Geen klapstoel in Kaapstad

In Zuid-Afrika werd het eerste North Sea Jazz Festival Cape Town gehouden, een dependant van het festival in Den Haag....

DE MUZIEK van Winston Mankunku Ngozi schalt over 'de open wond van Kaapstad', een winderige zandvlakte bij het centrum. Daar lag ooit District Six, in de jaren vijftig de bakermat van de Kaapse jazzcultuur. Het is een emotioneel beladen plek waar het North Sea Jazz Festival Cape Town wordt gehouden: de betonnen kolos van het Good Hope Centre verrees nadat het apartheidsbewind de gemengde wijk had platgewalst.

Mankunku staat op een podium buiten, achter hem raast de snelweg. Tent jes van sponsors scheiden hem van de buitenwereld. De oude held van de Kaapse jazz opent het festival; Mankunku is altijd gebleven, hij is niet zoals zoveel andere jazzmuscici weggegaan onder de apartheid. Zijn band brengt een ode aan Coltrane en speelt de Zuid-Afrikaanse mbaqanga. Je hoort een mengvorm van Amerikaanse jazz met traditionele ritmen en liedjes.

Het North Sea Jazz Festival Cape Town is het eerste grote jazzfestival in Afrika. Een getrouwe kopie van 'North Sea' in Den Haag. Al's Potjiekos verkoopt Kaapse hapjes en de buren Boerewors rolls, maar dat is dan ook het enige verschil. In elke hoek staat een bar met bier en fris, er zijn stands van platenverkopers, overal lopen ijsverkopers en medewerkers van de ordedienst in T-shirts met het North-Sea-embleem.

Net als in Den Haag is er een benauwde zaal in de kelder, een grote hal (een enorm doek moet de galm van de betonnen koepel opvangen), een conferentiezaal en een podium buiten. Er is gedrang in de gangen, op de trappen, bij de bars.

Publiekstrekkers als Tania Maria, Youssou N'Dour en Letta Mbulu hebben maar zijdelings met jazz te maken. In de kelder klinken hiphop en techno. Voor de echte jazzliefhebbers zijn er Herbie Hancock en de Amerikaanse bopveteraan Johnny Griffin. Ook het aanbod van Zuid-Afrikaanse bands is gevarieerd. Zo'n groot festival kan alleen bestaan als er een breed publiek komt.

De toegangsprijs voor twee dagen bedraagt 360 rand (zo'n 150 gulden). Zouden er niet alleen welgestelde blanken komen? 'Ik vrees eerder dat alleen de zwarte bourgeoisie komt', had de Zuid-Afrikaanse festivaldirecteur Rashid Lombard vooraf gezegd. Op de radio had hij keer op keer uitgelegd dat de prijs toch echt niet hoog was voor 25 optredens. Uiteindelijk komen beide groepen, blanken en zwarten. In totaal twaalfduizend, schat Theo van den Hoek, de Nederlandse co-directeur van het festival. Hij is tevreden.

Herbie Hancock heeft het moeilijk, de hal blijft half leeg. De Amerikaanse supergroep van Victor Baily met saxofonist Kenny Garrett speelt met overdonderende energie, maar de respons is lauw. 'Ik begrijp het niet', zegt een jonge Zuid-Afrikaanse saxofonist. 'Dit is toch geweldig, het is alsof ik van de grond word getild, maar het publiek kent deze muziek niet, we moeten zoveel inhalen.'

En inderdaad, bekendere stijlen hebben wel succes. Griffin brengt met zijn razende bopsolo's het publiek in alle staten. Bij zangeres Abbey Lincoln en de Nederlandse pianist Michiel Borstlap kan er niemand meer bij in de conferentiezaal.

Om het festival heerst een opgewonden sfeer - dit is een grote gebeurtenis. In het hotel, waar een deel van de musici is ondergebracht, verdringen Zuid-Afrikaanse tv-ploegen en radioverslaggevers zich om de sterren. Abbey Lincoln geeft een persconferentie. Al in 1961 zong ze Tears for Johannesburg. In 1973 nam Miriam Makeba haar drie maanden mee naar Afrika, naar Guinee en Zaïre, maar nooit eerder zong ze in Afrika.

