Essay

Even aan alles willen ontsnappen zit diep in de menselijke natuur. Wat kan escapisme ons brengen?

null Beeld Fien Jorissen
Beeld Fien Jorissen

Het lijkt in de lockdown onze enige optie: met hulp van games, boeken of de fantasie vluchten uit de grauwe werkelijkheid. De Volkskrant verdiept zich de komende weken in escapisme.  

Magisch denken en almaar hoger opflakkerende hoop hebben 2021 belast met een taak van jewelste. Na de reeks teleurstellingen (of erger) die het jaar 2020 voor de mensheid in petto had, maken we ons op voor het Jaar Dat Alles Zal Goedmaken.

Journalisten en wetenschappers verdrongen elkaar reeds om een decennium analoog aan de jaren twintig van de vorige eeuw aan te kondigen. Want na een grauwe eenvormige homp volgt een periode vol wilde krachten en creatieve erupties.

Al naar gelang het optimisme van de voorspeller dient de roerigheid zich ergens in de loop van dit kalenderjaar of pas tegen 2024 aan.

Menigeen beseft inmiddels dat de aaneenschakeling van uitgestelde feesten, vakanties, premières, sporttoernooien, festivals en andere mensbevolkte uitspattingen vermoedelijk nog wel even op zich laat wachten. Maar we verheugen ons alvast te pletter.

Opgesloten in onze huizen, veroordeeld tot dralen, de tijd voorbij wensend, lijkt ontsnappen onmogelijk. Toch vergeten we dan een uniek menselijk talent – dat niet door alle experts als zodanig wordt omschreven. Namelijk ons vermogen tot escapisme, de weg van het geestelijke hazepad.

Zou escapisme de onvermoede bondgenoot in quarantaine kunnen zijn?

Escapisme laat zich wat lastig definiëren. Het Engelse woord escape, waar escapisme van is afgeleid, komt uit het Latijn. Ex betekent ‘uit’ en cappa ‘mantel’. Door uit je mantel te schieten en die in de handen van je belager achter te laten, kun je ontkomen.

Van Dale houdt het op ‘het streven of zoeken (...) van een vlucht uit de dagelijkse werkelijkheid, uit de moeilijkheden van de eigen tijd of het eigen leven’. Psychologen zien escapisme als een manier van omgaan met stress.

De achtergelaten werkelijkheid hoeft niet per se grimmig te zijn, al zou het goed kunnen dat escapisme in tijden van crisis weliger tiert. Denk aan de aidsepidemie in de jaren tachtig, die jonge homo’s dansend op de vulkaan poogden te bezweren.

Met of zonder dagelijkse misère kan de behoefte aan een mentaal of fysiek elders nijpend zijn, zo zullen we de komende weken tonen in V, aan de hand van tevreden nieuwsmijders, bosbaders (waarover spoedig meer) en Funda-verslaafden.

Want is het behalve lekker of heilzaam niet gewoon van levensbelang om je van tijd tot tijd te verschuilen voor de meedogenloze grillen van het bestaan?

Nu we neigen naar een ode aan de escapist, vraagt u zich natuurlijk prompt af hoe u er een kunt worden. Geen zorgen, u bent het al. Het is inherent aan uw mens-zijn. U bent er vermoedelijk zelfs de godganse dag mee in de weer. Elk verlangen, elke heimwee, elke fantasie, elke hoop – ja, ook de hoop op een leven na corona: escapisme.

Filosofen die er hun gedachten over lieten gaan, bezien de neiging tot vluchten – zowel mentaal als fysiek – over het algemeen als een typisch menselijke zwakte, la condition humaine, zegt Denker des Vaderlands Daan Roovers. Oftewel: de mens heeft een diepgeworteld onvermogen om de willekeur van het leven te verdragen.

