Gauguins paradijs bestaat nog

Op initiatief van kunsthandelaar Paul van der Spek ging schilder Jurriaan van Hall (37) eind vorig jaar naar Frans Polynesië om er vijf weken lang te wonen en te werken in de geest van Paul Gauguin....

tekst Bob Witman

Hij arriveerde op Hiva Oa op Allerzielen, de dag waarop aan die kant van de wereld de levenden de gestorvenen gezelschap houden. De begraafplaats was vol kakelende en picknickende Tahitianen, een uitgelezen dag om het graf van de schilder te bezoeken. 'Er lagen verse bloemen op zijn graf. Dat verbaasde me.' Paul Gauguin is immers al een eeuw dood.

Jurriaan van Hall had een grijs keitje in zijn broekzak, waarop hij een zonnetje had geschilderd en de naam Aad Donker. Hij legt het op het graf, als eerbetoon aan zijn schildersvriend die precies een jaar eerder zelfmoord pleegde. 'Hij was net zo'n avontuurlijke, wilde en goede schilder als Gauguin', schrijft Van Hall later in zijn dagboek.

Verderop ligt Jacques Brel begraven, de tweede beroemde dode op dit afgelegen eiland in de Stille Zuidzee. Er knielt een Tahitiaanse vrouw naast de steen, de vrouw die de laatste drie jaar van zijn leven met hem heeft gedeeld. Een week eerder is het portret van Brel en zijn 'weduwe' van het graf gerukt door de Franse dochter van Brel, krijgt Van Hall via een tolk te horen. Want de dochter van Brel wil de weduwe niet kennen, ze wil van Hiva Oa een bedevaartplaats maken voor Brel-fans, met een Brel-hotel en een Brel-védère. Maar dat is niet de reden dat Jacques Brel (overleden in 1978) dit eiland heeft gekozen om te sterven, zeggen de bewoners.

Oa is bijna een paradijs.

Als het schemert op de dodenakker, gaat het geroezemoes over in een na saal soort gezang. Kaarsen worden ontstoken, een priester verheft zijn stem en tegelijk beginnen de wilde honden in de jungle te huilen. Can you feel the spirits had een Amerikaanse kunstenares die hij op doorreis ontmoette, hem geschreven. Ja. Op dat moment stond het kippenvel hem op de armen.

Een half jaar eerder ging bij Van Hall de telefoon. Het was kunsthandelaar Paul van der Spek, die hij alleen van naam kende. Jij moet maar eens naar Tahiti, zei Van der Spek, om te schilderen. Hij had net een expositie van Van Hall gezien en was getroffen door de associatie met de schilderijen van Paul Gauguin (1847-1903). 'Zoals jij de huid schildert. Dat is als de huid van Gau guins Tahitianen, zo stralend, het licht dat erin zit, zo briljant.'

Op die manier had Van Hall nooit naar Gauguin gekeken. Maar toen hij het schilderij Et l'or de leurs corps (1901), het goud van hun lichamen, onder ogen kreeg, begreep hij precies wat Van der Spek had gezien. Twee bronzen blote Tahitiaanse meisjes, tegen het onwaarschijnlijke groen van de jungle, het rood van de mangobloesem. 'Ik gebruik mijn verf anders, ik schilder de huid met veel geel en oranje tegen een knalblauwe achtergrond. Dat brandt, dat knettert.' Maar het effect is hetzelfde, moet Van Hall toegeven, de lichamen springen van het schilderij af.

Eind oktober zat Van Hall in het vliegtuig naar Papeete, de hoofdstad van Tahiti, waar een Gauguin Museum is ingericht met wat curiosa van de schilder en een nagebouwd 'Maison de jouir', het huis van plezier zoals hij zijn atelier op Hiva Oa noemde. Van der Spek had twee dingen voor Van Hall geregeld. Het werk dat hij op Tahiti zou maken, wordt geëxposeerd in het Gauguin Museum in Papeete. En de kunsthandelaar financierde de reis door op voorhand een reeks 'Tahiti'-schilderijen van Van Hall te kopen.

Die regeling heeft een sterke analogie met de wijze waarop armoedzaaier Gauguin zijn verblijf op Tahiti bekostigde, hoewel Van Hall dat waarschijnlijk niet heeft beseft. Van der Spek ongetwijfeld wel, als kenner van het werk en leven van Gauguin. De Franse schilder verkocht bij leven net zo belazerd als zijn vriend Vincent van Gogh en werd tijdens zijn laatste levensjaren onderhouden door de illustere Parijse kunsthandelaar André Vollard. Die betaalde ongezien voor elk werk dat Gauguin op Tahiti maakte driehonderd frank.

