InterviewWillem Diepraam

Fotograaf Willem Diepraam in het Rijksmuseum: ‘Het is mooi dat het er allemaal hangt. Het is een goed moment’

In 1985 trok fotograaf en verzamelaar Willem Diepraam zich terug uit de publiciteit. Aan de vooravond van de tentoonstelling van zijn werk in het Rijksmuseum geeft hij voor het eerst weer een persoonlijk interview – en verklaart hij die lange stilte.

Mali, jonge vrouw, 1980, Willem Diepraam.Beeld Collectie Willem Diepraam/Rijksmuseum Amsterdam.

Nadat hij voor het eerst in zijn eigen tentoonstelling had rondgelopen – de laatste foto’s werden net ophangen – besloot Willem Diepraam nog even in het Rijksmuseum te blijven. Het was vroeg in de middag, hij ging koffie drinken. De volgende dag vertelt de 76-jarige fotograaf dat hij in het museumcafé een beetje heeft zitten staren. ‘Ik had een weemoedig gevoel. Dit is toch een eindpunt, al maak ik misschien nog een boek.’ Lachend onthult hij wat hij na de koffie heeft besteld: ‘Een stevig glas rum.’

Het is een bijzonder moment, niet alleen vanwege de levensfase waarin hij verkeert. In 2011 besloot hij zijn foto’s te schenken aan het Rijksmuseum in Amsterdam. Het kostte hem jaren om een selectie te maken. Nu is het resultaat eindelijk te zien. Bovendien geeft hij voor het eerst in 35 jaar een persoonlijk interview.

Om tal van redenen, waaronder rampspoed in zijn gezin, had hij in 1985 besloten alleen nog kort commentaar te geven als gebeurtenissen dat eisten – de schenking van zijn foto’s bijvoorbeeld. De stilte beviel hem uitstekend. ‘Maar met deze tentoonstelling en de overdracht van mijn werk is het logisch om toch terug te kijken.’

Santa Rosa, Curaçao, 1977, Willem Diepraam.Beeld Collectie Willem Diepraam/Rijksmuseum Amsterdam.

In zijn studententijd raakte hij bevangen door de camera. Dankzij journalist Gerard van Westerloo, die hij in 1967 leerde kennen, ging hij foto’s maken voor een studentenblad, alras gevolgd door Vrij Nederland. Diepraam produceerde zulk goed werk dat hij uitgroeide tot hét voorbeeld van een geëngageerde fotograaf.

Hoogtepunt waren de reportages die hij in 1975 met Van Westerloo maakte in Suriname. Drie maanden woonden de twee met hun gezin in het land dat later dat jaar onafhankelijk zou worden. Er kwam een boek uit voort, Frimangron, maar de samenwerking bracht ook een waterscheiding aan het licht. Diepraam voelde dat de journalistiek zijn fotografie beperkte, legt hij aan de keukentafel in zijn Amsterdamse huis uit. ‘Ik ergerde me ook aan de zelfoverschatting van journalisten, inclusief mezelf, dat ze met hun werk grote invloed hebben op de wereld. Dat is een misvatting.’

Villa El Salvador, Lima, 1988, Willem Diepraam.Beeld Collectie Willem Diepraam/Rijksmuseum Amsterdam.

Twee jaar eerder had hij een tentoonstelling gehad in het Van Abbemuseum in Eindhoven. Zijn werk was daar opgehangen naast de beroemde portretten die de Duitse fotograaf August Sander (1876-1964) maakte van gewone mensen. De kwaliteit daarvan had hem aan het denken gezet. 

‘Vanaf het begin van de jaren zeventig was ik aan het worstelen om goede foto’s te maken. Ik was wereldberoemd in Amsterdam, maar ik had zelf helemaal niet het idee dat mijn werk zo bijzonder was. Ik voelde me onzeker. Toen ben ik fanatiek gaan struinen in de geschiedenis van de fotografie. Ik wilde weten welke kwaliteit ik vertegenwoordigde.’

Hij verzamelde een vracht fotoboeken en foto’s – toen nog te koop voor een appel en een ei. De zoektocht bracht rust. ‘Toen ik eenmaal wist waar ik zelf uithing, bleek dat goed genoeg te zijn om me niet te hoeven generen.’ De ‘studietijd’, zoals hij die periode noemt, leidde tot een grotere fascinatie met vorm. De redactie van Vrij Nederland bood hem daar gelukkig ruimte voor.

