Europese schrijvers in Weimar

Bij alle kunstmanifestaties die er dit jaar in Weimar, de culturele hoofdstad van Europa, worden georganiseerd, is geen enkel groot literair congres....

OVER LITERATUUR in de nazi-tijd praat men niet graag in Weimar. Logisch, want de vier Weimarer Dichtertreffen eind jaren dertig en begin jaren veertig, die hadden moeten leiden tot de oprichting van een Europäischer Schriftstellerverein, zijn behoorlijk suspect geweest. Ze werden namelijk georganiseerd door het Duitse ministerie van Volksvoorlichting en Propaganda, dat onder leiding stond van dr. Joseph Goebbels. Het doel van de vier bijeenkomsten: de zegeningen van de Nieuwe Orde te verkondigen.

Aan dergelijke vergaderingen wordt men liever niet herinnerd. In ieder geval niet in het hedendaagse Weimar, waar de culturele-hoofdstad-organisatie zich weinig toeschietelijk toont wanneer de Dichtertreffen ter sprake komen. Nein, daar kan men geen enkele inlichting over geven. 'Das war damals.'

Trouwens, ook elders is het vrij moeilijk gegevens over de vier bijeenkomsten boven tafel te krijgen. Pas veertig jaar na dato, in 1993, verscheen de eerste serieuze studie van Jan-Pieter Barbian, getiteld Literaturpolitik im 'Dritten Reich', waarin een hoofdstukje aan de conferenties is gewijd en dit najaar komen ze ter sprake wanneer het boek Als een oude Germaanse eik van Hedwig Speliers verschijnt. Speliers geeft hierin uitleg over de verhouding die de Belgische schrijver Stijn Streuvels met Duitsland had. Volgens Speliers heeft Streuvels, die in Duitsland zeer populair was en in 1941 een eredoctoraat kreeg aan de Universiteit van Münster, zijn bemoeienissen met de Dichtertreffen uit zijn dagboeken weggemoffeld.

Of Streuvels ook werkelijk een van de congressen heeft bezocht, is onwaarschijnlijk. Vast staat wel dat hij te maken heeft gehad met het belangrijkste vergaderpunt van de laatste twee bijeenkomsten in 1941 en 1942: de oprichting van de Europäische Schriftstellerverein. Deze schrijversvereniging zou de tegenhanger moeten worden van de in Londen gevestigde PEN-club.

Streuvels is overigens niet de enige Vlaamse schrijver geweest, die ongaarne aan zijn Duitse avonturen werd herinnerd. Ook de populaire schrijvers Ernest Claes (De Witte) en Felix Timmermans (Pallieter) hielden hun Duitsvriendelijkheid graag stil toen de oorlog eenmaal voorbij was.

Waren er ook Nederlandse deelnemers aan de vergaderingen, die vooruitliepen op de Europese literaire situatie na de Endsieg? Jazeker. Waarschijnlijk is de thans vrijwel vergeten, maar voor de oorlog bekende Jan H. Eekhout erbij geweest. Zeker is dat echter niet. In elk geval was er wel de etymoloog prof. dr. Jan de Vries, voorzitter van de letterenafdeling van de Kultuurkamer. Dat viel ook moeilijk te verdoezelen, want De Vries deed in het blad van de Kultuurkamer De Schouw verslag van zijn bezoek aan het vierde Weimarer Dichtertreffen in oktober 1942. De Vries in De Schouw: 'Zeer zeker zullen geregelde bijeenkomsten in Weimar een krachtige steun zijn om de idee der Europese eenheid ook op het gebied der literatuur te verwezenlijken.'

Voor wie de context niet kent, klinkt deze zin vrij onschuldig. Maar onschuldig waren de Weimarer Dichtertreffen met hun doeleinden beslist niet, al deed minister Goebbels er wel alles aan om het zo te doen lijken. Ze dienden niets minder dan de progaganda voor het duizendjarige rijk. Dat begon al bij het eerste congres in 1938, toen er nog louter Duitse auteurs aan deelnamen en het begrip Europa nog geen rol speelde. Bij die gelegenheid liet Goebbels met de nodige publiciteit de destijds bekende schrijver Ernst Wiechert uit het concentratiekamp Buchenwald vrij en 'nodigde hij hem uit' samen met 250 andere Duitse schrijvers het Dichtertreffen bij te wonen.

Natuurlijk wist Wiechtert dat hij een speelbal van de nazi-propaganda was, maar vanuit Buchenwald - dat overigens pal naast de deur lag - kon hij de uitnodiging moeilijk afslaan.