Kierkegaard bijvoorbeeld, de 19e-eeuwse Deense denker, had het over ‘afwezigheid’. Roovers: ‘Hij zag hoe het ons bijna nooit lukt om aanwezig te zijn in het moment. De mens is altijd bezig weg te willen van de plek en het moment waar hij is. We zoeken de essentie van ons bestaan in het verleden en de herinnering, of in de toekomst. En niet in het verdragen van hoe het is.’

Ook Albert Camus, auteur van De pest, het boek waarnaar gretig werd verwezen kort na het uitbreken van de pandemie, bezag de mens als ras-escapist. Al had hij beduidend meer compassie voor dit menselijke tekort dan Kierkegaard. ‘Hij zag de contradictie van het bestaan haarscherp’, zegt Roovers. ‘We leven in een leeg en betekenisloos universum en proberen daar de hele dag betekenis aan te geven.’

Je aan deze tragiek, de zinloosheid en het gegeven van de eigen sterfelijkheid onttrekken – joehoe, escapisme – zag Camus zowel in het geloof in een alwetende God die de boel wel even komt regelen, als in een dogmatisch geloof in de wetenschap als middel om antwoorden te bieden.

Albert Camus Beeld Getty
Albert CamusBeeld Getty

Camus werd zelf op jonge leeftijd, toen hij tuberculose kreeg en de arts zijn dood aankondigde, geconfronteerd met zijn eigen sterfelijkheid. Dat was een ontwrichtend moment. Hij kon twee dingen doen. Of er continu aan denken, óf doen alsof het er niet was. Beide routes keurde hij af. Roovers: ‘Hij vond het de uitdaging van het bestaan om het gegeven van sterfelijkheid uit te houden, die voortdurende spanning te verdragen. Weten dat het leven zinloos is, weten dat je doodgaat en dat aan het einde van de streep ook geen betekenis wacht, en toch voortdurend trachten er betekenis aan te geven.’

Een zoektocht in het digitale kranten- en tijdschriften-archief Delpher leert ons dat het begrip ‘escapisme’ voor het eerst in de 1947 opduikt in een Nederlandse krant. In een artikel in de Maasbode over politiek wantrouwen. Een Engelse frats, aldus de Londense correspondent die het begrip tussen aanhalingstekens noteert. Zijn definitie: de neiging van de overgrote massa die zich het dagelijks leven niet wil vergallen door te denken aan de onzekere en sombere vooruitzichten.

De Leeuwarder Courant doopt het op 6 januari 1948 zelfs tot woord van de dag. Auteur P. constateert dat het een term betreft van ‘het welig-groeiend geslacht van -ismen’. Ditmaal geen ‘positief-gerichte, wereldhervormende beweging’, maar een ‘afbrekende, ontkennende, uit teleurstelling en ontnuchtering geboren streving’. Een levenshouding die P. overigens ‘volkomen begrijpelijk’ acht na twee wereldoorlogen en twee mislukte vredes. Waaruit de ‘escapistische toevlucht’ zoal bestaat? ‘Burgerlijkheid en nihilistische lectuur.’

Het escapisme dat in kranten en bladen opduikt, verwijst aanvankelijk vooral naar een apolitieke levenshouding. De decennia die volgen tonen dat men over de invulling van het fenomeen behoorlijk van mening verschilt.

Zo is er de pastoor, die in Beatrijs, katholiek weekblad voor de vrouw (september 1957) de ketterse medemens een ‘escapist van het zuiverste water’ noemt, vanwege zijn ‘geestelijke vlucht voor de waarheid’ en ‘Gods liefdesgreep’.

In de jaren negentig gaat het woord veelvuldig hand in hand met de partyscene van dat tijdvak: escapisme in de vorm van dancemuziek en bijbehorende xtc-pillen. Zoals in de reportage van de tweede editie van het housefestival Mysteryland, in de Volkskrant op maandag 27 juli 1994: ‘Escapisme van jongeren die door het lint willen gaan’. Op de Maasvlakte treft de verslaggever onder anderen ‘bont uitgedoste neo-hippies, een hele voetbaldivisie trainingspakken en ontzettend veel kaalkoppen’, die ‘gebroederlijk’ tijd en plaats vergeten in zes danstenten. Enige dissonant: flyerende EO-afgezanten die pogen de jeugd te redden uit ‘het land van duisternis van de house-beweging’.