Schilderswijk, 1972, Willem Diepraam.Beeld Collectie Willem Diepraam/Rijksmuseum Amsterdam.

Er was nog een cesuur, eentje die zijn wereld liet stilstaan. In 1977 kwamen zijn vrouw en hun twee zoontjes om bij de vliegtuigramp op Tenerife, samen met 580 andere mensen. Diepraam was in Nederland met zijn schoolgaande dochter. Het verlies versterkte, denkt hij nu, de richting die zijn werk opging. ‘Ik zag toen natuurlijk zelf nog niet hoe het mijn leven zou beïnvloeden. Ik was een flink aantal jaren de weg kwijt.’

Hij bleef werken – het uitgekeerde verzekeringsgeld gaf hem bewegingsruimte. Hij reisde naar Senegal, Mali en Burkino Faso, landen met steeds terugkerende hongersnood. In 1982 publiceerde hij Sahel. Van het fotoboek gingen 12 duizend exemplaren over de toonbank, een oplage die nu niet meer denkbaar is.

Diepraam toonde in Sahel niet alleen het leed, maar ook, ‘uit irritatie over de stereotiepe berichtgeving over Afrika’, zaken als familiegeluk. ‘Het boek kwam op een goed moment in mijn leven. Door naar Afrika te gaan...’ Opeens kan hij even geen woord meer uitbrengen. ‘Door naar Afrika te gaan en te merken dat het sterftepercentage van de kinderen daar precies gelijk is aan het jouwe. Dat was troostend.’

Na een pauze licht hij zijn ontboezeming toe. ‘Meer dan de helft van de kinderen in Senegal stierf voor hun 5de jaar. Dat relativeert je eigen leed. Je realiseert je hoe weinig greep je op je leven hebt. Er is geen rechtvaardigheid. Er is een koud universum waartegen je geen verweer hebt.’

Journalisten wilden hem interviewen over de verwerking van zijn verlies. ‘Ischa Meijer stond hier drie keer op de stoep.’ Maar hij kon er niet over praten. ‘Het was bedreigend, omdat ik met die vragen niet kon omgaan. En het was ook niet uit te leggen aan anderen wat ik meemaakte.’ Daarom besloot hij zich in 1985 terug te trekken.

Dat jaar gebeurde er ook iets anders. Diepraam was blijven verzamelen en had zich ontwikkeld tot een kenner. Hij werd door de toenmalige Rijksdienst Beeldende Kunst gevraagd een oordeel te geven over de 65 duizend foto’s die bijeen waren gebracht door advocaat Bert Hartkamp; minister Elco Brinkman van Cultuur wilde die aankopen om gaten in de nationale fotocollectie op te vullen.

Hartkamp vroeg 3 miljoen gulden (1,36 miljoen euro). In Diepraams ogen was dat veel te veel: de advocaat had als een bezetene verzameld, maar weinig was van hoge kwaliteit. ‘Ik rapporteerde dat het nog geen miljoen waard was, maar dat het wel moest worden gekocht. Ik had zeven jaar eerder de toenmalige minister van Cultuur opgeroepen om voor 5 miljoen gulden werk van grote buitenlandse fotografen aan te kopen. Dat voorstel was in het grindpad vastgelopen. Nu was een opvolger bereid wel geld voor fotografie uit te trekken.’

Een week na Diepraams advies kocht Brinkman de collectie voor de vraagprijs, 3 miljoen. ‘Hartkamp had de pers wijsgemaakt dat buitenlandse musea achter zijn collectie aan zaten.’

De advisering had een onverwacht gevolg: de staat verwierf een paar weken later voor 1,69 miljoen gulden (767 duizend euro) ook Diepraams collectie, negenhonderd afdrukken van topfotografen als Fox Talbot, Fenton en Kertész. De vierhonderd foto’s die in de 20ste eeuw waren gemaakt, gingen naar het Stedelijk Museum Amsterdam, de vijfhonderd 19de-eeuwse naar het Rijksmuseum in Amsterdam.

