Gedoemd om alleen lezer te zijn

Kees Fens

Al in het eerste stuk presenteert hij zichzelf meteen als de jeugdige lezer die hij was (de foto van die aandoenlijk jonge aandachtige, over wie hij schrijft, staat op de achterzijde van het boek). Hij schrijft dat hij niet in de gaten had dat de foto werd gemaakt. Hij was elders of op zijn minst in de tekst. Ik vermoed dat er in dit opzicht in Jan Fontijns wijze van lezen niets is veranderd.

Grote en rustige aandacht - de rust van de eeuwig jonge lezer verraadt haast elk stuk in het boek. Zoals hij leest, schrijft hij, beschouwend. Wat de taal soms weinig kansen tot oorspronkelijkheid geeft; wie zich inhoudt, ziet de gemeenplaats onder ogen. Hij schrijft dan: 'Deze uitspraken (tevoren geciteerd uit een interview met Thomas Rosenboom, F.) hebben me nogal verbaasd, al kan ik me voorstellen dat een auteur in een tijd waarin vergaande confessies over het persoonlijk leven schering en inslag zijn de neiging heeft ook eens een ander geluid te laten horen.'

Er schuilt in zo'n beschouwende stijl iets nederigs. Fontijn heeft grote eerbied voor literatuur en schrijvers en hij buigt er zich graag voor. Misschien wordt de criticus - als ik dat woord wat ruim mag gebruiken - soms net iets te veel gunsteling. Het kan zijn dat dit van invloed is geweest: Fontijn vermeldt enkele keren eigen pogingen tot schrijver worden, in zijn jonge jaren. Hij streeft het ideaal niet zonder fermheid na. Maar het mislukt; hij doorziet, heel scherpznning, eigen tekorten.

De auteur is nu verder gedoemd alleen lezer te zijn. Hij lijkt - en het afdrukken van de foto verleidt tot de vrijmoedigheid - de kleine jongen achter het heel grote boek gebleven. Met in zich overigens verschillende moeilijk te verzoenen figuren. Hij heeft Du Perron als zijn leermeester beschouwd (die schreef in een radicaal andere stijl dan Fontijn - directer, brutaler, beknopter ook); hij bewondert hem terecht nog.

Maar de grote ontdekking van zijn literaire leven moet die allergrootste, bijna klassieke beschouwer zijn geweest: Paul Valéry. Hij citeert hem herhaaldelijk, is door diens aforistische teksten duidelijk bekoord tot navolging, vertaalt diens Choses tues. Fontijn lijkt in Valéry's onuitputtelijke Cahiers verdwenen te zijn, als een der weinigen in Nederland, want lezers (en kenners) van dit dagboek van het denken zijn hier zeldzaam.

Kijk naar de vis was een vaak terugkerende opwekking of vermaning van Fontijns hoogleraar Nederlandse taalkunde, de beroemde, door Fontijn ook zeer bewonderde W.Gs. Hellinga. De woorden kwamen uit een tekst van Pound: een jonge bioloog krijgt ze als opdracht. Bij Hellinga geen fantasieën rond de tekst, geen vrije associaties. De lezer is een gerichte kijker. Fontijn is een goede leerling van zijn hoogleraar gebleven. Zijn precieze aandacht verraadt het.

Waar hij het minst confessioneel en het meest strikt literair en literair-historisch te werk gaat, is hij, dunkt mij, op zijn best. Het gaat dan ook meestal om uitvoerige stukken. Drie ervan staan bijeen in de afdeling 'Literatuur als religie'. Ze zijn alledrie uitstekend, waarbij ik een voorkeur heb voor het tweede en het derde essay: 'Het koninkrijk Gods is in mijn inkt en in mijn pen', 'Bataille en de mystiek in de Nederlandse literatuur' en 'Keerpunten in een leven'. Het essay met de lange titel introduceert Bataille, maar gaat over in de mystiek in de literatuur van rond 1890, die mystiek zonder god, maar uit op zelfvergoddelijking.

Het voorwerp van de mystiek is het innerlijk van de schrijver zelf of de erotiek (Gorter). Met name van Deyssel en Van Eeden krijgen prachtig gestalte. Fontijn is heel goed thuis in die verre mystieke wereld; hij zou er meer over moeten schrijven. Het keerpunten-essay beoogt het wendingspunt in autobiografieën aan te wijzen: de hoofdpersoon wordt na een diepgaande ervaring een ander. De keerpunten (door biografen overgenomen, door historici en literatuur-historici zelfs, politici ook) worden door Fontijn nauwkeurig en met lichte scepsis beschouwd. Een prachtig stuk.

De kleinere stukken hebben een column-achtig karakter (ze verschenen voor een deel in het boekenkatern van de Volkskrant). Het lezen is hier mede aanleiding tot persoonlijke bekentenissen. Die zijn heel ingetogen, maar soms toch, althans voor mij, lichtelijk beschamend. Ik word te direct en te weinig verborgen in iemands intieme leven betrokken. Het kleine essay 'Leren te sterven' is er een voorbeeld van. Na een inleidend stuk over Montaigne en Paul Léautaud (ook een favoriete auteur van Fontijn) schrijft hij:

'Jarenlang heb ik Montaignes uitspraak ''filosoferen is leren te sterven'' ter harte genomen. Tot mijn vaste lectuur, voor het slapen gaan, behoorden de geschriften van stoïcijnse filosofen als Diogenes, Plutarchus, Cicero, Seneca, Epictetus en Marcus Aurelius. De Pléiade-uitgave Les Stoiciens lag op mijn nachtkastje. Het lezen daarin maakte me, zeker in het begin, een beetje rustiger.'

Ik geloof dat het vooral de zo rustige, enigszins brave toon is, waarin alles wordt gezegd, die bij mij die lichte schaamte deed ontstaan. Tegen de stroom in zwemmend is een vis toch het boeiendst.

Tweede hoogtepunt van de bundel is de afdeling 'Paul Valéry'. Twee beschouwingen, die uitstekend zijn en veel scherpzinnige formuleringen kennen, en de vertaling van Choses tues, korte teksten, door Valéry uit zijn Cahiers gelicht; ze leveren harde kernen van waarheid over beeldende kunst, literatuur en levensverschijnselen. Uit wat Fontijn over de Cahiers schrijft, acht ik deze zinnen superieur:

'De definities en formuleringen in de Cahiers zijn te beschouwen als pogingen om de taalverwarring tegen te gaan door woorden en begrippen een nieuwe betekenis te geven. In dat opzicht zijn de Cahiers een poging een nieuw woordenboek te maken.'

Het gaat natuurlijk om de laatste zin, waarin meteen een nieuwe definitie van 'Cahiers' wordt gegeven: woordenboek!

Jan Fontijn: Kijk naar de vis - Notities, columns en essays van een lezer.
G.A. van Oorschot; 280 pagina's; euro 19,-.
ISBN 90 282 09972.

Meer over