Fabriek van goedheid in hartje stad

Een gebouw met de allure van een stadspaleis, op een toplocatie in het stadscentrum. Dat is de uitdagende manier waarop in Apeldoorn architectuur is ingezet om zwervers en verslaafden nieuwe kansen te geven....

Hilde de Haan

Deftige gebruikers zou je verwachten, bij het zien van de donkere glimmerbaksteen van het fraaie pand aan de Stationsstraat in hartje Apeldoorn. De kleurige luiken van ragfijn staal die vrolijk naar voren steken, de sierlijke patronen in de robuuste gevel, dat alles doet denken dat het hier gaat om dure appartementen met luxe winkels eronder. Maar niets is minder waar. Deze prominente plek is een toevluchtsoord geworden voor de kwetsbaarste inwoners van de stad.

Vaak worden verslaafden, dak- en thuislozen en mensen met een psychiatrische achtergrond opgevangen in bestaande, opgekalefaterde gebouwen die vooral niet te opvallend zijn, verspreid over de buitenwijken van de stad. Maar de gemeente Apeldoorn heeft ze samengebracht in het nieuwe gebouw van Omnizorg, en het gebouw zelf ook nog eens tot belangrijke stedenbouwkundige schakel gemaakt.

Dwars door de nieuwbouw voert een brede passage die het oude stadshart met een gloednieuw deel van het centrum (voorheen: industrieterrein de Kanaaloevers) verbindt. Apeldoorn besloot al in een vroeg stadium van de opknapbeurt van het centrum om Omnizorg centraal te stellen in de stad en daardoor een heel andere boodschap dan gewoonlijk over te brengen: ook wie verslaafd of thuisloos is, mag er zijn.

De architecten van het gebouw, Antoni Folkers en Belinda van Buiten (FBW Architecten) zijn uit tien gegadigden gekozen. Zij waren de enigen die niet direct een gebouw voor ogen hadden, en ze toonden het meeste affiniteit met deze problematiek. Ze werkten jarenlang in Afrika met beperkte middelen en in lastige omstandigheden. Ze waren gewend uitzonderlijk veel aandacht te geven aan voorbereiding, aan uitzoeken wat werkelijk nodig en zinvol is. Ontwerpen komt voor hen pas daarna. Dat paste bij Omnizorg, waar immers een bouwwerk werd gevraagd voor een organisatie zoals nog niet bestond.

Veel overleg met buurtbewoners, hulpverleners, mogelijke klanten van Omnizorg, en beleidsambtenaren begeleidde hun zoektocht. Ook werden verwante projecten bezocht, zoals ’t Groene Sticht in Utrecht, waar een nieuwbouwwijk rond een verbouwde boerderij zo is opgezet dat voormalige daklozen, gezinnen en verstandelijk gehandicapten elkaar versterken.

De belangrijkste inspiratiebron werd gevonden in Parijs. Hier ontwierp Le Corbusier in 1929 de Cité de Refuge; een woon-werkgebouw voor het Leger des Heils dat er nog altijd stralend bijstaat en volgens de oorspronkelijke idee functioneert. Vooral de bijzondere opzet frappeerde. Le Corbusier had deze opdracht aangegrepen om in een door hem verfoeide oude stadsbuurt een ‘woonmachine’ te maken, een ‘fabriek van goedheid’ zoals hij deze noemde. Zijn architectuur moest mensen weer eigenwaarde geven. Daartoe ontwierp hij een gefaseerde weg ‘van straat naar bed’ die bijna als een rituele opgang naar een beter leven is vormgegeven, via een trap en een half besloten binnenplein, langs kantoren waar mensen aan het werk konden komen, naar ruime slaapzalen in glasrijke vleugels.

Het complex van Le Corbusier sprak zo tot de verbeelding dat Omnizorg wel een polderversie van de Cité de Refuge genoemd mag worden. Net als het Parijse voorbeeld is het een baken in de stad: een zeer diep blok met zelfs twee pronte voorgevels, één aan de Stationsstraat, de ander aan een nu nog te realiseren plein (waar allerlei publiekstrekkers komen). Die gevels zijn overigens een verhaal op zich, want waar deze buurt volgens het stedenbouwkundig plan van Rein Geurtsen verder uit lichtgekleurde gebouwen zal bestaan, onderscheidt Omnizorg zich door zijn robuuste, donkere gevels van een speciaal ontworpen baksteen die schittert in het licht. Extra allure geven de sierlijke luiken, kleurige elementen van geperforeerd staal.

Deze luiken hebben meerdere functies. Zo geven ze wat extra privacy, zowel voor de omwonenden als voor de klanten van Omnizorg. En ze dragen, althans volgens de architecten, een boodschap uit. Van Buiten: ‘Hun negen kleuren staan voor de mensen die hier komen. Daklozen worden vaak als groep benaderd, terwijl het kleurrijke individuen zijn.’

