Fraai verwoorde sores

Met grimmige humor legde Doeschka Meijsing haar leven vast. Een gedroomde loopbaan, maar 'in mij hangt een voortdurend huiltje'.

Arjan Peters
null Beeld x
Beeld x

Misschien word ik een schrijfstertje, noteert Doeschka Meijsing op 10 juni 1969 in haar dagboek. De 21-jarige studente Nederlands heeft net te horen gekregen dat binnen enkele maanden een kort verhaal van haar hand geplaatst zal worden in het tijdschrift Podium. 'Natuurlijk word je niet gelukkig van schrijven, maar misschien vervult het iets.'

Twijfels

Een 'schrijfstertje', en 'iets': ook op een van de belangrijkste momenten in haar carrière, want debuteren doe je maar één keer, zet Meijsing de rem op haar blijdschap. Dat zegt veel over de auteur die werd geboren als Marjan Meijsing en die thuis de koosnaam Doeschka kreeg, die haar ouders hadden geleend uit een roman van Den Doolaard. Ze volgde het gymnasium in Haarlem, ging studeren en lesgeven in Amsterdam, begon te publiceren en werd redacteur bij de prestigieuze boekenbijlage van Vrij Nederland. Een loopbaan als een gespreid bedje.

Maar uit haar dagboek spreekt een ander verhaal. Twijfels en worstelingen, over het schrijverschap 'en liefde in mindere mate', de pijlers van haar leven, nemen daarin een veel belangrijker plaats in dan gevoelens van trots en geluk. 'Ik ben iemand die volkomen op het randje leeft', heet het op 6 april 1963, 'ik heb de gave uit te blinken in toneel, schrijven en lezen. Maar ik haal het net niet en dat is veel erger dan gewoon te zijn.'

Nadat Doeschka Meijsing in 2012 onverwacht op 64-jarige leeftijd was gestorven, is besloten tot een tweedelige uitgave van een selectie uit haar dagboeken die ze bijhield vanaf haar 14de jaar, en die over 36 cahiers verspreid waren. Het eerste deel, En liefde in mindere mate, bevat notities uit de jaren 1961-1987, die door de bezorgers Ben Peperkamp en Annette Portegies zijn voorzien van ruim 1.200 noten die bijna de helft van de boekuitgave beslaan.

In de zomer van 1969 beschrijft Doeschka hoe warm het was in Haarlem, en noemt het helgeel glanzende poffertjeshuis 'Victor Consael opgericht in 1850'. Noot: die poffertjeskraam op het Houtplein (op de hoek van de Dreef en de Wagenweg) was een begrip in Haarlem. De houten kraam werd in 1979 afgebroken.

Is zo'n noot noodzakelijk? Nee. Ik zou hem niet gemist hebben. Word je er toch blij van? Ja, door de zorgvuldigheid van de mededeling, die zelfs van allerlei kan oproepen, zoals deze lezer merkte, toen hij terugdacht aan zijn Haarlemse grootouders die hem in een ver verleden als kind naar voornoemde kraam hebben meegevoerd.

Melancholie

Kenmerkend vervolg van de dagboekaantekening: 'Zo mooi is de zomer, maar in mij hangt een voortdurend huiltje; misschien wel omdát alles zo mooi is en omdat ik meer wil doen dan het allemaal zien.' Ze wilde het bewaren, beschrijven, opdat het niet wegglipte. 'All the scents of the summer, dat zinnetje uit Brideshead dat me niet meer loslaat'. Bijna veertig jaar later zou Meijsing haar rijtje met favoriete boeken aan de Volkskrant opgeven. Op de eerste plaats prijkte toen immer nog Brideshead Revisited (1945) van Evelyn Waugh. Meijsing: 'Elke zomer opnieuw gelezen. Over het hele verhaal hangt de droevige vertellersstem: voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij.'

Die melancholie was geen artistieke franje, maar een diepgevoelde vergeefsheid. In deze dagboeken uit een kwarteeuw is Doeschka nogal eens verliefd, vaak op getrouwde mannen (onder wie de oude essayist Rudy Kousbroek, die het in 1983 ook van haar ineens te pakken had) en op vrouwen. Met de vertaalster Gerda Meijerink ('ze is groot en heuploos en lijkt op een jonge ritmeester') leeft ze elf jaar samen, tenminste als ze geen ruzie hebben en weer even uit elkaar moeten.

Bakvis

Ze drinkt te veel, ze vraagt zich af: 'Waar eindigt mijn ongeluk?', ze breekt met haar moeder en staat vroeg of laat telkens weer alleen. Doeschka Meijsing werd geen schrijfstertje maar een gerespecteerd schrijfster en critica, die haar leermeesters Nabokov, Borges en Vestdijk steeds meer durfde los te laten, en haar grimmige humor steeds meer durfde toe te laten. Desondanks was ze niet te benijden, afgaande op deze dagboeknotities waarin het levensgrote zorgen en kwellende vragen regent. Zelfs in aanmerking genomen dat een dagboek doorgaans vaker wordt bijgehouden in moeilijke perioden dan in rimpelloze, is de onvervuldheid van de jonge Meijsing opvallend; die staat overigens in contrast met de afgewogen alinea's waarin ze die weergeeft. Als tiener al formuleert ze haar aantekeningen fraai en zuiver. Zeker, ook Doeschka Meijsing is een bakvis geweest, maar dan een die haar eigen situatie en sores met literaire vormkracht verwoordde.

Als ze in 1976 opmerkt van Sylvia Plath zowel de fictie te lezen als de brieven en dagboeken, vullen de bezorgers die notitie aan met een citaat uit een recensie die Meijsing in 1978 voor Vrij Nederland schreef. Plath zocht haast hysterisch naar de Absolute Liefde, aldus Meijsing, en stikte bijna 'in de ambitie een groot schrijver of dichter te worden, een ambitie even groot als haar angst dat nooit te bereiken'. Een recensie kan ook een verkapt zelfportret zijn, suggereert deze noot, die de wens oproept dat er behalve een tweede dagboekdeel ook nog een keuze uit haar beschouwingen zal volgen.

Een ander pluspunt van het overvloedige notenapparaat: broer Geerten neemt er een groot aantal voor zijn rekening, punctueel en zwierig, waardoor een biografie overbodig is geworden. Geerten verheldert onder meer veel over de Haarlemse jeugd, de ondergrond van twee oeuvres die even samen zouden komen in de dubbelroman van broer en zus, Moord & Doodslag (2005).

Ze leken niet op elkaar, vonden ze zelf. Maar Geerten schreef in zijn deel van die roman: ''t Is liefde of schrijven, maar samen gaat het niet.' En wat schreef Doeschka op 22 januari 1967 in haar dagboek? 'Liefde en schrijven, maar ik kan het niet beide hebben.'

null Beeld x
Beeld x
Meer over