Gedreven burgers en erflaters

.

Wie deze herinneringsplaatsen bestudeert, brengt delen van het collectieve geheugen van een natie in kaart en stelt zich automatisch de vraag hoe er in een hedendaagse samenleving over het verleden wordt gedacht. Een gemeenschap bepaalt zelf wat een lieu de mémoire is en kiest daarbij uit gebouwen, standbeelden en grafmonumenten, maar ook uit begrippen, namen, symbolen of zelfs levende personen.

Nora heeft met zijn studie de nationale geschiedschrijving en herinneringcultus in Frankrijk en tal van andere landen blijvend gestimuleerd. Ook in Nederland vonden zijn ideeën weerklank. Zo verscheen in 1995 de bundel Waar de blanke top der duinen – en andere vaderlandse herinneringen onder redactie van historicus N.C.F. van Sas. En afgelopen maandag werd in het Amsterdams Concertgebouw Plaatsen van herinnering – Nederland in de negentiende eeuw onder redactie van Jan Bank en Marita Mathijsen gepresenteerd.

In de bundel van Van Sas is de ruime opvatting van herinneringplaatsen die Nora voorstond, als uitgangspunt genomen. Een van de lieux de mémoire die erin worden gepresenteerd, is Johan Cruijff. Van die keuze nemen Bank en Mathijsen in de inleiding van hun studie noodgedwongen enige afstand. Ieder deel van de vierdelige serie over Nederlandse plaatsen van herinnering – vorig jaar verscheen het deel over de 20ste eeuw – mocht niet meer dan veertig opstellen bevatten. Dat is ook bij elkaar heel wat minder dan de zevenduizend pagina’s die Nora zich veroorloofde.

Een scherpere afbakening van het begrip herinneringsplaats is daarom aangebracht door alleen daadwerkelijk aanwijsbare plekken zoals gebouwen, straten en standbeelden als lieux de mémoire te beschouwen. Daarbij moesten de gekozen plekken een zogenoemde historische dubbelfunctie hebben. Zo heeft het Concertgebouw in Amsterdam vanaf zijn ontstaan in de 19de eeuw een culturele betekenis waarmee een geschiedenis verknoopt is geraakt. De plek dient daarnaast natuurlijk ook een actueel belang.

Het Concertgebouw is er gekomen doordat een aantal mannen die elkaar zowel van de beurs als van de Maatschappij tot Bevordering van de Toonkunst kenden, in 1882 (op de website van het Concertgebouw staat 1881) de koppen bij elkaar stak. Het zestal kreeg het voor elkaar om al zes jaar later in een hoofdstad ‘zonder vorst, zonder koninklijke schouwburg of muziekzaal, een kunsttempel te openen’ en daarmee een burgerlijk cultuurmonument op te richten waarin volgens Bank en Mathijsen veel bewegingen samenkomen die kenmerkend zijn voor de Nederlandse 19de eeuw.

Met deze beschrijving van het ontstaan van het Amsterdams Concertgebouw is in Plaatsen van herinnering de toon gezet voor een optimistisch nationaal geschiedverhaal. Een verhaal waarin de hoofdrol blijkt weggelegd voor veelal verlichte, initiatiefrijke, zich profilerende en positionerend burgers: fabrikanten en ingenieurs, wetenschappers en gelovigen, onderwijzers, wereldverbeteraars, juristen en politici.

Het café Au Prince Belge in Brussel is een plaats van herinnering waar de magere, zenuwachtige Eduard Douwes Dekker zijn Max Havelaar schreef tussen de rumoerige stamgasten die zich het plaatselijke, zoete donker bier goed lieten smaken. Volgens auteur Saskia Pieterse heeft Multatuli met zijn literaire pleidooi voor een ontembaar innerlijk vuur, overredingskracht en liefde eigenhandig de invoering bewerkstelligd van de op welzijn en welvaart van de inheemsen gerichte ethische politiek in de kolonie Nederlands-Indië .

