Geboren leider of toegewijde dienaar?

Edward Kennedy koesterde een mateloze bewondering voor zijn twee oudere broers. Zijn schets van de verhoudingen binnen de familie Kennedy is het interessantste deel van zijn autobiografie....

Hoe motiveer je een zoon of dochter om carrière te maken? Er zijn vaders die het zo doen: ‘Je kunt een serieus of een niet serieus leven leiden, Teddy. Ik hou heus wel van je, welke keuze je ook maakt. Maar als je kiest voor een niet serieus leven, heb ik niet veel tijd meer voor je. Je mag zelf beslissen. Er zijn hier te veel kinderen die dingen doen die interessant voor me zijn om nog veel met jou te doen.’

De Teddy in dit citaat is Edward Kennedy, de senator uit Massachusetts die een kleine maand geleden overleed aan een hersentumor. De man die deze woorden uitsprak, is Joseph Kennedy, aartspatriarch van de Kennedy-clan, vader van John, Robert en Edward (en van Joe jr., Rosemary, Kathleen, Eunice, Pat en Jean).

Niet alle kinderen nemen een dergelijke boodschap in dank af, sommige hebben later zelfs een psychiatrisch consult nodig om ermee in het reine te komen. Niet aldus Edward Kennedy. In zijn memoires, die hij nog net voor zijn dood voltooide en die met haastige spoed zijn uitgebracht (de Nederlandse vertaling zo haastig dat de uitgever kennelijk geen spirituelere titel kon bedenken dan Het verhaal van mijn leven), betuigt hij keer op keer zijn liefde en achting voor zijn vader. Culminerend in het zinnetje waarmee hij zijn gemoedstoestand beschrijft wanneer de oude Kennedy in november 1969 wordt getroffen door een tweede beroerte, ditmaal een fatale. Edward is op dat moment 37 jaar oud, hij zit sinds 1962 in de Senaat, hij heeft zijn oudste zus verloren en heeft met de moordaanslagen op zijn broers John en Robert twee onnoemelijke drama’s beleefd, maar bij de dood van zijn vader ‘liet ik mijn tranen stromen en worstelde met gedachten die pijnlijker waren dan die bij alle vorige sterfgevallen’.

Hoewel er al het nodige is geschreven over de Kennedy’s en hun onderlinge verhoudingen, waarbij strikte loyaliteit en stevige wedijver hand in hand gingen, is het familiale aspect het boeiendste onderdeel van deze memoires, die verder geen politieke onthullingen van belang bevatten. Want Ted Kennedy plaatst niet alleen zijn vader op een voetstuk, hij maakt er ook geen geheim van dat hij zijn broers John en Robert (in de dagelijkse omgang: Jack en Bobby) adoreerde. In het bijzonder Jack, die zich veel om zijn jongste broer bekommerde. ‘Hij was bijna mijn tweede vader’, zo herinnert Ted zich hem uit zijn jeugd. Jack leerde hem zeilen, moedigde hem aan de politiek in te gaan. ‘Hij was mijn leidsman, beschermer, raadgever en boezemvriend.’

De band werd nauwelijks minder toen John Fitzgerald Kennedy in 1961 de 35ste president van de Verenigde Staten was geworden. ‘In de tijd van zijn verkiezing en de begindagen van zijn presidentschap was hij gelukkiger dan ik hem ooit had gezien. Jarenlang had hij voortdurend campagne gevoerd. Nu had hij eindelijk de kans om te doen wat hij het liefste deed: lezen en studeren en de ideeën en programma’s ten uitvoer brengen die hem zo na aan het hart lagen. Ik was samen met hem gelukkig, ik was gelukkig als ik bij hem was, voelde weer dat ontzag uit mijn jeugd als ik bij hem was.’

Die adoratie maakt helaas ook dat er in dit levensverhaal nauwelijks wordt ingegaan op de minder verheven ingrediënten van de Kennedy-sage. Uiteraard kan hij niet heen om zijn eigen Chappaquiddick-affaire: het nachtelijke auto-ongeluk dat aan Mary Jo Kopechne, een voormalige assistente van Bobby, het leven kostte en dat hij om dubieuze redenen pas vele uren later aan de politie meldde. Maar over de amoureuze escapades van Jack en Bobby rept hij met geen woord. De naam van Marilyn Monroe valt geen enkele keer.