Een verdere greep uit zaken in het archief die ‘escapistisch’ genoemd worden: joggen, Dynasty, Astrid Lindgren, vandalisme, pornografie, een filmbezoek, non-engagement, reizen, masturbatie, weelde en wellust, het dragen van een cowboyhoed, sciencefiction, alcoholisme, nostalgie, hatha yoga, detectives en Star Wars.

Goed, een vlucht dus, aldus de psychologie, in een poging de dagelijkse boel de boel te laten. Maar heeft het ook effect?

Ontwikkelingspsycholoog Geert Verheijen promoveerde afgelopen jaar aan de Radboud Universiteit Nijmegen op de samenhang tussen gamen en sociaal welzijn van adolescenten. Gamen is welhaast de ultieme variant van escapisme, aangezien de gamer een virtuele werkelijkheid betreedt waarin hijzelf de fictieve glansrol mag vertolken.

‘Het kan best gezond zijn, even vluchten, afleiding zoeken in een andere werkelijkheid’, zegt Verheijen. ‘Het kan je zelfs op andere ideeën brengen om problemen op te lossen. Het onderbewuste denken gaat namelijk door.’

Volgens de theorie van de zelfbeschikking heeft de mens  drie basisbehoeften, legt Verheijen uit. We willen ons competent voelen, we willen onze eigen keuzen maken (autonomie) en we willen sociale relaties aangaan en onderhouden. ‘Het klinkt misschien gek, maar games kunnen voldoen aan al deze behoeften. Met één druk op de knop red je de wereld, in tegenstelling tot bij films, muziek, series of boeken, maak jij de keuzes – jij hebt de controle. En je kunt het ook nog samen met anderen doen.’

Wat wel opviel: de jongeren die escapisme noemden als reden om te gamen, hadden vaker een laag zelfbeeld en voelden zich eenzamer. ‘Psychologen zien escapisme als passieve manier van omgaan met stress’, zegt Verheijen. Actief is: de problemen die de stress veroorzaken aanpakken.

Maar wat nu als het oplossen van een probleem buiten je macht ligt (corona, lockdowns, Trump)? Dan is het, zo blijkt, niet verstandig om daarop psychologisch te blijven herkauwen (de wetenschappelijke definitie van piekeren) en is jezelf afleiden van de bron van stress juist reuzegezond.

Een denker die het menselijk vermogen tot escapisme prees, is de Duitse filosoof en marxist Ernst Bloch. Bloch, ook wel de filosoof van hoop genoemd, zag escapisme als hét startpunt van verandering of revolutie. Hoe anders dan ‘via dagdromen en hoop’ kon de mens ‘de dingen fundamenteel anders zien’ en daarmee een nieuwe, betere (in het geval van Bloch: socialistische) samenleving tot stand brengen?

Ook in de literatuurwetenschap wordt escapisme juist bepleit. Bekende schrijvers die het menselijk ontsnappingsvermogen bezongen zijn J.R.R. Tolkien en C.S. Lewis, behalve academici niet geheel toevallig beiden auteurs van nogal verbeeldingsrijke werken (Lord of the Rings en The Chronicles of Narnia, respectievelijk).

null Beeld Fien Jorissen
Beeld Fien Jorissen

Zo schreef Tolkien in 1938 een beroemd geworden essay over het belang van sprookjes (On Fairy Stories) waarin hij betoogt dat goede sprookjes nieuwe sensaties bieden en zo het idee van wat mogelijk is in de menselijke ervaring vergroten. Wat is de mens zonder verbeelding, vroeg hij retorisch. ‘Een gevangene dient toch ook niet louter te denken aan cellen en cipiers?’

