Frankrijk in oorlog, 1870-1962

De Franse kunst van het verliezen

Sommer Martin

Duitsland heeft de naam, maar het land dat met bloed en ijzer werd gemaakt, is natuurlijk Frankrijk. Geen Europese oorlog sinds de nieuwe tijd, of de Fransen deden mee. De gestage uitbreiding van Frankrijk - eerst de staat, toen de natie - werd voor een flink deel op de blanke sabel uitgevochten. Tot vandaag kan geen toerist of Fransman om het militaire verleden heen: elk dorp zijn monument aux morts, Parijs zijn Arc de Triomphe en parade-avenues - het martiale heeft Frankrijk in hoge mate gemaakt tot wat het is.

L'armée est la grande patronne/ Qui nous baptème tous français (de krijgsmacht is de grote meesteres, die ons allen tot Fransen doopt), dichtte Paul Déroulède kort na de verpletterende nederlaag van 1870. Want wie de Franse ziel wil peilen, moet naast de krijgsgeschiedenis vooral ook de kunst van het oorlogen verliezen in de diagnose betrekken.

H.L. Wesseling bespreekt in Frankrijk in oorlog, 1870-1962 een kleine eeuw Frans vechten. De hoofdmoot zijn de drie grote oorlogen met Duitsland - de beschamende opmaat in 1870, nadat keizer Napoleon III zich bij Sedan als een sukkel gevangen had laten nemen. Dan de Eerste Wereldoorlog, die voor Frankrijk echt de 'Grote Oorlog' was: in de eerste vijf maanden vielen er meer Franse militaire slachtoffers (150 duizend) dan gedurende de hele Tweede Wereldoorlog, die voor Frankrijk inderdaad meer van een eindspel had. Maarschalk Foch had in 1919 al met grote precisie voorspeld dat Versailles geen vrede was maar een wapenstilstand die het twintig jaar zou uithouden. En dan zijn er de koloniale oorlogen, in Vietnam en Algerije, die ook al niet vrolijk afliepen voor de Fransen.

Die eeuw van Frans-Duits wapengekletter ging in essentie om de hegemonie in Europa. En steeds trok Frankrijk in militair opzicht aan het kortste eind. Maarschalk Pétain mopperde aan de vooravond van 1940 wel dat Frankrijk de mindere van Duitsland was als gevolg van te weinig mannen en kanonnen, maar Wesseling helpt dat nog altijd vigerende sprookje overtuigend de wereld uit.

Het Franse falen moet in alle drie de oorlogen in strategie, tactiek en moreel worden gezocht. In 1870 stelde de keizer zich aan het hoofd van zijn troepen, die als gevolg van een zeer omslachtig mobilisatiesysteem maar nauwelijks op orde waren. 'Hij leed ondraaglijke pijn aan een steen in zijn blaas, was vrijwel incontinent en kon nauwelijks een paard bestijgen.' Een groot aanvoerder was hij kortom niet, en binnen een maand waren de Fransen verslagen en nam Napoleon zijn intrek in een Duits paleisje. 1870 - Het verlies van Elzas-Lotharingen - was een ongelooflijke klap voor het Franse zelfbeeld. Zola beschreef de geestelijke ontreddering dertig jaar later in de roman La débâcle, waarin Duitsland met zijn discipline, wetenschap en organisatie werd gecontrasteerd met een verzwakt en achterlijk Frankrijk.

1914 Was op het randje. Frankrijk bleef overeind bij de slag aan de Marne, die niet zozeer een Franse overwinning was als wel het gevolg van een Duitse blunder - terwijl de deur naar Parijs wijd open stond, besloot generaal Von Moltke af te buigen. En tot slot is er de 'merkwaardige nederlaag' van 1940 - men spreekt van de 'étrange défaite'. Frankrijk werd in zes weken opgerold door Duitse tanks die achter de Maginot-linie langstrokken. Tel daarbij de collaboratie van Vichy op, plus het feit dat beide wereldoorlogen alleen dankzij de Amerikanen konden worden gewonnen - hetgeen in Frankrijk nog altijd niet dan schoorvoetend wordt erkend - en het wordt begrijpelijk waarom tot vandaag met zoveel ijver op het internationale toneel het aambeeld van de Franse 'grandeur' moet worden bewerkt.