In de kelder speelt de Britse saxofonist Courtney Pine het stuk dat hij ooit schreef over District Six. Een jong publiek danst uitgelaten op Pines mengeling van jazz en drum 'n bass. Het publiek maakt Kaapstad anders dan Den Haag, zegt trompettist David Rockefeller van het Nederlandse New Cool Collective. De mensen schreeuwen en dansen. En op de gang klampen ze de leden van de band aan: nieuwe fans.

Saxofonist Benjamin Herman geeft aan de lopende band interviews aan radio en tv. 'Ze vragen wat ik leuker vind, het festival in Kaapstad of Den Haag. Ik zeg Kaapstad, ik heb nog geen klapstoeltjes en koelboxen gezien.'

De Zuid-Afrikaanse jazzgroepen trekken volle zalen. Het publiek klapt en roept als een oude hit wordt gespeeld. Het festival is ook een feest van de herkenning. Zo vaak spelen populaire musici als Hugh Masekela nu ook weer niet in Kaapstad. En dat geldt helemaal voor Bheki Mseleku, die beroemder is in het Westen dan hier, in Zuid-Afrika.

Onder de apartheid werden jazzmusici uiteen gedreven. Zwart en blank mochten niet meer samen optreden. Kleurlingen en zwarten werden verdreven naar aparte, afgelegen woonoorden. Musici weken uit naar Europa en de Verenigde Staten; de achterblijvers konden steeds minder spelen. De jazz verstomde. In de townships nam de Afrikaanse popmuziek het over. Het is nu tien jaar geleden dat Nelson Mandela werd vrijgelaten; sinds zes jaar heeft Zuid-Afrika een democratisch gekozen regering. Heeft de Zuid-Afrikaanse jazzwereld de brokstukken opgepakt? Groeit er een nieuwe jazz?

In de kelder van het Good Hope Centre staat een magere jongen met lang haar gebogen over een tafel vol elektronica. Die brengen stampende ritmen, dreunende geluiden voort. Er zijn nog twee blanke jongens, een gitarist en een kaalgeschoren trompettist, terwijl een zwarte zangeres een Afrikaanse buikdans uitvoert. Haar zang heeft iets van een traditionele klaagzang. Een zwarte percussionist zingt een tegenstem. De groep heet Nagual. De muziek lijkt op het eerste gehoor in niets op die van Mankunku, en toch, als je goed luistert: allebei komen uit dezelfde traditie voort.

Zo is het met alle Zuid-Afrikaanse bands op het festival. Traditionele ritmen en stijlen laten zich mengen met vrijwel alle muziek. Bheki Mseleku staat aan de top in de Amerikaanse jazz - maar opeens is daar dat ritme, dat bekende loopje, en het publiek joelt van vreugde.

Zim Ngqawana speelt de free-jazz waarvoor hij naar de Verenigde Staten ging, maar gaat zonder mankeren over op de fluitjes van de zwarte arbeidersmuziek uit de jaren vijftig. Jimmy Dludlu, net gekozen tot jazzmusicus van het jaar, speelt gitaar als George Benson, maar ook onmiskenbaar Afrikaans. En Bongo Maffin, een populaire hiphopgroep, met twee rappers, een zanger en een zangeres die over het podium banjeren? Kwaito heet deze muziek in Zuid-Afrika. 'Het ritme is oud', zegt Jo Schaffers, lid van een jaren-vijftig-zanggroep. 'Het is de mbaqanga.'

Er is een nieuwe generatie aangetreden. Na de afschaffing van de apartheid kregen zwarte musici de kans te studeren op de muziekafdelingen van de voorheen blanke universiteiten. Mike Campbell, bassist en jazzprofessor aan de Universiteit van Kaapstad, heeft nu meer zwarte dan blanke studenten. De jazz-afdeling begon in 1989 met tien leerlingen, nu zijn het er honderd. Ze komen ook uit buurlanden, Mozambique bijvoorbeeld, het land van Jimmy Dludlu. Hij is inmiddels zijn beroemdste leerling.