Het zou daarbij niet blijven: in 2005 deed Diepraam nog eens vierhonderd foto’s uit de 20ste eeuw van de hand en drie jaar later telde de Nederlandse Staat ook geld neer voor zijn 3.800 fotoboeken. ‘Ik heb daardoor decennialang mijn fotografie kunnen subsidiëren.’

Naakt, 1974-1986, Willem Diepraam.Beeld Collectie Willem Diepraam/Rijksmuseum Amsterdam.

De vierhonderd foto’s en de boeken gingen naar het Rijks, dat later ook nog Diepraams eigen werk kreeg geschonken. Hij voelt zich thuis bij het museum, verklaart hij, omdat het niet meedoet aan de waan van de dag. ‘Ik heb vanaf de jaren negentig met verbijstering gezien hoe de markt en het geld de kwaliteit gingen bepalen.’

Hij is de enige beëdigde fototaxateur in Nederland. ‘Een interessante praktijk, al is de markt voor fotografie hier heel klein.’ Hij adviseert al jaren een verzamelaar die zich als een van de weinigen echt in de fotogeschiedenis verdiept en om die reden, zo schat hij in, straks een ‘wereldcollectie’ heeft. Foto’s verzamelen is volgens hem niet eenvoudig. ‘Er komen mensen op mijn schouder uithuilen, omdat ze de verschrikkelijkste dingen hebben gekocht en dachten rijk te zijn geworden. Er wordt veel geleden in verzamelland.’

Essentieel is, zo doceert hij, dat je een ‘meedogenloos idee over kwaliteit’ ontwikkelt. Dat kan alleen door ‘eindeloos veel te kijken en te vergelijken’. Tijdens het uitzoeken van zijn archief is ‘95 procent’ in de prullenbak beland, stelt hij. Rond de duizend afdrukken gingen uiteindelijk naar het Rijksmuseum.

Is hij trots op zijn veelzijdigheid? Hij bepleitte bij Vrij Nederland met succes het toen revolutionaire idee om ruimte voor fotografie te maken, stelde tentoonstellingen samen, zette fotoveilingen op en speelde een grote rol bij de ontdekking en herwaardering van het werk van Nederlandse fotografen.

Nee, trots is hij niet, zegt hij. Dat woord reserveert hij voor de relatie met zijn vrienden, zijn kinderen en zijn vrouw Shamanee, met wie hij twee zonen kreeg. Ze zijn inmiddels veertig jaar samen. ‘Door haar zijn we nog bij elkaar’, zegt hij, doelend op de invloed die het vliegtuigongeluk had op zijn leven en dat van anderen om hem heen.

Drie maanden hangt Diepraams werk in het Rijksmuseum, waaronder het portret van ‘Peggy’, misschien wel zijn bekendste foto. ‘Een ongelooflijk lief mens. Het heeft haar in het leven niet meegezeten.’ Meer wil hij er niet over zeggen. ‘Dan maak ik haar en de foto stuk.’

Peggy, Amsterdam, 1975.Beeld Collectie Willem Diepraam/Rijksmuseum Amsterdam.

Ook te zien in de tentoonstelling: de tijdloze beelden die hij opnam in Lima (1991), het fotoboek over Peru dat Diepraam als zijn beste publicatie beschouwd, en de zeefoto’s die hij vorig jaar in zijn donkere kamer omtoverde tot nachtlandschappen. ‘Het is mooi dat het er allemaal hangt. Het is een goed moment. Ik heb een gevoel van connectie met mijn tijd en mijn leven.’

Zeegezicht, ca. 2000/ca. 2019.Beeld Collectie Willem Diepraam/Rijksmuseum Amsterdam.

Willem Diepraam, 50 jaar fotografie, Rijksmuseum Amsterdam, t/m 10 januari 2021. Bij de tentoonstelling is een boek verschenen: Willem Diepraam, 50 Years of Photography.

Cabaret

Tijdens zijn studententijd leerde Willem Diepraam op het Amsterdamse studentencorps Freek de Jonge en Bram Vermeulen kennen. Diepraam werd de lijffotograaf van het cabaretduo, dat optrad onder de naam Neerlands Hoop in Bange Dagen. Later fotografeerde hij ook een ander duo, Kees van Kooten en Wim de Bie. Diepraam maakte de beroemde coverfoto voor de eerste langspeelplaat van het Simplistisch Verbond, waarop ze poseren met een mattenklopper.

Meer over