interview

Flamencodanser Israel Galván danst de Sacre als een torero: ‘Vanaf de eerste tel verander ik het podium in een arena’

Israel Galván, een van ’s werelds meest brutale en avant-gardistische flamencodansers, bewerkte Nijinsky’s Le sacre du printemps tot een flamenco-explosie. Woensdag is hij te zien tijdens de Flamenco Biënnale in Amsterdam.

Annette Embrechts
Israel Galván: ‘Al vanaf het begin van mijn carrière word ik de Nijinsky van de flamenco genoemd.’ Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle
Israel Galván: ‘Al vanaf het begin van mijn carrière word ik de Nijinsky van de flamenco genoemd.’Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle

Waar eeuwen geleden een wapenarsenaal was, laat flamencodanser Israel Galván (48) een uur lang de vloer exploderen. Met blote voeten, witte laarzen en zwarte hakken schraapt, roffelt, spint en beukt hij over het bouwmateriaal dat deze woensdagavond in cirkels voor hem ligt uitgestald op het podium van L’Arsenal in Metz. Hout, staal, grind, ijzer, alles knispert en kraakt onder zijn ritmisch geschuur en gestamp. Muziekkenners roemen de akoestiek van deze Franse concertzaal, volgens sommigen de beste van Europa.

Daar sluit Galván zich na afloop van zijn voorstelling La consagración de la primavera volledig bij aan. Meer dan de helft van de show presenteert de beroemde flamencodanser zijn ritmische interpretatie van de roemruchte compositie Le sacre du printemps (1913) van Igor Stravinsky. Niet de orkestversie klinkt, maar de versie voor twee piano’s. Galváns danserslichaam transformeert tot klankkast, met de complexe Sacre-ritmes als stuwende kracht.

In deze eerste flamencobewerking van de bijna 110 jaar oude choreografie van Vaslav Nijinsky weerkaatsen de muren van L’Arsenal het fortissimo van Galváns roffels en hamerslagen vol en luid. Het gefluister van al zijn plofjes en rillingen klinkt juist zacht en aaibaar. En wanneer Galván bij aanvang, liggend in het donker, met gestrekte benen wraak neemt op de binnenkant van een goedkope piano – hij beukt met zijn hielen op de snaren – lijkt oorlogsgeweld niet ver weg. Een referentie aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, toen de Sacre met zijn heidense ritueel van het maagdenoffer de wereld op zijn grondvesten deed schudden. Voor- en tegenstanders van de schreeuwende dissonanten en het hamergeweld tegen opgehangen metalen platen bespuwden elkaar tijdens de première in 1913 en dreigden met elkaar op de vuist te gaan. Balletimpresario Serge Diaghilev, die Stravinsky en Nijinsky had samengebracht, schreeuwde tegen het orkest dat het door moest spelen en liet schijnwerpers flikkeren in de hoop het publiek te kalmeren.

‘Vanaf de eerste tel verander ik de atmosfeer op het podium in een arena’, zegt Galván in zijn kleedkamer. ‘Ik ben de torero; de pianisten achter hun vleugels zie ik als stieren en Stravinsky’s muziek vormt de rode lap. In 34 minuten probeer ik hen met flamencopassen te tergen, af te matten en klak, klak, klak, te bedwingen.’ Om dat kracht bij te zetten roffelt hij nog eens op zijn blikje bier. Het tappen, zo zegt hij met een ontwapenende stotter, wordt in al zijn variaties woeste percussie. Frontaal machogedrag wisselt Galván in deze trotse voorstelling af met kubistische en hoekige bewegingen en profil, verwijzend naar hiëroglyfen uit het oude Egypte.

Woensdag presenteert Galván La consagración de la primavera eenmalig in Amsterdam, op uitnodiging van de Flamenco Biënnale 2021. Het tweejaarlijkse festival haalt deze maand alsnog nieuw gemaakte flamencovoorstellingen naar negen Nederlandse en drie Vlaamse steden; in februari vond het eerste deel van het festival vanwege coronarestricties alleen online plaats. In het Muziekgebouw aan ’t IJ belooft Galván ‘vers stierenbloed’, zegt hij lachend. Dan wordt de Spanjaard op vleugel begeleid door Gerard Bouwhuis en Daria van den Bercken. In elk land nodigt hij nieuwe pianisten uit. Zij mogen op hun beurt twee composities inbrengen waarop Galván danst; in Amsterdam zijn dat een sonate van Domenico Scarlatti en Frederic Rzewski’s onconventionele pianoversie van het protestlied Winnsboro Cotton Mill Blues.

Israel Galván: ‘Ik ben de torero; de pianisten achter hun vleugels zie ik als stieren en Stravinsky’s muziek vormt de rode lap.’ Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle
Israel Galván: ‘Ik ben de torero; de pianisten achter hun vleugels zie ik als stieren en Stravinsky’s muziek vormt de rode lap.’Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle

De Sacre als stierengevecht. Met deze interpretatie van het lenteoffer (waarin een maagd zich dood danst om de winter te verdrijven) schaart de zoon van het beroemde flamenco-echtpaar José Galván en Eugenia de los Reyes zich bij een rijtje illustere voorgangers. Choreografen als Martha Graham (1930), Maurice Béjart (1959), Hans van Manen (1974), Pina Bausch (1975), Mats Ek (1984), Jérôme Bel (1998), Angelin Preljocaj (2001), Raimund Hoghe (2004), Sasha Waltz (2014) en Olivier Dubois (2014) reageerden allemaal totaal verschillend op de extreme ritmiek. Van een springende solo tot een dierlijke paringsdans en van een groepsstuk met naakte performers op leeftijd tot een danstocht door rulle aarde.

