interview

Filmmaker Matti Geschonneck: ‘Ik wilde de gruwelijke normaliteit van de Wannseeconferentie tonen’

Filmmaker Matti Geschonneck verfilmde de beruchte bijeenkomst waarin nazikopstukken het eens werden over hun plan om 11 miljoen Joden te vermoorden. Die Wannsee Konferenz probeerde hij zo zakelijk mogelijk te houden, om zo de kilte van het kwaad over te brengen.

Pauline Kleijer
Matti Geschonneck  Beeld ANP / dpa Picture-Alliance
Matti GeschonneckBeeld ANP / dpa Picture-Alliance

Nee, hij stond niet te springen om deze film te maken, zegt Matti Geschonneck. De 69-jarige regisseur van Die Wannsee Konferenz twijfelde lang. ‘Hoe doe je zo’n verschrikkelijk onderwerp recht? Hoe vind je de juiste toon?’

Begrijpelijke vragen, want Die Wannsee Konferenz is een verslag van de beruchte bijeenkomst van Nazikopstukken waarbij de ‘definitieve oplossing’ voor het ‘Jodenvraagstuk’ op de agenda stond. In zo’n anderhalf uur, onderbroken door een lichte lunch, werd op 20 januari 1942 in een fraaie villa aan de Berlijnse Wannsee door vijftien hoge ambtenaren over het gruwelijke lot van miljoenen Joden beschikt.

Geschonneck, afkomstig uit een Duits acteursgeslacht, maakte tientallen films, voornamelijk voor de Duitse televisie. Niet eerder voelde hij zich zo onzeker. ‘Ik vond het een immense verantwoordelijkheid om die bijeenkomst te verfilmen’, legt hij uit. ‘Het gaat om de grootste misdaad die Duitsland ooit heeft begaan, de grootste misdaad überhaupt denkbaar. De Wannseeconferentie was de start van een industriële massamoord.’

Het knelpunt voor de verfilming zat hem, volgens Geschonneck, in het treffen van de juiste sfeer. ‘Wat er gebeurde was onvoorstelbaar, maar het gebeurde op een zakelijke manier. In de uitnodiging stond wat er op de agenda stond en het was binnen twee uur rond. Ik kon me de film alleen maar voorstellen als dat wat de Wannseeconferentie was: een vergadering. Die vijftien mannen kwamen daar aan, overlegden, en gingen daarna weer naar hun werk of familie.’

Zo besloot Geschonneck het te verfilmen, van begin tot eind, in de bewuste villa aan de Wannsee – tegenwoordig een gedenkplaats. Kaal, zonder toeters en bellen, zonder filmmuziek ook. ‘Dat laatste vond ik heel belangrijk, maar het was ook riskant. Muziek is zo’n belangrijk middel om een film op gang te houden en spannend te maken. Muziek is verleidelijk. Dat wilde ik juist niet.’

Die Wannsee Konferenz Beeld
Die Wannsee Konferenz

Alleen door het zo zakelijk mogelijk te houden, vond de regisseur, kon de berekenende kilte van de nazi’s worden overgebracht. En kon hij ook iets laten zien van de schrikbarende vanzelfsprekendheid waarmee de opdracht, afkomstig van Hermann Göring, door de aanwezigen werd uitgevoerd. De vraag was niet óf er miljoenen Joden moesten worden vermoord, de vraag was hoe en door wie.

Reinhard Heydrich, de hoogste Gestapochef onder Himmler, was de leider van de vergadering. Daarnaast waren er veel SS’ers (onder wie Adolf Eichmann, verantwoordelijk voor ‘Jodenzaken’) en vertegenwoordigers van verschillende ministeries aanwezig. Zij moesten hun verantwoordelijkheden deels afstaan aan Heydrich, zodat de SS de operatie kon leiden.

Dat leidde tot ambtelijke discussies. ‘Verschillende partijen die eigenlijk met elkaar concurreerden, moesten gaan samenwerken’, zegt Geschonneck. ‘Het ging om leiderschap, om macht. En om carrière, natuurlijk: iedereen wilde in een goed licht komen bij Hitler, van wie werd gezegd dat de vernietiging van de Joden zijn ‘lievelingskind’ was. Daarom vonden sommige ministeries het lastig om bevoegdheden af te staan, al gingen ze uiteindelijk niet dwarsliggen. De vraag was: wie is hier de kok, en wie is kelner?’

Daarbij volgt de film zo goed mogelijk de historische bronnen. Van de Wannseeconferentie zijn, wonder boven wonder, notulen bewaard gebleven. Ooit waren ze als staatsgeheim in dertigvoud verspreid, maar op één na werden ze vernietigd voor het einde van de oorlog. Het vergeten exemplaar dook in 1947 op tussen een verzameling dossiers van het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken.