De burger als held zien we terug in het verhaal over Zetten, waarin auteur O.W. Dubois schetst hoe op nieuwjaarsdag 1848 twee gestalten over het ijs bewegen. Een ervan is de dominee Ottho Heldring, de ander is de patriciërsdochter Petronella Voûte die tot dan toe in het Utrechtse diaconessenziekenhuis werkte. Heldring koos Voûte als directrice van Steenbeek, het asiel voor berouwvolle prostituees dat die maand werd geopend. Voor dit project had hij het geld bij elkaar gebracht door middel van een collectereis tijdens welke hij een moreel appèl op het sociaal geweten van christelijk Nederland deed.

De initiatiefrijke, gedreven burger vinden we terug in het verhaal over het Kamerlingh Onnes Laboratorium waar de natuurkundige Heike Kamerlingh Onnes helium vloeibaar maakte en volgens auteur Dirk van Delft ‘met vaste hand, organisatietalent, lef, visie, taai geduld en een geweldig doorzettingsvermogen’ in 1882 zijn programma aan de Leidse Universiteit ten uitvoer bracht en het verouderde laboratorium op de Kleine Ruïne ingrijpend verbouwde en uitbreidde.

Door een aaneenschakeling van dit soort opstellen krijg je niet alleen een serie plaatsen van herinnering, maar ook een bundel, naar Jan en Annie Romein, over de erflaters van onze beschaving. Die erflaters zijn interessant genoeg niet alleen de burgers die de eerste openbare leeszaal en bibliotheek te Dordrecht stichtten of de Haarlemmermeer met het stoomgemaal de Cruquius inpolderden. De erflaters blijken vooral ook de mensen die voorzagen in wat nodig was om een moderne natiestaat ondanks regionale scheidingen, veranderende grenzen, religieuze verschillen en koloniale problemen op te bouwen. Zo droegen ze bij aan een omgeving waarin de voortvarende burger kon gedijen.

Thorbecke is een van die erflaters. Zijn naam is verbonden met de grondwet van 1848 en de scheiding van kerk en staat, maar ook met het wetsontwerp voor toezicht op de armenzorg van 1851 dat verworpen werd, met Conrad Busken Huet die hem in 1865 in De Gids op zijn integriteit aanviel, met de fabrieksaardappel die een succes werd in de Groninger veenkoloniën, met de Hogere Burger School die zijn geesteskind was.

Een andere erflater, verrassender misschien, is koning Lodewijk Napoleon, die Amsterdam tot hoofdstad maakte en met zijn bezoek aan het door de bus-kruitramp geteisterde Leiden de toon zette voor de monarchie, in die zin dat Nederlandse vorsten zich voortaan in nationale rampgebieden lieten zien.

Wat heeft dit alles met herinnering te maken? Zijn de auteurs van mening dat de beschreven plaatsen van herinnering ook leven in de herinnering van de hedendaagse burger? Zijn zij van mening dat deze studie ons iets leert over de wijze waarop wij met het nationaal verleden omgaan? Waarschijnlijk niet. En dat geeft ook niet. Plaatsen van herinnering voldoet als prachtig geïllustreerde en prettig geschreven handleiding of wegwijzer op zichzelf al ruimschoots aan de verwachtingen. Het boek stelt de lezer in de gelegenheid plaatsen waar wij soms dagelijks langskomen, anders te bekijken en te beleven. Plekken die hun wortels hebben in de Nederlandse 19de eeuw, waarvan de geschiedenis niet bij iedereen bekend is.

De auteurs verdienen verder lof omdat de geschiedenis nergens wordt gekoppeld aan de waan van de dag, aan opmerkingen over het integratievraagstuk, filosofieën over sociale cohesie of het middelbaar onderwijs. Zij dragen veeleer de boodschap uit dat de Nederlandse 19de eeuw tot bestudering blijft nopen en dat de herinnering aan de geschiedenis, ondanks alles, aanleiding geeft tot ingetogen trots en optimisme over de toekomst. Niet voor niets is de laatste zin van het boek, in het artikel over het Vredespaleis: ‘Bij alle gruwelen in de wereld om ons heen is er de afgelopen eeuw wel enige vooruitgang geboekt in denken.’ En dat is nooit weg.

Jan Bank & Marita Mathijsen (redactie): Plaatsen van herinnering – Nederland in de negentiende eeuw. Bert Bakker; 560 pagina’s; € 29,95. ISBN 90 351 2950 4.

Meer over