Dat escapisme überhaupt als iets negatiefs kan worden gezien, verrast Lotte Jensen. De hoogleraar Nederlandse literatuur- en cultuurgeschiedenis (Radboud Universiteit Nijmegen) kan het zich haast niet voorstellen, want vertoeven in literatuur is escapisme pur sang, en is er iets betoverender of wezenlijker dan dat?

Verbeeldingskracht schept tenslotte kunst. Of het nu romans zijn of verhalen, theater, muziek, beelden of dans: het parallelle universum van kunst zit vol met dat wat we ontvluchten – leed, menselijk onvermogen, liefde en levenspijn – en is daarom, behalve een pleisterplaats, ook een oefening in lijden, even bezwerend als onthutsend.

Of in de woorden van Virginia Woolf: de deur openzetten voor een horde rebellen die binnenstormt en je van twintig kanten tegelijk aanvalt. Nee, de vlucht brengt ons niet per se naar een plek waar het aangenaam toeven is.

De historische hoogtijdagen van het escapisme worden vaak geplaatst in de Romantiek, vanaf de late 18de eeuw. Bij schrijvers als Rousseau, Goethe, Byron. Al gebruikten tijdgenoten de term niet. Denk: weltschmerz, eenzaamheid, de woeste natuur, een hevig gevoelsleven en als ultieme vorm ontsnapping de zelfverkozen dood.

De komst van de industriële revolutie verhevigde het verlangen naar het oorspronkelijke, de ongerepte natuur, zegt Jensen. ‘Een vorm van heimwee naar een zorgeloze kindertijd of nostalgie naar een puur leven dat je nooit hebt gekend. Zoals Rousseau schreef: het verlangen een natuurmens te zijn. L’homme sauvage.’

Een stroming overigens die in Nederland nooit helemaal van de grond is gekomen, aldus Jensen. Lachend: ‘Het verhield zich slecht tot het burgerlijke nutsdenken en calvinisme.’

Of het nu voortkomt uit hedonisme, onvermogen, angst, nood of verveling: escapisme is niet weg te denken uit ons leven. We rijgen afleveringen van series aaneen, drinken de week (of dag) weg met een glas wijn, hollen het hoofd leeg en verscrollen de tijd.

Schrijver en psycholoog Marian Donner noemt escapisme zelfs een daad van verzet. In 2019 verscheen van Donner ‘Het zelfverwoestingsboek’, een vlammend betoog tegen de maakbaarheid van de mens en het keurslijf van de zelfoptimalisatie – vermomd als parodie op het zelfhulpgenre.

Volgens Donner is het neoliberalisme zo ver doorgevoerd dat we ‘de belachelijke eisen van de markt zelfs hebben geïnternaliseerd’. We zijn continu bezig de beste versie van onszelf te worden. Het hier en nu is alleen maar dwingender geworden. ‘Zelfs bij kinderen is die druk al voelbaar, kijk maar naar de documentaireserie Klassen. kinderen voelen prestatiedruk. We maken onszelf gek met to-do-lijstjes, alles moet nut hebben, we ontspannen op de klok, alles wordt gepland.’

Die zogenaamde beste versie van jezelf – glad, fit, gezond, jong, zen, positief, gedisciplineerd en productief – is uiteindelijk vooral goed voor de economie. Voor onze menselijkheid doet het niets dan kwaad. ‘Het idee dat succes en gezondheid een keuze zijn, is een leugen. Het maakt ons tot overspannen radertjes in een machine met perfecte gezonde lichamen die gezamenlijk in aangemoedigd consumptiegedrag de aarde vernietigen en doodsbang zijn om te falen. Wie is daar precies bij gebaat?’

Het is daarom hoog tijd om de escape-toets in te drukken, te ontsnappen en zo weer mens te worden. In haar boek gaat Donner op zoek naar die onderdelen van onze identiteit die de kracht bezitten om de dominante neoliberale ideologie te ondermijnen. Ze komt uit bij verhalen, muziek, kunst en de nacht. Wat deze zaken gemeen hebben?