Het is een document van vijftien pagina’s, eerder een samenvatting van het besprokene dan een woordelijk verslag. Wie precies wat zei, is niet bekend. ‘Het blijft fictie’, benadrukt Geschonneck dan ook over zijn film. ‘We weten niet hoe ze met elkaar omgingen. De film kan geen aanspraak maken op de waarheid, het is een voorstelling van hoe het geweest is. Maar we weten wel wat eruit voortgekomen is. Er was in 1942 al een begin gemaakt met het op grote schaal vermoorden van Joden, men was ook al begonnen met de bouw van concentratiekampen, maar de Wannseeconferentie vormde het startschot van het systematische plan om 11 miljoen Joden om te brengen.’

null Beeld

De beschrijvende toon van de notulen verklaart ook het verschil met twee eerdere films die over de Wannseeconferentie gemaakt zijn. Er is een Duitse televisiefilm uit 1984, die werd gebaseerd op hetzelfde toneelstuk van Paul Mommertz waar ook Geschonnecks film uit putte. En er is de HBO-film Conspiracy uit 2001, met Kenneth Branagh als Heydrich en Stanley Tucci als Eichmann. In grote lijnen komen de drie versies overeen, maar er zijn subtiele verschillen.

Zo wordt er in Die Wannseekonferenz uit 1984 veel gelachen en gedronken, terwijl de nazi’s in Conspiracy meer ruziën. Een van de aanwezigen, Wilhelm Kritzinger van de Rijkskanselarij, verzet zich in Conspiracy aanvankelijk tegen de ‘evacuatie’ van Joden naar het oosten, wanneer tot hem doordringt dat het een fascistisch eufemisme is voor massamoord. Zodoende is hij in die film een relatief ‘goede’ nazi, een man met wie de kijker zich tussen zo veel slechtheid een klein beetje kan identificeren.

Geschonneck biedt de toeschouwer die empathische uitweg niet. In zijn versie van de geschiedenis is Kritzinger slechts bezorgd om het welzijn van de Duitse soldaten die met de massamoord worden belast. Is dat niet slecht voor het moraal? En is het wel haalbaar om 11 miljoen Joden uit de weg te ruimen? Het bloedbad bij Babi Jar in Oekraïne, waar ruim 33.000 Joden werden doodgeschoten, heeft dan al plaatsgevonden. Een hoogst efficiënte, moeilijk te herhalen moordpartij, zo rekent Kritzinger uit zijn hoofd uit.

Even lijkt de bureaucraat Wilhelm Stuckart, staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, degene te zijn die zich tegen de plannen verzet, maar ook dat is schijn. Hij maakt zich vooral druk om de dreigende wijzigingen van de rassenwetten van Neurenberg, die hij zelf mede heeft opgesteld. In de discussie over wie er als Jood telt – zijn dat ook half-Joden en kwart-Joden? – toont Stuckart zich een koppige, arrogante ambtenaar.

Iedereen die aan die tafel zat, was even schuldig, vindt Geschonneck. ‘Kritzinger en Stuckart sputterden misschien wat tegen, maar ik vind die twee misschien juist het ergste. Stuckart was de intellectueel van het gezelschap, Kritzinger was met zijn 51 jaar de oudste. Zij wilden alleen hun eigen belangen beschermen. Dat vind ik perfide.’

De meeste aanwezige nazi’s waren hoogopgeleid, beschaafd en gelovig, benadrukt Geschonneck. ‘Er zaten veel juristen bij. Ze waren ook jong: vaak in de dertig, nog aan het begin van hun carrière. Dat heeft bij mij de doorslag gegeven in de manier waarop ik ze portretteer. We kennen nazi’s uit veel films als luidruchtig schreeuwende monsters, maar waarop is dat beeld eigenlijk gebaseerd? Er zijn natuurlijk historische opnamen van speeches en bijeenkomsten, maar je moet bedenken dat die vaak werden gemaakt als propagandamateriaal. Er bestaat ook archiefbeeld, maar dat is zeldzamer, waarop hooggeplaatste nazi’s heel rustig met elkaar omgaan.’

In Die Wannsee Konferenz wordt niet geschreeuwd. De kalme, normale toon van het gesprek maakt de inhoud des te schokkender. ‘Wat ik wilde laten zien, is niet een karikatuur van slechtheid, maar juist de gruwelijke normaliteit van die vergadering’, zegt Geschonneck. ‘Het brengt de gebeurtenissen dichterbij, hoop ik. Zo lang geleden is het nog niet: tachtig jaar. Dat was ooit het heden. En oorlog is, helaas, nooit ver weg. Nu staat het alweer aan onze voordeur.’

Het is een onaangenaam, beangstigend idee, zegt Geschonneck, maar het kwaad is niet iets uitzonderlijks, het kan vanzelfsprekend worden. Een ogenschijnlijk normale kwestie, besproken tussen de koffie, een zalmrolletje en een glas cognac. ‘Het kwaad steekt in ons, het gaat ons allemaal aan. Je moet altijd de ongemakkelijke vraag blijven stellen aan welke kant je zelf had kunnen zitten.’

Vader Geschonneck

De Duitse filmregisseur Matti Geschonneck (69) dankt zijn voornaam aan Bertolt Brechts toneelstuk Herr Puntila und sein Knecht Matti. Het was een rol die zijn vader, de bekende Oost-Duitse acteur Erwin Geschonneck, met veel succes speelde op het Berlijnse toneel. Als communist werd Erwin Geschonneck in 1933 geïnterneerd, tijdens de Tweede Wereldoorlog wist hij verschillende concentratiekampen te overleven.