Zo tobberig leest het allemaal niet in het boek van Wesseling. Integendeel. De Leidse emeritus-hoogleraar algemene geschiedenis, groot Frankrijk-kenner en -liefhebber, in het bezit van een wijnkelder die een zekere faam geniet, schrijft met een anekdotische zwier die eerder Brits dan Frans aandoet. Geen long

ue durée-structuren waar Franse historici meestal dol op zijn. Wesseling is van de school waarin de lengte van de neus van De Gaulle er wel degelijk toe doet.

Geen noodzakelijke historische krachten, maar toeval, slechte humeuren, grote en bij Wesseling vaker kleinzielige mannen maken de geschiedenis. War makes rattling good history, luidt het motto van het boek naar Thomas Hardy, en inderdaad, geregeld moet de historicus zelf schuddebuikend van het lachen achter zijn anekdotentrommel hebben gezeten.

Over de Vietnamese communistenleider Ho Tsji Minh weet hij dat die in zijn jeugd stage had gelopen bij de beroemde Franse kok Escoffier, die vond dat Ho talent had en chef in de keuken moest worden in plaats van rebellenleider. Later kreeg dezelfde Ho een trui voor de koude nachten in de guerrillaoorlog, die door de vrouw van Zhou Enlai, tweede man na Mao, was gebreid.

Het knappe van Wesseling is dat zijn lichte toets nooit het zicht ontneemt op de ernst van de zaak, de koloniale veroveringen bijvoorbeeld die moesten goedmaken wat in 1870 in het moederland was misgegaan. In het Verre Oosten werd de aanvalsdoctrine bedacht die de Fransen in de Eerste Wereldoorlog parten zou spelen. Het offensive à outrance - aanvallen tot het uiterste - was de militaire pendant van de filosofie van de wil - populair gezegd: als je maar wilt, dan lukt het. Terwijl de Duitse mitrailleurs de Franse recruten als dominostenen van de rand van de loopgraaf knalden, waren de generaals nauwelijks te vermurwen. Foch vond: 'En stratégie comme en tactique, on attaque.' Mangin: 'Faire la guerre, c'est attaquer.'

De generale staf zat dan ook nogal eens ver van het front in een fraai kasteel de oorlog te dirigeren, nu en dan zonder telefoon, en opperbevelhebber Joffre mocht tijdens de lunch beslist niet worden gestoord. Die lunch werd, weet Wesseling uit de stukken op te diepen, dagelijks precies om twaalf uur genuttigd. Joffre stond bekend als een stevige eter, hij werkte zonder moeite in zijn eentje een hele kip weg.

Franse generaals waren meesters in het uitvechten van de vorige oorlog. In 1870 waren ze te afwachtend geweest, luidde de communis opinio, en dus werd er in 1914 woest aangevallen. Pas Pétain kon met een defensieve strategie bij Verdun overtuigend een eind aan dat leerstuk maken, hetgeen zijn ongeëvenaarde populariteit tot diep in de Tweede Wereldoorlog verklaarde. Zodoende werd die oorlog voorbereid met de betonnen onverzettelijkheid van de Maginotlinie. Bij de Ardennen was volgens Pétain geen verdedigingslinie nodig, omdat die 'ondoordringbaar' waren. Precies daar, bij het toch al traumatisch klinkende Sedan, braken de tanks van generaal Von Kleist door de Franse linies en werd de oorlog beslist.

Uiteindelijk bracht de Koude Oorlog Frankrijk in een vrij aangename positie. Erfvijand Duitsland was in tweeën gesplitst - De Gaulle bleef de DDR hardnekkig 'la Prusse et la Saxe' noemen - en moest de eerste Russische klappen opvangen. Frankrijk had zijn force de frappe, met Amerikaanse rugdekking, en kon de leiding nemen in Europa.

Geen wonder dat Frankrijk het land is dat sinds de val van de Muur het meest onthand is geraakt. Duitsland is numeriek weer ver in de meerderheid, het atoomwapen is vrijwel waardeloos, en de Franse positie in Europa is verkruimeld. 'Vandaar ook', eindigt Wesseling zijn boek, 'dat president Chirac nog begin 2006, staande naast een Franse atoomonderzeeër in de marinebasis Brest, een toespraak hield waarin hij verklaarde dat de Franse force de frappe van betekenis bleef als middel ter afschrikking van landen die Frankrijk zouden bedreigen.' Het is waar, die toespraak van Chirac veroorzaakte een rimpeling, maar niet verder dan de haven van Brest. Daar verraadt zich de ware francofiel in Wesseling, die royaal genoeg is om de Fransen hun eigen verwerking van het verlies te gunnen.

Meer over