Fischer en KCO maken zeldzame indruk met Bartók

Het Tweede Vioolconcert van Bela Bartók, deze week op het repertoire van het Concertgebouworkest en een violist – Leonidas Kavakos – die voor het stuk geboren lijkt, heeft Hongaarse, Bulgaarse en allerlei andere Oost-Europese trekjes....

Niet tot ieders genoegen: critici reageerden vriendelijk, maar het Concertgebouw-staflid Marius Flothuis maakte later nog weleens gewag van een ondermaatse uitvoering, vol fouten van het orkest en eigenwijsheden van de dienstdoende dirigent, Willem Mengelberg. Die zou in zijn hart weinig om het stuk hebben gegeven.

Grotere Bartókvrienden hebben intussen wel aangetoond dat een Bartókpremière onder Mengelberg – zoals destijds vastgelegd in een radio-opname die tegenwoordig te horen is op cd – niet de maat aller dingen is. Maar toch, wat Zoltán Székely destijds heeft laten horen in zijn vertolking van de immens lastige solopartij, is nog altijd van een klasse apart.

Dat het aan hem opgedragen Tweede Vioolconcert ook anders kan worden benaderd dan met een hogelijk gepassioneerde solist en een nijvere, soms naar de juiste toon speurende verzameling orkestsecties, werd woensdag in hetzelfde Concertgebouw duidelijk. Het orkest had, om te beginnen, Ivan Fischer ingeschakeld om reliëf te geven aan 1001 miraculeuze details die Bartóks muzikale amalgaam van folklore, avantgarde en classiciteit zo typisch Bartók maken.

Fischer, een dirigent wiens Hongaarse brein in een bovenkamer zit waarin elke noot Bartók ingelijst aan de muur hangt, weet in zijn subtiele samenwerking met Kavakos een zeldzame indruk te wekken, namelijk alles uit het stuk te halen wat eruit te halen valt.

Het rommelige dat uitvoeringen van Bartóks Tweede Vioolconcert kan aankleven, heeft Bartók zelf nogal in de hand gewerkt: de compositie is gebaseerd op strak-klassieke vormpatronen, en getuigt van een ijzeren logica in allerlei variaties van de grillige thematiek. Maar de orkestratie biedt, vanaf de eerste solo-akkoorden van de harp tot aan de trompettenparen en koperfanfares aan het slot, zo veel verschillende taferelen, en die zijn neergepenseeld in zo veel verschillende kleuren, dat het risico op de loer ligt van een bonte kermis. Fischer heeft daar niet alleen sjoege van maar schept er ook behagen in, zet het orkest in alle geledingen naar zijn hand en wuift van maat naar maat: ‘Dit is een meesterwerk.’

Dat heeft hij Kavakos vermoedelijk niet hoeven uitleggen. De Griek vertolkt Bartóks interval-sprongen, dekselse dubbelgrepen en grillige chromatiek met achteloos gemak, voegt er de koele glans aan toe van een zilveren viooltoon, en laat de solopartij doen wat hij doen moet – mijmeren en dansen.

Het is violistenweek bij het KCO. Concertmeester VeskoEschkenazy, verre opvolger van Székely (die een blauwe maandag vast in dienst was onder Mengelberg), solieert in Rimski-Korsakovs Sheherazade en doet dat prachtig.

Roland de Beer

Meer over