Expositie Delacroix vertoont te veel gaten in collectie

De National Gallery laat de enorme invloed van Eugène Delacroix op schilders als Van Gogh, Signac, Renoir en Cézanne zien. Jammer dat de Londense expositie zo veel hiaten kent.

Piëta van Eugene Delacroix (1850) Beeld Eugène Kunstner Delacroix/Nasjonalmuseet for kunst
Piëta van Eugene Delacroix (1850)Beeld Eugène Kunstner Delacroix/Nasjonalmuseet for kunst

Kom er maar in, Paul: 'Een reus... Een van de mooiste paletten van Frankrijk. [...] Je vindt ons allemaal in Delacroix. Wanneer ik spreek over kleuren om kleurens wille, dan bedoel ik dit - ze dringen je oog binnen als een glas wijn in je slokdarm en maken je direct dronken.'

Aldus noteerde schilder Paul Cézanne over Eugène Delacroix (1798-1863). Precies hierover, de invloed van de beroemde 19de-eeuwse romantische schilder op zijn slippendragers (impressionisten en post-impressionisten) gaat de tentoonstelling Delacroix and the rise of modern art in de National Gallery.

Dat woord 'romantisch' verdient toelichting. Het heeft in deze context weinig van doen met valentijnskaarten of dinertjes bij kaarslicht, en alles met kunst die primair gericht is op het gemoed. Kunst, meende Delacroix, moest dat gemoed raken, als het kon een beetje stevig ook. Daarom werkte hij uitputtend naar literaire bronnen, Shakespeare, Byron, en koos hij onderwerpen met een sterk dramatisch potentieel. Een Assyrische Koning die - op het punt door de vijand overmeesterd te worden - zijn hofhouding laat afslachten bijvoorbeeld (uiteraard bestond die hofhouding uit schaars geklede maagden). Een gevecht tussen leeuwen en paarden. Een groep geagiteerde revolutionairen op een berg lijken. Een schilder met 'de zon in zijn hoofd' en 'een storm in zijn hart', noemde Baudelaire Delacroix, en inderdaad: bij hem was het alles high drama wat de klok sloeg. Ook zijn kwaststreek - die was tamelijk onstuimig.

Gelukkig waren zijn kunstbroeders op het pluche van de Academie ruimdenkende heren die met zo'n afwijkende benadering van schilderen geen enkel probleem hadden - maar niet heus.

Ongepolijst werk

Delacroix vond zich terug in het brandpunt van een van de oudste, en dus ook vermoeiendste twisten die kunstenaars door de eeuwen heen verdeelde, die tussen de pleitbezorgers van disegno en die van colore. Deze stammenstrijd, die minstens teruggaat tot de 16de eeuw - toen Romeinse (disegno) en Venetiaanse (colore) schilders elkaar erover in de haren vlogen - draait om wat werkelijk telt op een schilderij: lijn of kleur. Beide, zou je zeggen, maar in Delacroix' tijd was de opinie van de Academie, die als heersende opinie gold, dat alles draaide om lijn. Dus oogden de figuren van schilders als Jean-Dominique Ingres als standbeelden en hun scènes als toneelstukken. Delacroix gold, zoals je ziet op de geinige spotprent waarop de heren elkaar op ezeltjes te lijf gaan met kwasten als lansen, als Ingres' tegenstrever. Zijn werk was relatief ongepolijst. Zijn schilderijen oogden niet gladjes. Zijn schildertoets was zelfs zichtbaar! In kamp-disegno vonden ze dat niet leuk.

Het paste Delacroix. Hij was, zoals een tijdgenoot treffend typeerde, een man die gepassioneerd verliefd was op de passie zelf; hij was geboren voor controverses. Telg uit een van Frankrijks invloedrijkste families (zijn vader was minister van Buitenlandse Zaken in de directory-era; zijn peetvader een gewiekste diplomaat onder Napoleon III) en wees vanaf zijn 16de, leefde hij altijd tegen de keer. Hij verkoos zelfscholing boven klassiek onderwijs en de kunst van de Britse bezetter (Constable) boven die van zijn eigen land. De schrijver Huysmans typeerde hem als volgt: 'Vreemde man. Altijd imperfect. Een titanenkracht tegen de comateuzen in de kunst.'

null Beeld Collectie van Gogh Museum
Beeld Collectie van Gogh Museum

Een nogal drakerig tafereel

Nu bekijken we zijn werk anders, los van 19de-eeuwse schoolstrijden en met kennis van wat erop volgde: impressionisme, postimpressionisme, expressionisme, en het moet gezegd: dat maakt het niet beter. Delacroix, het hoge woord moet eruit, viel tegen. Zeker, de tentoonstelling in Londen toont hem weinig flatteus - zowel gespeend van topstukken als van het medium waarin hij uitblonk: de tekening, vooral zijn impressies van paarden en katten - maar dan nog: de schilderijen deden de reputatie geen eer aan. Ze zijn kleiner dan verwacht, een huiskamerbioscoopje tegenover Rubens I-max, houterig van opzet, doorwerkt. Goed, ze getuigen van een uitstekend gevoel voor kleur; in een doekje als Baadsters botst het geel prachtig op het Pruisisch blauw, dat koeltjes afsteekt tegen het karmijn dat weer is doorsneden met koningsblauw en opgehoogd met brandweerrood - ja, kleur daar kon Delacroix mee uit de voeten, maar het tafereel als geheel oogt nogal drakerig. In die zin betoont Delacroix zich hier een typische overgangsfiguur: meer vernieuwend dan per definitie goed, eerder invloedrijk dan aantrekkelijk.

