Foei: mannen die elkander kussen!

De briefwisseling tussen de bijtend formulerende kosmopoliet L.A. Ries en zijn vriend Harro Bouman, een melancholicus uit Zwolle, is iets zeer bijzonders....

Aleid Truijens

Hij was hyperintelligent en maakte pijlsnel carrière in de ambtenarij. Voor zijn veertigste was hij thesaurier-generaal. Als keiharde onderhandelaar dwong hij in 1936 de nazi’s hun schulden te betalen in harde valuta. Maar mr. L.A. Ries was ‘anders’ dan de steile ambtenaren en politici in het Den Haag van de benepen jaren ’30. Hij was een Jood, en homoseksueel bovendien. In 1936 kwam hij ten val, door een affaire die een dieptepunt is in onze parlementaire geschiedenis. De historicus E.W.A. Henssen schreef er in 1994 een boek over: Een welmenend cynicus.

Ries werd in 1936 plotseling gearresteerd. De verdenking luidde: ontucht met een minderjarige jongen. De jongeman die voor de rechter getuigde van liederlijkheden bleek onbetrouwbaar. Ries kwam na acht dagen gevangenis vrij, maar het kwaad was geschied: hij was in opspraak gekomen en dat kon niet in zo’n hoge functie. De voor de justitiële dwaling verantwoordelijke minister Van Schaik draaide zich er in het kamerdebat uit door met nieuw belastend materiaal te komen: Ries zou feestjes bezoeken waar mannen elkaar kussen! Ries’ baas, de liberale minister van Financiën P.J.Oud, liet zijn briljante schatkistbewaarder hard vallen. De Kamer stemde in met zijn ontslag en vrijwel de hele pers keerde zich tegen de ‘walgelijke’ Ries.

Ries vluchtte met zijn moeder naar Portugal, en van daaruit in 1941 naar de Verenigde Staten. Daar zette hij een opinieblad op en werd hij adviseur voor de Nederlandse regering in ballingschap. Na de oorlog werkte hij voor een Rotterdamse handelsfirma. Achteraf bezien was het ontslag zijn redding: als Jood en homo had hij nooit kunnen ontkomen aan de massamoord; zijn zuster werd gedeporteerd en vermoord.

De advocaat die Ries had verdedigd was mr. Harro Bouman, een oude studievriend. Deze bleef een trouwe vriend, ook al zouden ze elkaar nog maar enkele keren zien. Van 1923 tot aan Ries’ dood in 1962 schreven de mannen elkaar brieven.

Het zijn bijzondere, scherpe brieven. De twee correspondenten waren nogal verschillend. De een was een kosmopolitische knapenliefhebber in New York, de ander een plichtsgetrouwe vader van drie kinderen en advocaat in het suffe Zwolle. Ries een bijtend formulerende cynicus, die na de geestelijke mishandeling in 1936 gepantserd door het leven ging, Bouman een tot depressie geneigde melancholicus. Beiden literatuurliefhebbers, bevriend met de schrijvers Adriaan van der Veen en Jan Greshoff. Ries sloot in New York vriendschap met Hans Lodeizen, die jong zou sterven, met Marnix Gijsen en Dola de Jong.

Ries maakte zich in 1945 weinig illusies over het mensdom. ‘De nazileiders mogen dood zijn’, schrijft hij, ‘een groot deel van hun geest leeft nog en is niet van plan te verdwijnen. Daartegenover zijn de meeste progressief-culturele leiders werkelijk morsdood en hun geest eveneens.’ Een paar maanden later schrijft hij mismoedig over de ‘zuivere nazibesmetting’ die hij proeft in Nederlandse kranten en de ‘onbegrijpelijke paradox van sterk toegenomen antisemitisme in Nederland’. Ries’ moeder vraagt of Bouman wil uitzoeken waar haar zilver en haar schilderijen gebleven zijn; ook het spaargeld van haar vermoorde dochter is spoorloos.

In 1947 valt Ries hard uit naar Boumans vrouw Carina, die hem, schrijft hij, belastert bij gemeenschappelijke vrienden zoals Greshoff. Deze besloot ‘Uw huis en Uw vrouw verder te myden als een ziekte’. Een jaar later feliciteert Ries zijn vriend ‘na aarzeling’ met zijn verjaardag en wenst hij hem ‘moreele herbewapening’ toe. Waarom? Het komt telkens goed. ‘Het staat geschreven! Je bent een goede vriend geweest’, schrijft Ries op zijn sterfbed, in bibberschrift.

De bezorger van de brieven, Hessel Bouman, Harro’s oudste zoon, werkte zich ijverig door de manuscripten en schrijft keurig in voetnoten naar welke boeken en personen de briefschrijvers verwijzen. Hij vond J.L. Heldring bereid om een voorwoord te schrijven voor deze uitgave in eigen beheer. Mooi dat deze zoon, die het moet doen met de typering ‘de verbeten, onsoepele Hessel’, aan deze onderneming begon. Maar was er geen professionele uitgever bereid om deze brieven, die van grote historische waarde zijn, te publiceren? Het kan alsnog.

Meer over