Voor het eerst komen allerlei stijlen met elkaar in contact, zegt Campbell. In zijn klassen zitten blanke jongeren met een goede scholing maar zonder idee van jazz, naast zwarte spelers uit de townships die geen noot kunnen lezen maar virtuoos improviseren. 'Ze brengen muziek uit vele culturen met zich mee, zoals Dludlu Portugese invloeden uit Mozambique. Die jonge musici zuigen alles op. En er komt nieuwe muziek uit voort.'

Campbell: 'Dat was voor mij een jaar of twintig geleden onmogelijk. Voor een blanke bassist was het heel moeilijk met zwarte collega's te spelen, het was in strijd met de wet. En buitenlandse musici kwamen hier niet. We zijn eigenlijk nog steeds niet helemaal uit dat isolement gekomen.'

De tientallen jonge musici die van de universiteit komen - 'veel jongeren uit de townships moeten afhaken omdat ze het collegegeld niet kunnen betalen' - spelen weinig jazz. In de café's van Kaapstad willen de eigenaren liever pop liedjes en standards horen. Voor muzikale experimenten zijn de jonge jazzmusici aangewezen op de concertzaal van de universiteit.

Zal het North Sea Festival Cape Town daar verandering in brengen? Een groep Kaapse musici heeft bedenkingen. Waarom heeft het festival zich zo geïsoleerd in dat vreselijke Good Hope Centre, schreven ze in een open brief in de krant. Wat hebben de jazzcafé's in de stad eraan? En waarom zijn de plaatselijke musici niet bij de organisatie betrokken? Festivaldirecteur Lombard legde in een reactie uit waarom dat zo'n opzet in een organisatorische chaos zou stranden.

'Lombard heeft wel gelijk', zegt Mike Perry, pianist met een lange staat van dienst en compagnon van Mankunku; hij was een van de ondertekenaars van de open brief. 'Maar het jazzleven in Kaapstad is vaak zo frustrerend.' Zo hebben de grote Zuid-Afrikaanse maatschappijen nog steeds weinig respect voor de artiesten. Daarom is hij een eigen label begonnen, Nkomo Records.

Maar het zou zo geweldig zijn geweest als al die beroemde jazzmusici uit het buitenland in de Kaapse clubs hadden gespeeld, in de townships. De mensen daar kunnen zich de toegangsprijs van het festival niet veroorloven. En jonge musici evenmin.

Perry's band speelt in het jazzrestaurant The Edge een aanstekelijke mengeling van jazz en mbaqanga. Sommige van zijn bandleden studeren nog aan de universiteit. Maar Perry verdient de kost met het spelen van hoteljazz, vijf avonden per week.

Moses Taiwa Molelekwa hoeft niet meer zo te tobben. Hij is een van de succesvolste jonge musici. Zo langzamerhand kan hij op de plaat zetten wat hij wil, zonder tegensputteren van de producer. Hij kan optreden in Johannesburg, waar hij woont. Maar toch: 'Ik zou veel willen spelen, met zoveel verschillende mensen als ik kan. Maar die cultuur hebben we niet meer. Na tweeën kun je nergens meer heen. Dan ga ik maar componeren.'

Zuid-Afrika is in beweging, toch kijkt Molelekwa naar Europa en de Verenigde Staten voor inspiratie. In Londen raakte hij in de ban van de drum 'n bass. Hij leerde er ook de muziek kennen van jazzmusici van de vorige generatie die in ballingschap waren gegaan, zoals pianist Chris McGregor en zijn Brotherhood of Breath.

En vorig jaar ontmoette Molelekwa de grote Herbie Hancock op het North Sea Jazz Festival in Den Haag. Ze spraken een uur over mediteren. Hancock is een boeddhist, Molelekwa niet, maar hij zong een boeddhistisch gezang. Nu sprak hij Hancock weer. 'Zulke contacten zijn belangrijk voor mij, in Zuid-Afrika weten we te weinig wat er gebeurt.' Molelekwa wil weg, een paar jaar naar de Verenigde Staten.

Meer over