Die invloed, die mooi wordt geïllustreerd door de acolieten - Manet, Courbet, Whistler, Baudelaire, op het rouwportret dat Fantin-Lantour bij wijze van hommage schilderde (belangrijke omissie in de tentoonstelling) - was sterk en zeker niet eenduidig. Christopher Riolle, een van de samenstellers, noemt Delacroix in de catalogus een Rorschachinktvlek, een fraaie vondst: iedere bewonderaar zag in hem iets anders. Renoir, bijvoorbeeld, raakte in de ban van Delacroix' decoratieve oriëntalisme en ook van de bravoure van zijn toets. Hij kopieerde diens Joodse Bruiloft in Marokko centimeter voor centimeter (nog een omissie hier) en maakte een portret van een Algerijnse (eigenlijk de jonge vrouw van een Parijse antiekhandelaar in Noord-Afrikaans joods kostuum) waarin hij zijn voorbeeld in directheid naar de kroon stak.

Het Eeuwige Vrouwelijke

Cézanne liet zich, tamelijk verrassend, leiden door Delacroix' hoedanigheid van peintre philosophe, denkende schilder dus, kenner van Italiaanse tragedies en Britse komedie, en dan in het bijzonder door zijn gave om middels improvisatie literaire thema's te transformeren; Het Eeuwige Vrouwelijke, met haar arcerende schilderstrant - nog iets waarin Cézanne schatplichtig was aan Delacroix - is er een mooi voorbeeld van.

Ik zou hier Delacroix' invloed op andere adepten (Redon, Bastille, Gauguin, Degas) kunnen beschrijven, maar daar heb ik geen zin in, en u waarschijnlijk ook niet; eentje echter moet nog genoemd worden: Signac. Die probeerde Delacroix' kleurgebruik in te kapselen in een (quasi)wetenschappelijk systeem.

Dat klinkt ingewikkelder dan het was. Waar Signac hevig door was gegrepen, en wat we tegenwoordig als vanzelfsprekend beschouwen, was de complementaire kracht van kleuren: dat sommige tinten elkaar opstuwen en andere elkaar afzwakken, dat oranje naast blauw sterker oogt dan oranje naast rood, en dat je daar als schilder mee kunt spelen. Dat als je ze op het doek dicht naast elkaar plaatst, ze op de kijkers netvlies mengen: oranje + blauw = grijs.

Gekleurde bolletjes wol

Signac buitte die kennis uit door kleine vlammetjes te schilderen die zich in je hoofd tot een tintelend geheel vormen, optisch mengen heet dat. Vincent van Gogh, op zijn beurt, deed iets soortgelijks. Ook die had met z'n neus op Delacroix' 'arbitraire kleuren' gestaan. Als geheugensteuntje droeg hij gekleurde bolletjes wol mee. Een expositie kan zulke dingen aanschouwelijk maken. De selectie in de National Gallery doet dat slechts bij benadering.

Die is soms onlogisch en zit vol hiaten. Soms wordt dat handig ondervangen, bijvoorbeeld door de piëta die Van Gogh naar een reproductie van Delacroix maakte ('Delacroix had een passie voor de twee meest afgekeurde kleuren, Pruisisch blauw en citroen geel [...] echter hij deed er geweldige dingen mee') te vervangen door een Christus-in-bootvoorstelling, een doek waarin de heiland gekleed gaat in een voor Delacroix karakteristieke Pruisisch blauwe mantel en wordt omkranst door een al even karakteristieke gele halo.

Maar op andere momenten zijn de gaten pijnlijk. Neem de ruimte met naakten. Daarvan maakte Delacroix er vele en sommige werden direct gekopieerd (onder anderen door Cézanne), maar dan moet je die stukken wel tonen en niet een ensemble van schijnbaar willekeurige doeken waarvan de enige gemene deler is dat de figuren naakt zijn. Onderschatte men de vereiste bruiklenen? Daar lijkt het op. Is dat een gemiste kans? Nogal.

Van Gogh over Delacroix

Velen waren in de ban van Delacroix; Van Gogh ook. Dit schreef hij vanuit Nuenen in april 1885 aan broer Theo: 'Het is de tweede keer dat ik veel aan Delacroix heb gehad. De eerste keer ging het om zijn theorie van kleur, maar ik las ook zijn gesprekken die hij had met andere kunstenaars over het maken, wat betekent: het scheppen van een schilderij. Hij was ervan overtuigd dat je een schilderij het beste maakte - uit het geheugen. Uit het hart!, zei hij.'

Meer over