Flaneur en volksopvoeder

Jac. P. Thijsse was de Jan Wolkers van zijn tijd. De in 1865 in Maastricht geboren natuurliefhebber was verliefd op Texel en wist hoe je een verhaal moest vertellen....

Dat moest informatief maar ook luchtig zijn, en mocht vooral ook over de verteller zelf gaan.

‘Ik ben een ik-mensch’, bekende hij voorafgaand aan zijn zeventigste verjaardag.

‘Men heeft mij dat wel eens verweten, maar daar trek ik me niets van aan. Als ik vertel, praat ik over mijzelf. Als ik schrijf, deel ik mede wat ik beleefd heb. Zo is mijn aard, en als ik daarvan afweek, zou dat mijn werk niet te goede komen.’

Thijsse glorieerde in zijn rol van volksopvoeder. Biologen zoals we ze tegenwoordig kennen bestonden in de eerste helft van de 20ste eeuw niet. Natuurkenners hadden de uitstraling van kamergeleerden. Sommigen wisten misschien meer over de natuur dan Thijsse, maar weinigen wisten er zo soepel en onderhoudend over te vertellen en te schrijven als hij.

Thijsse introduceerde ook die de vrolijke, optimistische, ietwat naïeve verteltrant die sindsdien bij het onderwerp natuureducatie hoort. Hoewel ‘educatie’ een foutief woord is. Volgens Thijsse moest het ‘natuursport’ zijn, want educatie is vervelend en sport is leuk. Tijdgenoten beschrijven hem als ‘verrukkelijk opgewekt’. Als hij ergens binnenkwam, verstomden de gesprekken. ‘Niet omdat hij overheerste, maar omdat het altijd belangwekkend of prettig te horen was wat hij zei, en hoe hij het zei .’

Bij het volk vergaarde Thijsse vooral roem als schrijver van Verkade-albums: een reeks verzamelplaatjesboeken van de beschuit- en koekfirma, die een bijzondere kijk gaf op de Nederlandse natuur. Maar hij was ook een actievoerder, die zich verzette tegen aantasting van het Naardermeer, en medeoprichter van Natuurmonumenten, de vereniging die dit jaar honderd jaar bestaat. Toen Jac. P. Thijsse in 1945 stierf, schrijft Sietzo Dijkhuizen in Jac . P. Thijsse – Een biografie, was het algemene gevoel dat een groot Nederlander was heengegaan. En dat was voor velen geen cliché. Onder zijn tijdgenoten, en ook onder de daaropvolgende generatie, is de verering voor ‘Jac. P.’ altijd groot geweest. Dat er tot dusver geen echte biografie aan zijn leven was gewijd, is opmerkelijk. Thijsse moest het doen met enkele biografische schetsen, waarvan de laatste in 1995 werd gepubliceerd. Nu is er dus een volwaardige biografie, terwijl de generatie uitsterft die het werk van Thijsse nog heeft gelezen. Voorzover de Verkade-albums nog uit de kast komen, is dat tegenwoordig vooral voor de plaatjes. Thijsse-boeken als Het Vogeljaar en de Flora worden nauwelijks meer gelezen, en zelfs in antiquariaten is de plank met natuurhistorie meestal moeilijk te vinden.

De voornaamste erfenis, schrijft Dijkhuizen, zijn dan ook niet zijn boeken en albums maar de beschermde natuurgebieden in Nederland die voor altijd zijn bewaard. Thijsse nam inderdaad mede het initiatief voor de oprichting van Natuurmonumenten in 1905. Maar hij was niet de enige. De Nederlandse Natuurhistorische Vereeniging was de feitelijke grondlegger van de organisatie, en die ging pas bloeien onder leiding van mr. P.G. van Tienhoven. Zo ging het nu eenmaal altijd: waar flaneur en causeur Thijsse binnenkwam, leek het alsof de wereld plotseling alleen om hem draaide.

Een extreem voorbeeld daarvan betreft zijn samenwerking met een andere pionier van de ‘natuursport’, Eli Heimans. Van hem verscheen al in 1893 het P.G. van Tienhoven. Zo ging het nu eenmaal altijd: waar flaneur en causeur Thijsse binnenkwam, leek het alsof de wereld plotseling alleen om hem draaide. Een extreem voorbeeld daarvan betreft zijn samenwerking met een andere pionier van de ‘natuursport’, Eli Heimans. Van hem verscheen al in 1893 het boekje De Levende Natuur met als ondertitel ‘Handleiding bij het onderwijs in kennis en planten en dieren op de lagere school, in het bijzonder voor grote steden’. Het was een boekje dat Thijsse graag had geschreven en precies paste bij zijn eigen belangstelling.

Hij en Heimans waren allebei onderwijzer in Amsterdam. Twintig jaar werkten ze samen aan een reeks populariserende natuurpublicaties, waarvan Heimans steeds de motor en pionier was –- in populariteit en naamsbekendheid legde hij het echter af tegen Thijsse. De eerste ontmoeting tussen de twee is door Thijsse beschreven. Op een vergadering van onderwijzers ontmoet hij ‘een klein, zwart joodje, met een gouden bril, ongelooflijk kwiek en wakker’. In 1900 solliciteren ze allebei naar de functie van leraar natuurlijke historie op de Gemeentelijke Kweekschool in Amsterdam. Thijsse krijgt de baan. De begaafde Heimans wordt zelfs geen schoolhoofd en wordt evenmin benoemd in het hoofdbestuur van Natuurmonumenten. ‘Er wordt gespeculeerd over de mogelijkheid dat antisemitisme een rol heeft gespeeld’, schrijft biograaf Dijkhuizen voorzichtig. Ook Heimans heeft er weleens op gezinspeeld, maar heeft er ondanks zijn hechte vriendschap met Thijsse geen letter over geschreven . Vrolijkheid, optimisme en lichte naïviteit kenmerken de oorlogsjaren van Thijsse, die hij doorbrengt in Bloemendaal. Wanneer daar in 1941 de NSB-burgemeester J.W. Ziegler wordt benoemd, wordt diens receptie slechts door 58 mensen bezocht. Thijsse is er een van. Als de rector van het Kennemer Lyceum wordt ontslagen en wegens anti- Duitsheid gearresteerd, noemt Thijsse dat een ‘treurige geschiedenis’. Maar het weerhoudt hem er niet van, in tegenstelling tot zijn collega’s, het nieuwe schoolhoofd hartelijk te begroeten.

Zijn laatste fles Rijnwijn gaat op tijdens een ‘heel aangenaam onderhoud’ met de Oostenrijker dr. F. Plutzar die op het departement van Kunsten en Volksopvoeding is geplaatst. Onderwerp van gesprek: het duinbehoud. Om als auteur werkzaam te kunnen blijven meldt Thijsse zich ook bij de Kultuurkamer aan.

Braafheid en optimisme zijn de laatste zonden van de natuurpropagandist. Dijkhuizen citeert zijn zoon: ‘Het kwade was iets dat buiten zijn eigen kring stond. De Duitsers die hij ontmoette, waren in zijn ogen juist goede mensen, de gunstige uitzonderingen.’

Vrome afstandelijkheid kenmerkt Dijkhuizens biografie. De biograaf vermijdt heldere conclusies te trekken en slaagt er niet in alle verhaallijnen duidelijk te laten samenkomen. Hij blijft onzichtbaar in de schaduw van de natuurlijke verteller Thijsse, die ook van zijn eigen levensverhaal vermoedelijk een leuker en leesbaarder boek had gemaakt.

Meer over