Essentieel zijn de winkels in de glazen plinten: een cadeaushop van kringloopartikelen, een fietsenmaker en een wasserette. Zij bieden bewoners van Omnizorg op maat gesneden banen en dwingen meteen contact af met overige stedelingen. Dat laatste geldt ook voor het ‘eigen plein’ van Omnizorg in het hart van het complex: dit is tegelijk een openbare verbindingsroute. Dat geeft een mengelmoes aan publiek: passanten te voet of op de fiets én bewoners van Omnizorg die hier niet worden weggekeken. En de inrichting maakt het er goed toeven. Er zijn beschutte plekken, een stevige boom (een valse christusdoorn) en een met klimplanten begroeide muur. Een glaswand waarlangs water stroomt is bedoeld om het verkeerslawaai te verdringen maar die werkt helaas niet optimaal.

Het exterieur en de buitenruimtes zijn verder, net als bij Le Corbusier, een opstap naar de weg die een klant van Omnizorg binnen af kan leggen. Hier moet de route naar een beter leven immers daadwerkelijk gevonden worden. Dat alles hierop is ingesteld, toont zich direct al in de hal. Dankzij het vele glas straalt deze openheid uit, er staat een sierlijke ronde trap naast een fraai gedetailleerde pilaar maar de sfeer is kil, haast of je er nog buiten bent, en dat komt door de overdaad aan onverwoestbare materialen. Direct verderop wordt de aankleding al wat warmer. Zo zijn de slaapzalen nog onpersoonlijk – al kreeg ieder bed een eigen eikenhouten kastje en betimmering, en zijn er kleurrijke gordijnen van sierlijke stof: een subtiel, door de architecten bedacht signaal dat iedereen verfijning waard is. Op de eerste verdieping is er dan een ‘Grand Café’: een grote zaal die iedereen alsnog een huiselijke plek biedt, zelfs mensen die elders een slaapplek hebben. Maar ook de beschutting van deze plek is wel gekoppeld aan contact met de buitenwereld, de vloer is deels van glas en er zijn grote ramen en een dakterras.

Hoe hoger men komt, hoe knusser en meer aangekleed het interieur is. Zo kennen de etages vier- en tweepersoonskamers en kleine gezamenlijke eet- en woonvertrekken. Helemaal in de top zijn zogeheten penthouses: wie hier eenmaal woont, kan al bijna weer weg. Fraai zijn hier de goudkleurige wanden langs de badcellen en houten pergola’s vol klimop en blauwe regen. Hier kijk je uit over de halve stad.

In de twee maanden dat Omnizorg nu wordt bewoond, is de confrontatie van de idealen met de harde werkelijkheid zeker niet in alles meegevallen. Het glas in de hal ging twee keer aan diggelen. De beveiliging is tijdelijk versterkt en over de aanpak van lastige situaties blijken de medewerkers het nog niet helemaal eens. Soms zijn ideeën bijgesteld, zoals het plan het Grand Café een eigen tap te geven; het café is nu toch maar alcoholvrij. Dat maakt het dan weer nodig een duidelijk protocol te maken voor als bewoners kratjes bier naar boven willen slepen.

Frans Wouters, directeur van Omnizorg, staat niettemin vierkant achter de gekozen opzet. ‘Niemand buitensluiten heeft inderdaad een risico’, legt hij uit. ‘Het kan dat iemand doordraait en kwetsbare anderen meesleept in zijn chaos. Dat kan heel lastig zijn – en isoleercel kent Omnizorg niet.’

Daar staat de overtuiging tegenover dat een intensieve en persoonlijke bejegening van iedere klant de enige kans is op blijvend succes. Zolang mensen van opvang worden uitgesloten, blijven de problemen zeker bestaan. Dat er nog twijfel over deze aanpak bestaat, is onvermijdelijk. Maar architectonisch zijn er in ieder geval wel twee ruimtes waar het vertrouwen erin volop wordt uitgedrukt: de creativiteitsruimte en het bezinningscentrum.

Die creativiteitsruimte ligt centraal in het gebouw, en elke bewoner kan er naar hartelust gebruik van maken. Maar vooral het bezinningscentrum is een bijzondere plek, een rustpunt met een schoonheid zoals je in een instituut als dit niet verwacht.

De ruimte is kegelvormig en heeft een dubbele verdiepingshoogte. Daglicht komt slechts van bovenaf, langs een donkerblauw plafond met sterren erin. In het midden staat een ronde bank, langs de wand is een aantal nissen. Het is de enige plek in het pand waar geen camerabewaking is.

Op een vaste vraag van bezoekers of hij hier dan geen problemen verwacht, reageert Wouters inmiddels als een gebeten hond: ‘De vraag voor dit bezinningscentrum is uit onze doelgroep voortgekomen, juist hiervoor dragen bewoners ideeën aan. Zoals: één nis bestemmen om portretten van dierbaren op te hangen. Of: een aanduiding maken van de richting waarin Mekka ligt. Als je contact maakt, zul je merken dat zij vaak verder zijn dan onze organisatie, en zeer met levensvragen bezig zijn. ’

Meer over