Van Hall pakte zeventien meter doek, vijftien grote tubes olieverf, een veldschilderspakket, aquarelsetje en nog meer spul in zijn koffer. Veertig kilo schildersmateriaal in totaal, dat zoek bleek toen hij landde in Papeete. Iemand stak een bloem achter zijn oor, er speelde een orkestje alohamuziek, maar Jurriaan van Hall stond te vloeken en te tieren in de aankomsthal. 'Als pleister op de wonde krijg je van Air France een tas met noodvoorzieningen', schrijft hij in zijn dagboek. 'Met een T-shirt en een condoom erin!'

Gauguin is twee keer naar Tahiti gegaan, de eerste keer van 1891-1893. De tweede keer van 1895 tot aan zijn dood op 8 mei 1903. Hij koesterde een sterk geloof in de primitieve mens en zijn band met de natuur, zoals meer romantici die rond de vorige eeuwwisseling het geïndustrialiseerde Europa ontvluchtten. 'Vaarwel gastvrij land, heerlijk land, land van vrijheid en schoonheid. (...) Ja, de wilden, deze onwetenden hebben de oude cultuurmens veel geleerd en de kunst bijgebracht om gelukkig te zijn', schrijft Gauguin als hij in 1893 terugkeert naar Parijs.

Vooraf had Van Hall zich maar mondjesmaat in Gauguin verdiept. 'Niet alleen om geen minderwaardigheidscomplex te krijgen.' (Grijns). 'Maar ook om mijn hoofd niet vol te stoppen met die man. Ik ben geen Gauguin en ik wil het niet worden. Maar ik was ontroerd over de wijze waarop hij over die bewoners en het paradijs Tahiti sprak. En ik werd geraakt door de liefdevolle manier waar op hij die mensen heeft geschilderd. Je kunt zien dat hij houdt van hun anatomie, die knokige lichamen, brede voeten en die gelukkige lach.'

Van Papeete vliegt Van Hall naar zijn einddoel, Atuona, een dorpje op Hiva Oa, een van de eilanden van de afgelegen eilandengroep Marquises, in het noordelijkste deel van Frans Polynesië. Daar sleet de door syfilis en hartziektes geplaagde Gauguin de laatste drie jaar van zijn leven. ''s Avonds voor het eerst gegeten met de andere gasten van Pension Gaby', schrijft Van Hall. 'Een Duitse barman die vloeiend Tahitiaans spreekt en een litteken heeft van zijn navel tot zijn keel. ''Operatie?'', vraag ik. ''Hara kiri'', zegt hij. En er is een groep Amerikaanse insectologen. Voor hen is dit eiland met zijn gesloten ecosysteem echt een paradijs. Ze hebben al vier nieuwe soorten waterinsecten ontdekt. ''You know'', fluistert er eentje ''we have many waterstriders with names that end with -bates, halobates, hermatobates, metrobates, no masturbates, not yet.'' '

Van Hall krijgt een klein bamboehutje waar hij de komende zes weken als een razende schildert, terwijl het halve dorp over zijn schouder koekeloert. In het begin zijn zijn modellen het kind van de pensionhouder, of zijn vrouw. Later komen ook nieuwsgierige Tahitiaanse meisjes in zijn atelier. Hij schildert vissers met hun markante koppen, een houtsnijder en een beeldhouwer. Af en toe gaat hij naar het dorp, schudt een mango uit de boom of loopt langs de enige winkel, waar na vijven de mannen van het dorp Heineken drinken en Bison shag roken. 'Als ik voortaan moet uitleggen waar Nederland ligt, zeg ik, dat is het land waar bier en shag vandaan komt', noteert hij. Die ene winkel, dat is dezelfde waar een eeuw geleden Gauguin zijn drank kocht. De oude rekeningen zijn bewaard gebleven. 'Gauguin bestelde hier maandelijks vijftig manden wijn, 250 liter. Pfft.'

Afgezien van het graf en de wijnrekeningen, stuitte Van Hall nog op een andere verwijzing naar Gauguin.

