PostuumAlan Parker

Filmmaker Alan Parker (1944-2020) was een moderne duizendpoot die zijn publiek niet spaarde

De gerenommeerde Engelse regisseur Alan Parker, die afgelopen vrijdag op 76-jarige leeftijd overleed, was in de eerste plaats een uitmuntend verteller. Als voormalig tv-reclamefilmer was hij eigenlijk meer vakman dan kunstenaar, niet zozeer op zoek naar nuance of verfijning, maar geschoold in het zo helder en effectief mogelijk overbrengen van een idee of verhaal, resulterend in filmklassiekers als Midnight Express, Pink Floyd: The Wall, Mississippi Burning en Evita.

De Engelse regisseur en filmproducent Alan Parker.Beeld EPA

Parker was een publieksfilmer uit vervlogen tijden, die zijn publiek op gezette tijden weigerde te sparen met zijn rücksichtsloze gewelds- en seksscènes. Qua voorkeuren en interesses een moderne duizendpoot; nooit vast te pinnen op een eenduidige stijl of specifiek genre.

Hij maakte een nogal bezopen entree in de filmwereld met gangsterfilmparodie Bugsy Malone (1976), een in New York anno 1929 gesitueerde cultklassieker waarin alle rollen door kinderen worden vertolkt. Het was een film die hij nooit meer zo zou kunnen maken, zei Parker later tegen de BBC.

Het viel op hoezeer de Engelsman zich in zijn werk richtte op de wereld buiten de eigen landsgrenzen. Mogelijk zag hij deels daardoor soms enige culturele nuances en gevoeligheden over het hoofd. Zoals in zijn onmiskenbaar sterke, akelig grimmige, maar ook érg losjes op feiten gebaseerde gevangenisklassieker Midnight Express (1978), waarin een Amerikaanse student na een mislukte poging tot drugssmokkel in Istanbul in een helse gevangenis belandt. De Turkse overheid was woest. Scenarist en collega-regisseur Oliver Stone, destijds bekroond met een Oscar, verexcuseerde zich jaren later tegenover Turkse verslaggevers: hij had het drama inderdaad te veel aangedikt. De synthesizersoundtrack van Giorgio Moroder, eveneens goed voor een Oscar, bleek overigens wél tijdloos en zette decennia later nog steeds dansvloeren op zijn kop.

Met Mississippi Burning (1988) daalde Parker af naar het racistische zuiden van Amerika in de jaren zestig. Weer zo’n meeslepend karakterdrama vol compromisloze geweldsscènes, waarin een FBI-onderzoek naar de moord op drie burgerrechtenactivisten leidt tot de onthulling van nauwe banden tussen het lokale politiekorps en de Ku Klux Klan. En weer gingen lof en kritiek hand in hand: Parker werd voor de tweede keer genomineerd voor een Oscar voor beste regisseur, maar kreeg tegelijk nadrukkelijke verwijten: waar waren de zwarte hoofdpersonages? Nabestaanden van slachtoffers James Chaney, Andrew Goodman and Michael Schwerner protesteerden tegen de film.

‘Het zou fijn zijn om eens een film te maken die niet controversieel is’, zei Parker begin jaren negentig tegen The Chicago Tribune. Inmiddels gold ook zijn fraaie, broeierige sfeerthriller Angel Heart (1987) als officieel berucht, vanwege een heftige, onverbloemde seksscène tussen Mickey Rourke en Lisa Bonet (op dat moment razend populair dankzij haar rol als dochter van Bill Cosby in The Cosby Show).

De laatste keer dat hij groot uitpakte was met Evita (1996), zijn weelderige verfilming van de immens populaire musical over het leven van de Argentijnse generaalsvrouw Eva Perón, naar het boek van Tim Rice en muziek van Andrew Lloyd Webber. De opmerkelijke hoofdrolspeelster Madonna maakte het vertrouwen dat Parker in haar acteerkwaliteiten stelde waar, schreef de Volkskrant destijds, in een spektakelfilm waarbij de regisseur ‘alle registers opentrekt’.

In Engeland, waar Parker het megalomane Pink Floyd-dubbelalbum The Wall (1982) verfilmde, werd hij beschouwd als wegbereider van Britse Hollywoodfilmers als Ridley en Tony Scott, al zagen ze hem liever wat vaker op zijn geboortegrond aan het werk. Gevraagd naar de reden waarom zijn succesmusical Fame (1980) zich afspeelde op de High School of Performing Arts in New York en niet, bijvoorbeeld, op de kunstacademie in Londen, roemde hij de unieke culturele diversiteit in de Verenigde Staten. Dáár voelde hij zich thuis.

Hij zou zijn afwezigheid in Engeland later compenseren door zich achter de schermen in te zetten voor een betere Britse filmindustrie, onder meer als voorzitter van The British Film Institute. Hij werd in 2002 geridderd en groeide als Sir Alan Parker uit tot een veredeld nationaal filmgeweten. Geregeld uitte hij nog kritiek op ’s lands filmindustrie, die volgens hem te parochiaal en onvoldoende commercieel was.

Zijn laatste film, The Life of David Gale uit 2003, was een tamelijk zwak en rechtlijnig Amerikaans doodstrafdrama. Niet Parkers beoogde zwanenzang, maar hij werd het in de daaropvolgende jaren steeds vaker zat om te bedelen om filmbudget bij bemoeizuchtige studiobazen, zei hij drie jaar geleden tegen The Guardian. Hij maakte zich bovendien zorgen om het moderne Hollywoodfilmklimaat waar de ‘serieuze films van enige omvang’, het type film waarmee hij zijn diverse oeuvre bouwde, nauwelijks nog werden gemaakt. In de laatste jaren van zijn filmpensioen stortte hij zich op een schildercarrière – de autonomie maakte hem gelukkig.

Alan Parker stierf afgelopen vrijdag in Londen na een lang ziekbed. Hij laat zijn echtgenote Lisa Moran-Parker, vijf kinderen (uit twee huwelijken) en zeven kleinkinderen na.

‘Evita wedergeboren in vet spektakel’, kopte de Volkskrant in december 1996. Lees de recensie van Peter van Bueren hier terug.

Net als veel andere Britten was Alan Parker er goed in: films waarin de muziek als vanzelfsprekend de hoofdrol speelt.

Meer over