‘Al vanaf het begin van mijn carrière word ik de Nijinsky van de flamenco genoemd, omdat mijn dans parallellen heeft met zijn hoekige faunbewegingen. Nijinsky’s Sacre ligt dus niet zo ver af van mijn flamenco, met zijn woeste cadans van stappen en sprongen die in de aarde lijken te kerven en zijn kubistische bewegingen van armen en handen.’

Dat Galván nu met zijn eerste flamencoversie komt, heeft minder met de thematiek te maken. Al vindt hij een primitief offer om de aarde zich te laten vernieuwen zeker op zijn plaats, met alle klimaat- en pandemieproblematiek. Maar het gaat hem vooral om de fysieke vertaling van die golf overweldigende ritmes.

De grond waarop Galván zijn Consagración uitvoert, ligt bezaaid met geometrisch geordend spul dat hij zelf van de straat heeft geraapt. ‘Ik wil geen kunstmatige Sacre, maar geluiden die je in het dagelijks leven kunt horen: voorbijrazende motoren, echoënde knallen, doffe implosies.’

De in Sevilla geboren danser wilde als kind veel liever voetballer worden, maar moest van zijn ouders dansen. Al dertig jaar staat Galván bekend om zijn vrijzinnige omgang met de Andalusische kunstvorm. Zo voegt hij aan voorgeschreven flamencopassen (de zogeheten ‘palos’) alledaagse motoriek toe: katachtige sprongen, sportieve trappen, het aftellen met vingers, getik met handen tegen wangen en het wegwissen van zweetdruppels.

Schandalen zijn ook Galván niet vreemd. Met Lo real (2013), dat in Nederland te zien was tijdens de vierde Flamenco Biënnale, veroorzaakte hij boegeroep door twee uur lang afgrijselijk kabaal te maken, met kapotte piano’s te slepen en metaal tegen metaal te schuren. Galván hoopte zo de vervolging van zigeuners door nazi-Duitsland in Spanje bespreekbaar te maken. Zijn ouders delen een stamboom die ver teruggaat in de zigeunercultuur van Sevilla.

Galván schudt de eeuwenoude flamencotraditie graag op door een portie drama toe te voegen aan de flamenco. Zonder schroom laat hij de dood rondwaren op het toneel of laat hij het verval van een aftakelend lichaam zien. En met plezier benadrukt hij zijn vrouwelijke kanten (terwijl mannelijke flamencodansers doorgaans toch eerder voor machissimo gaan), hetgeen ook is terug te zien in de Netflix-serie Move (2020), waarin een aflevering is gewijd aan het Spaanse wonderkind.

Halverwege La consagración de la primavera neemt een geblindeerde Galván in een lange zwarte jurk wijdbeens plaats op een krukje. Met hoekige ellebogen lijkt hij op Vrouwe Justitia. Totdat zijn vingers beginnen te knippen en zijn voeten stampen en roffelen; het gedreun moet haast doordringen tot de middeleeuwse graftomben onder L’Arsenal. Wanneer het uren later stiller wordt in het grote cultuurhuis in Metz pakt Galván zijn jurken, kostuums en twee paar gebruikte flamencoschoenen in een roze trolley. Verbazingwekkend weinig schoenen voor een flamencodanser. ‘Thuis staan er honderden’, lacht hij. ‘Maar dit stierengevecht voer ik op deze twee.’ Handig, zegt hij, alles past in één koffer. Met een paar flamencoschoenen doet hij drie weken. ‘De eerste zeven dagen knellen ze, dan zitten ze een week als gegoten en daarna worden het langzaam sneakers; dan trap ik ze nog zeven dagen af.’ Vervolgens zigzagt Galván de trappen af om L’Arsenal ongezien langs de achteruitgang te verlaten. Buiten kletteren watervallen oorverdovend over de muren.

Flamenco Biënnale Nederland 2021: La consagración de la primavera (Le sacre du printemps) door Israel Galván. Piano Gerard Bouwhuis en Daria van den Bercken. 10/11, Muziekgebouw aan ’t IJ, Amsterdam.

Vernieuwers op de Flamenco Biënnale

Israel Galván de los Reyes (Sevilla, 1973) is met Andrés Marín en vrouwelijke evenknieën als Belén Maya, Rocío Molina en Olga Pericet een belangrijke vernieuwer van de flamenco. Iemand die je gezien moet hebben, wil je kunnen meepraten over ontwikkelingen in de Andalusische danscultuur. Inmiddels staat de jongste generatie te trappelen, onder wie Ana Morales, Vanesa Aibar, Sara Cano en het duo Rafael Estévez en Valeriano Paños. Zij zijn tijdens de achtste editie van de Flamenco Biënnale te zien: Aibar en Cano met hun nieuwe duet Todas las noches op 25/11 en Estévez en Paños met [Silencios] en de Europese première van Campanillero (‘Klokkenluider’) op 19/11. Morales komt met En la cuerda floja op 19/11 en 20/11.

Flamencodanseres Rocío Molina Beeld Simone Fratini
Flamencodanseres Rocío MolinaBeeld Simone Fratini