Ook omzeilt de liefhebbende zoon de dubieuze kanten van zijn vaders publieke optreden in de jaren dertig en veertig: diens antisemitisme en bizar lang volgehouden poging – juist ook toen hij van 1938 tot 1940 Amerikaans ambassadeur in Groot-Brittannië was – om tot een vergelijk met Hitler-Duitsland te komen. Ted houdt het erop dat de oude Kennedy ‘hartstochtelijk wenste dat Amerika neutraal zou blijven, omdat hij geloofde dat Amerika noch Groot-Brittannië militair zou zijn opgewassen tegen de strijdkrachten van Hitler’. Dat de Duitse ambassadeur na gesprekken met Kennedy senior aan Berlijn meldde dat deze moest worden beschouwd als ‘Duitslands beste vriend in Londen’, komt in het verhaal niet voor.

De mateloze bewondering voor met name zijn twee succesvolle broers verklaart tevens waarom Edward Kennedy net die extra portie eigendunk miste die nodig is om een kansrijke gooi te doen naar het hoogste ambt van het land. Na de dood van Bobby in 1968 werd hij de vanzelfsprekende vaandeldrager van de Kennedy-clan. Velen verwachtten dat hij ook qua presidentiële ambitie in de voetsporen van zijn oudere broers zou treden. Maar Ted kon zich er aanvankelijk niet toe zetten. Deels omdat hij de klap van twee moordaanslagen nog niet te boven was, deels omdat hij de familie niet nogmaals wilde blootstellen aan een veiligheidsrisico.

Toen hij in 1980 dan toch de arena van de Democratische voorverkiezingen betrad als opponent van president Jimmy Carter, wilde de geestdrift almaar niet ontbranden. Chappaquiddick bleef Kennedy achtervolgen. Maar dat was bepaald niet de enige reden waarom zijn campagne geen vaart kreeg. Hij leverde geen overtuigend argumenten waarom de Democratische kiezers een partijgenoot moesten laten vallen ten gunste van hem, waarom het presidentschap zijn ware bestemming was. Ja, er was de hervorming van de gezondheidszorg (ook toen al een belangrijk thema), de opgelopen werkloosheid, de getroebleerde relatie met de Sovjet-Unie, allemaal kwesties waarover hij honorabele standpunten had. Maar hij miste een dwingende boodschap. Het leek wel of hij slechts in de race was omdat hij nu eenmaal de naam Kennedy droeg. En dus dolf hij het onderspit tegen de bepaald niet grootse Carter (die vervolgens werd verslagen door Ronald Reagan).

Al aan het begin van zijn memoires staat een ontboezeming die veelzeggend is over de plaats die Ted zichzelf toebedeelde in het ouderlijk huis en in het leven. ‘In een hardnekkig hoekje van mijn geest blijft Joseph P. Kennedy voor eeuwig en altijd mijn pa. Net zoals ik altijd het negende en jongste kind binnen het Kennedy-gezin zal blijven.’

Hier spreekt geen geboren leider, hier spreekt veeleer een toegewijde dienaar. Zo bezien heeft Edward Kennedy een bewonderenswaardige krachttoer geleverd door na de dood van zijn broers toch de rol van familiepatriarch op zich te nemen – en met overtuiging te vervullen. Zoals hij zich in de loop der jaren ook ontwikkelde tot een formidabele kracht in de Amerikaanse Senaat, die enorm veel sociale wetgeving pousseerde en bijzonder bedreven bleek in het wheelen en dealen (ook met conservatieve Republikeinen) dat de sleutel tot succes vormt in deze unieke politieke institutie, die soms wel lijkt te bestaan uit 100 vorstendommen.

Na het familieverhaal vormen de herinneringen aan zijn wederwaardigheden in de Senaat en zijn contacten met diverse kleurrijke collega-senatoren het interessantste onderdeel van Kennedy’s memoires. Er komt een man uit naar voren die demonstreert dat ‘we zelfs onze vreselijkste tragedies kunnen overwinnen’, zoals zoon Ted jr. bij de begrafenis zei. Een man ook die de woorden van zijn vader ter harte heeft genomen en een serieus leven heeft geleid.

Meer over