Festival kan wat rumoer gebruiken

Het IFFR heeft minder bezoekers getrokken dan vorig jaar. Programmeer niet te obscuur, lijkt de boodschap.

Van onze verslaggever Bor Beekman

Size Matters, formaat telt, was het officieuze thema van de 38ste editie van het International Film Festival Rotterdam. Het werd verbeeld met enorme filmdoeken, die gespannen waren over enkele hoge gebouwen in het centrum van de stad. Erkende filmauteurs werd gevraagd speciaal voor deze gelegenheid (en afmeting) nieuw werk te leveren. Zo wilde Rutger Wolfson in zijn eerste jaar als directeur (vorig jaar was hij interim-directeur) de aandacht vestigen op het verschuivende front van de filmkunst. Dat verlegt zich volgens Wolfson naar de publieke ruimte, en wordt sterk beïnvloed door innovaties zoals kolossale én minuscule schermen.

Maar wie zich de afgelopen tien dagen tussen de festivalbezoekers begaf, moet concluderen dat die zich weinig druk maakten over schermformaat of publieke ruimtes. Niet het scherm, maar wat daarop te zien is, stond centraal in de gesprekjes die werden gevoerd in de rijen voor de kaartjes, of ’s avonds in loungebanken in de schouwburg. Het grove geweld in het Mexicaanse Los Bastardos, dat is een gespreksonderwerp. Of de verbluffende dierenregie in het Kazachstaanse Tulpan. Filmervaringen worden uitgewisseld als voetbalplaatjes – niemand is compleet.

Hondstrouw, zo wordt de IFFR-festivalbezoeker sinds jaar en dag gekwalificeerd. Diens adagium: wie nooit eens moet weglopen uit een film, speelt te veel op zeker. Mislukkingen behoren tot het menu, net als de meesterwerken. Tegelijkertijd is het bezoekersaantal van het IFFR voor het tweede jaar op rij gedaald, van 355 duizend in 2008 tot 341 duizend tijdens de afgelopen editie. Die daling is misschien nog niet zorgelijk, maar lijkt aan te geven dat de balans in de programmering niet mag doorslaan naar te obscuur.

De filmpers (die zich dit jaar met honderd man minder meldde in Rotterdam) klaagt al enkele jaren over het ontbreken van echt grote namen onder de gasten van het festival. Ook deze editie schortte het daaraan; niet regisseur Danny Boyle, maar diens co-regisseur Loveleen Tandan werd als ster onthaald bij de vertoning van de publiekslieveling Slumdog Millionaire.

De vraag is of dat erg is. Minder bekende, maar minstens zo interessante makers als Aleksei Balabanov, Claire Denis en Jerzy Skolimowski waren wel aanwezig. Het IFFR heeft zich nooit gepresenteerd als sterrenfestival, wel als een plek waar regisseurs kunnen opstaan. Daartoe geldt de Tiger-competitie, door directeur Wolfson bij de prijsuitreiking nog het ‘vlaggenschip’ van het festival genoemd, als voornaamste graadmeter. Toetreden tot die selectie van 14 films lijkt geen al te indrukwekkend wapenfeit meer. Met het even flauwe als knullig vertelde Dogging: a love story (een soort BNN-telefilm over mensen die seks bedrijven in auto’s) lijkt een ondergrens bereikt. De bovenkant van de selectie was wel sterk. Het Iraanse Be Calm and Count to Seven (over Iraanse bootsmokkelaars) en het Koreaanse Breathless (over een gangster en een schoolmeisje) is cinema in de traditie van het IFFR: rauw en prikkelend. Films die direct nieuwsgierig maken naar volgend werk van de beginnende regisseurs. Daarbij lijkt de derde Tiger-winnaar, het Turkse Wrong Rosary (over de liefde tussen een islamitische gebedsomroeper en een christelijk meisje), een wat conventionele keuze van de jury.

De eerste festivaleditie die volledig onder de regie van de nieuwe directeur viel, kenmerkte zich niet door een breuk in de programmering. Iets wat hij, zoals hij van tevoren duidelijk maakte, ook niet ambieert. In de helderder festivalstructuur is de hand van Wolfson wel duidelijk zichtbaar. Maar het ontbrak aan rumoer: een spetterend filmdebat, of een goede clash tussen filmregisseurs. Iets waar iedereen het een dag later over kan hebben. Moeilijk te regisseren, maar onontbeerlijk voor het juiste festivalgevoel.

Filmfestival Rotterdam (Martijn Beekman / de Volkskrant) Beeld
Filmfestival Rotterdam (Martijn Beekman / de Volkskrant)
Meer over