwzijde van de Amerikaanse droom als een rauwe, bloederige aanklacht in je gezicht te smijten, Le Chevallier en de anderen van zijn generatie hebben geen missie, geen ideaal, geen pretentie. Ze staan erbij en kijken ernaar. Ze zien de goede en de slechte kanten van de Amerikaanse droom, dienen hun persoonlijke verwarring op in een verleidelijke beeldtaal en laten het oordeel over aan de kijker, die aan dezelfde verwarring ten prooi raakt.

Had het Centraal Museum zich beperkt tot deze kunstenaars, dan was wel de speelsheid naar voren gekomen, maar was de thematische dimensie onderbelicht gebleven. Die krijgt diepgang door de confrontatie met een tweetal veelzeggende uitspraken uit de ontstaansgeschiedenis van de Amerikaanse staat, maar vooral met de sideshow van fotorealistische schilderijen, net als de Popart afkomstig uit het decennium waarin de gepresenteerde kunstenaars werden geboren.

De keuze voor het fotorealisme is ingegeven door het grote aantal doeken dat in de eigen collectie is vertegenwoordigd. Zonder grote woorden, zonder verwijzing naar al te vaak gehanteerde actuele dramatiek, laat de botsing tussen de tijdperken in een oogopslag zien hoezeer de wereld in dertig jaar tijd is veranderd.

Zo optimistisch en naïef als de wereld van het fotorealisme, waarin de zon altijd schijnt en fluorescerende neonreclames, glimmende auto’s, zwembaden en tandpastaglimlachen worden vereerd als iconen van vrijheid, glamour en succes, zo nuchter en realistisch is de wereld inmiddels geworden.

Strak en gestroomlijnd duikt het benzinestation (1969) van Edward Ruscha op uit de duisternis. Geen vuiltje ontheiligt dit symbool van snelheid en vooruitgang. Hoe anders is de eveneens naar de werkelijkheid geboetseerde space-shuttle van de Amerikaanse kunstenaar en fietsenmaker Tom Sachs (1966) uit 2003. Weinig is er over van de grootsheid en onaantastbaarheid van dit technisch wonder waarmee in 1969 de eerste man naar de maan werd geschoten. Met hout, lijm en plakband is de space-shuttle in elkaar geknutseld, vol deuken en vlekken, omringd door miniatuur bewakingscamera’s. Iets soortgelijks veroorzaakt de Nederlander Jan van Nuenen (1978). Met op internet aangetroffen en vervormde beelden maakt hij een filmpje waarin de industriële machines vrolijk ratelen. Maar de vrolijkheid is ook chaotisch, het ratelen doelloos. De glans van bewondering ontbreekt.

Op meerdere fronten werkt de combinatie met het fotorealisme verwarrend. Het is stuitend om te zien hoe naïef de wereld dertig jaar geleden was, maar het is ook pijnlijk om te bemerken hoe graag je er weer in zou willen geloven, er zelfs naar terugverlangt, naar die optimistische, naïeve, verleidelijke, smetteloze en tamelijk onschuldige wereld van toen, naar dat ideaal van onbegrensde mogelijkheden, van vrijheid en rijkdom voor iedereen.

Het geraffineerde van de tentoonstelling, van de combinatie van oud en nieuw, maar ook van kunst en in dit geval filosofie: net als het verlangen zich manifesteert, wordt het weer de kop ingedrukt. Kijk naar het werk van de Duitse filosoof Peter Sloterdijk. Met de architecte Gesa Mueller von der Haegen heeft deze Duitser een opblaasbaar parlement ontworpen, een tent die net als het wittebrood en chocola in de Tweede Wereldoorlog na elke (Amerikaanse) ‘bevrijding’ uit een vliegtuig geworpen kan worden. Binnen 24 uur is het parlement, compleet met licht, verwarming, tribunes en een sprekershoek, operationeel, is er democratie in elke uithoek van de wereld.

Dat lijkt geestig, alleen heeft dit project geen knipoog. Het is geen kunst, maar wetenschap. Sloterdijk en consorten verwachten in de komende twintig tot dertig jaar zo’n honderd landen uit de ‘klantendoelgroep van tekortgeschoten staten’ te bedienen, of die landen willen of niet. De kunst mag dan spelen, de werkelijkheid wordt nog altijd geregeerd door de grootheidswaan en de zendingsdrift van mensen en machthebbers die weten wat goed voor ons is.

Zo beweegt de tentoonstelling heen en weer tussen droom en realiteit, tussen heimwee naar het verloren paradijs en de schaduwkanten van datzelfde paradijs. Het werpt licht op de flarden Amerika in ons eigen hoofd, in onze eigen omgeving en biedt een aangename cocktail van denk- en kijkplezier.

Meer over