De roes. De roes die ons laat ontsnappen aan de wereld van praktisch nut, van doelen en goals, ‘zonder de aanwezigheid van de zwaarte van de toekomst die overal een schaduw over werpt’.

De ode aan de roes, die Donner al schoppend tegen de gezondheidscultus en maatschappelijke dwang tot zelfdiscipline koppelt aan drank, drugs en sigaretten (‘een soort ongezonde mindfulness’) is bovenal een ode aan het irrationele, het onverwachte en het onbedwingbare – dat wat niet op het to-dolijstje staat. Oftewel: aan de vlucht.

Ze verwijst naar de Britse filosoof Bertrand Russell, die betoogde dat het mis ging met de mensheid vanaf de uitvinding van de landbouw. Vanaf dat moment is de mens de natuur meer en meer gaan controleren. De gedachte was natuurlijk: we zullen niet meer ten prooi vallen aan koude winters, honger of wilde dieren, maar we zijn toen ook iets verloren: het samenvallen met onze dierlijke variant.

Of, in de waarschuwing van historicus en schrijver Yuval Noah Harari in Homo Deus: we gebruiken niet alleen machines, we zijn er zelf een geworden.

Wat overblijft, is de mens als diep verscheurd en tegenstrijdig wezen. Hunkerend naar leven bij de dag, één zijn met de natuur en iets groters erkennen dan zichzelf. Terwijl de tijdgeest dwingt tot exact het tegenovergestelde.

En de reddingsboei? Escapisme natuurlijk, als ultieme vorm van verzet en juist heel geëngageerd. Dus laaf u aan een dagelijkse dosis, brei, roddel, surf, slaap of masturbeer. Wees een held en sla op de vlucht.

Het nut van kunst

Kunst is nutteloos, dacht dichter, schrijver en acteur Ramsey Nasr. Tot een virus de wereld stillegde. In een hartstochtelijk essay in NRC betoogde hij afgelopen april (anderhalve lockdown geleden) dat kunst (van gedicht tot ballet, van roman tot opera) het vermogen heeft ons voor een moment buiten onszelf te brengen en ons verlost uit de stilstand. Oftewel: in extase. Ek betekent ‘uit’ in het oud-Grieks, stasis betekent ‘toestand, stilstand’. Juist omdat kunst geen enkele zekerheid biedt, voert het ons weg van hier en onszelf, schrijft Nasr. ‘Ik heb nood aan onzekerheid; aan de erkenning dat we niet onkwetsbaar zijn.’ Daarom biedt kunst houvast, door mee te wankelen.

Lees ook

Op de oorlog en de Spaanse griep honderd jaar geleden volgden de roaring twenties. Na de pandemie, schrijft Peter Giesen, kan ook zo’n tijdperk van vrolijkheid en hedonisme aanbreken. Wordt 2021 het jaar van de roes?

Vergis u niet, 2020 was een duister jaar vol schittering, betoogt filosoof Alicja Gescinska.

De gevolgen van de coronapandemie leren ons uiteindelijk veel over onszelf, betoogt Daan Roovers, Denker des Vaderlands. Zin vinden in afzondering.

‘Voor een goed leven hoef je niet de hele dag nuttig te zijn.’ Het zijn relativerende woorden van hoogleraar filosofie van de gezondheidskunde Maartje Schermer in een tijd waarin de westerse mens ervaart hoe het is om niet altijd in controle te zijn.

Haar idee over positieve gezondheid heeft de publieke zorg opgeschud. Niet ziekte maar het vermogen om met levensuitdagingen om te gaan, zou de kern van zorg moeten zijn, stelt gezondheidsonderzoeker Machteld Huber.

Leven in een onzekere situatie was in veel landen ook vóór corona al de realiteit. Voor inwoners van het bevoorrechte deel van de wereld is het echter een enorme schok, constateert Olaf Tempelman

Meer over