Feestmode in Hollandse regenbui

De eerste modebiënnale van Arhem is dit weekeinde begonnen met de langste catwalk ter wereld. Twee weken lang een manifestatie van Nederlandse mode voor ‘Libellelezeressen', maar wel met eigenzinnige ontwerpen van soms nog jonge en onbekende kledingontwerpers....

Van onze verslaggeefster Milou van Rossum

Hoe Nederlands een modetentoonstelling kan beginnen. Wie binnenkomt op de expositie in de voormalige Coberco melkfabriek in Arnhem staat meteen in een regenbui. Een zeer plaatselijke regenbui; het water komt ter gelegenheid speciaal uit het plafond.

In de bui staan een serie zwarte kleren van ontwerpers als G+N en Keupr/van Bentm, allemaal in die stijl die kenmerkend is geworden voor Nederlandse mode. Van een afstand sober en streng, maar bij nadere inspectie – hiervoor zijn tweehonderd zwarte paraplu’s beschikbaar – zorgvuldig en knap gemaakt en vaak zelfs feestelijk.

De meer dan tienduizend vierkante meter grote tentoonstelling is sinds dit weekeinde het hart van de eerste modebiënnale in Arnhem. Twee weken lang staat de stad in het teken van Nederlandse mode. Het initiatief van de manifestatie komt van ArtEZ, de modeopleiding van de Hogeschool voor de Kunst in Arnhem, en de gemeente.

Er zijn modeshows, er is een tijdelijke winkel waar kleren van Nederlandse makelij worden verkocht en afgelopen zondag kon heel Arnhem kijken naar ‘de langste catwalk ter wereld’, een anderhalve kilometer lange route door de binnenstad waarop tachtig professionele en niet-professionele modellen Nederlandse mode toonden.

Ook de tentoonstelling in Arnhem is nadrukkelijk laagdrempelig opgezet. Zoals organisator Pieter ‘t Hoen (ook bekend als modeillustrator Piet Paris) vrijdag tijdens de opening van zei: ‘Ik wil dat mijn moeder komt en ook Libellelezeressen. Ik wil laten zien dat mode overal is.’

Dat wil niet zeggen dat de kleren die te zien zijn makkelijk en commercieel zijn. ‘t Hoen heeft gekozen voor een culturele context. Geen Nederlandse massamerken, maar ontwerpers die beschikken over een eigenzinnige, artistieke visie. Marlies Dekkers en Viktor & Rolf zijn waarschijnlijk de enige van de 26 deelnemers die bekend zijn bij het grote publiek. Om de ontwerpen toch dichterbij te brengen, zijn ze bijna allemaal gekoppeld aan herkenbare dingen als het weer, de seizoenen, en de zintuigen.

In de donkere ‘slaapzaal’ ligt een pop in een feestjurk van Percy Irasquin Doornroosje te spelen en staan poppen met een bruidsjurk en kanten mannenoverhemd van Hamid Ed- Dakhissi opgesteld naast een open doodskist. Een windtunnel blaast zachtjes in de verderlichte, verfijnde, uit soms wel zestig patroondelen bestaande jurken van de jonge Ferdinand Schmeits. Viltspecialist Claudy Jongstra heeft, in het kader van ‘voelen’ een grote cirkel bekleed met een reliëf van zijdevezels. En midden op een enorme ijsbaan, waarop mag worden geschaatst, staan jurken van onder meer Viktor & Rolf en Wojciech Dziedzic.

De vrolijkste ruimte is zonder meer de ‘zomertuin’, die de meer uitbundige kanten van de Nederlandse mode belicht. Een zwembad met zwart water vormt de achtergrond voor vier badcreaties van Marlies Dekkers, er zijn kleurige jurken van Spijkers & Spijkers en de sprookjesachtige creaties van Jan Taminiau, een installatie van Cees Krijnen die meer met beeldende kunst dan met mode te maken heeft, en een anarchistisch tuinhuisje van de tegenwoordig onvermijdelijke Bas Kosters.

Misschien de mooiste stukje van de tentoonstelling is gemaakt door Niels Klavers, een installatie die drie jaar geleden al eens te zien was op een tentoonstelling in Rome en voortkwam uit een behoefte aan ‘vrolijk, eenvoudig en makkelijk werk’. Een bolle blouse, geplooid als een opbloeiende bloem, is omringd door tientallen, op stokjes geplaatste miniversies van dezelfde blouse, even gedetailleerd als het grote exemplaar, in klassieke bloemenkleuren als roze, geel en paars. Inderdaad: vrolijk en toegankelijk. En pure modepoëzie.

Meer over