'''Ga je naar de Marquises, o, de Gau guines zullen je verkrachten'', zei een Fransman tegen me in Papeete', schrijft Van Hall. Gauguines, de lokale, piepjonge meisjes van Tahiti die de schilder naar zijn atelier haalde. En niet alleen om ze te schilderen, getuigen de vele zedenzaken die de Franse gerechtsdienaren tegen hem aanspanden.

Gauguin maakte om nog veel meer dingen ruzie met de Franse autoriteiten. Als een Franse Max Havelaar hekelde hij de arrogante koloniale gemeenschap, die de autochtonen als wilden behandelde. Hij spuugde op de kerk, die de inlandse rituelen verbood, ze kleren aantrok en een verbod op tatoeages afkondigde. 'Het cynische is', zegt Van Hall, 'dat ze nu alleen met Westerse hulp hun cultuur kunnen terugvinden. Lokale beeldhouwers werken hier met het boek van een Duitse antropoloog die aan het begin van de eeuw alle symbolen, motieven en tatoeages secuur heeft opgetekend.'

Die primitieve vormentaal raakte een snaar bij Van Hall. 'Voordat ik wegging, bedacht ik me: Dit is de eenentwintigste eeuw en ik werk nog met zoiets primitiefs als olieverf. Wat nou, je scant een foto in een computer, drukt op de knop olieverf en je krijgt je foto in olieverf. Ik realiseerde me dat ik, de schilder, eigenlijk geen moderne kunst meer maak. Het is primitieve kunst. Maar het is tastbaar, het is echt. In ruil voor een portret wat ik daar schilderde van een houtsnijder, of een kind, kreeg ik een handgesneden fruitschaal of een bewerkte zwijnentand. Ik kan daar overleven dacht ik, en ik hoef niemand anders te zijn dan mezelf, daar aan de andere kant van de wereld. Dat was een prettige gedachte.'

Gauguins fascinatie voor primitieve kunst zou later gedeeld worden door de kubisten, zoals Picasso in de jaren twintig. Gauguin was een voorloper, maar kreeg geen erkenning. Althans, een dag of wat voor hij stierf kreeg hij een brief van een vriend uit Parijs: 'Tegenwoordig bent u de ongelooflijke, fantastische kunstenaar die midden uit de Stille Oceaan zijn verwarrende maar onnavolgbare werken zendt, scheppingen van een groot man, zogezegd, die niet meer van deze wereld lijkt te zijn. u geniet de onschendbaarheid van de onsterfelijke dode, u bent opgenomen in de kunstgeschiedenis.'

En nu een eeuw na Gauguin, is Hiva Oa het bewijs, vindt Van Hall, dat het leven niet helemaal doorgedigitaliseerd geleefd hoeft te zijn. 'De kunst is te leven met de dingen die er zijn. Ik loop over het strand. De golven maken ribbels in het zand, het zonlicht schittert in het water. Als je je ogen half dichtknijpt, zie je vlekken, puntjes, het is een soort virtual reality. Dat is dezelfde beleving als wanneer je op een pilletje staat te dansen met zo'n woeste videowall voor je ogen. Het leven is van zichzelf al heel compleet, de mens is al heel compleet, hij onderschat zijn eigen verbeeldingskracht. Ik citeer Emo Verkerk: ik kijk liever naar een glas water dan naar tv.'

Uiteindelijk maakte Van Hall zeventien olieverven in Atuona in zijn atelier/bamboehut. Op een dag stapt een corpulente vrouw van midden veertig binnen om geschilderd te worden. 'Zij is de achterkleindochter van Gauguin en nu begrijp ik ook waar die verse bloemen van het graf vandaan kwamen', schrijft hij in zijn dagboek. 'Ze heeft blauwe ogen, en als je haar en profiel bekijkt valt op dat ze hetzelfde haar heeft als haar overgrootvader.'

Gauguin kreeg op 8 mei 1903 twee keer een hartaanval in zijn maison de jouir. Hij liet de pastoor roepen, die kwam, en de schilder stierf even later. 'De pastoor schrijft op: "Gauguin is dood", roepen de dorpelingen, "Wij zijn verloren."'

'De computer kan alles wat de mens kan en beter, maar niets is vergelijkbaar met de creatieve kracht die vanuit de ziel via de hand op het doek stroomt', zegt Van Hall. 'Soyez mysterieux', staat op het atelier van Gauguin. Blijf mysterieus. Dat is het.

Meer over