Een dergelijk niet te weigeren verzoek kreeg drie jaar later, bij het derde Treffen in 1941, ook de fatsoenlijke Duitse arts/auteur Hans Carossa. In zijn geval school ook een adder onder het gras, want in de boezem van het ministerie van Propaganda was begin 1941 het plan voor de Europese schrijversvereniging gerijpt. Carossa zou daarin een een belangrijke rol moeten gaan vervullen.

Het idee was dat de schrijversclub tijdens de bijeenkomst spontaan zou worden opgericht en onder voorzitterschap van een onverdachte schrijver zou komen te staan. In dat kader moest de indruk worden gewekt dat het idee voor de vereniging niet door de nazi's, maar door de schrijvers zelf was bedacht. Degenen die zich voor Goebbels' karretje lieten spannen waren niet de minsten: De bejaarde Noorse Nobelprijswinnaar voor literatuur Knut Hamsun, de Finse Maila Talvio en inmiddels ruim zeventigjarige Stijn Streuvels. Zij waren officieel de initiatiefnemers.

De naïeve Carossa had niets in de gaten. Hij kwam naar de vergadering en zag zich plotseling tot voorzitter gekozen. Er waren geen andere kandidaten. Carossa weigerde, hield dat enkele uren vol, maar werd toen zo onder druk gezet, dat hij wel moest instemmen met de benoeming. Veel werk had hij er overigens niet aan. Daar waren de nazi's ook niet op uit. Zijn naam was het belangrijkst. De administratie werd gevoerd door secetaris dr. Carl Rothe, een onvervalste nazi.

Het doel van de vereniging was de geestelijke eenheid in Europa te bewerkstelligen. Die was er weliswaar nog niet, maar het was verstandig de zaken organisatorisch alvast op orde te hebben.

Het jaar daarop, in 1942, zou de schrijversvereniging zijn definitieve beslag krijgen. Daartoe werden in het vroege voorjaar, literaire mandarijnen uit zestien Europese landen uitgenodigd naar het beroemde hotel Elephant, waar ook Hitler en Goebbels onderdak vonden als ze in Weimar waren. Zij moesten de najaarsvergadering voorbereiden. Een van de uitgenodigden was de eerdergenoemde Jan de Vries.

In het halve jaar dat het nog zou duren vóór in het najaar het vierde grote Dichtertreffen ging plaatsvinden, werden enkele zaken duidelijk. Zo verliep de ledenwerving voor de Europese schrijversvereniging bijzonder stroef. Niet meer dan dertig buitenlandse schrijvers waren bereid lid te worden. Ook collaborerende auteurs kregen in de gaten dat ze voor Goebbels' propagandakarretje werden gespannen. Dat was op zichzelf nog overkomelijk, als niet tezelfder tijd de oorlogskansen van Duitsland aan het wankelen waren geraakt. De eindoverwinning lag ineens niet meer voor de hand.

Voordat het congres op 8 oktober 1942 begon, had dan ook een aantal belangrijke belangrijke deelnemers afgehaakt. Onder hen Hans Carossa. De voorzitter had zich ziek gemeld. Ook uit Frankrijk lieten auteurs het afweten.

EEN VAN de gevolgen van het verminderde enthousiasme was dat er op die eerste grootscheepse vergadering van het Europese schrijverscongres geen buitenlandse sprekers waren. Wel Duitse, onder wie Goebbels zelf. De sprekende schrijvers, van wie sommigen in Wehrmachtuniform, lieten echter hun ware gezicht zien. De redevoeringen waren vol haat en pathetisch. Zo riep Gerhard Schumann zijn toehoorders op niet alleen over de oorlog te schrijven, maar het woord bij de daad te voegen en zelf actief aan de oorlog deel te nemen. Dat was nu ook weer niet de bedoeling van de vaak op gevorderde leeftijd gekomen aanwezige auteurs. Zo stierf het Dichtertreffen een stille dood. Er stond nog wel een aflevering voor het najaar van 1943 gepland, maar die werd in de zomer van dat jaar afgeblazen.

Van de Europese schrijversvereniging werd nog maar weinig vernomen. Misschien is de laatste stuiptrekking die van een Nederlandese schijver geweest. In de vroege zomer van 1943 stuurde de bejaarde en vrijwel vergeten Nederlandse auteur Jan Koos Feijlbrief, beter bekend als J. van Oudshoorn, een brief naar de vereniging, waarin hij zich als lid opgaf. Voor wie de sombere toon van het werk van Van Oudshoorn kent, is dat een verrassing. Kennelijk hadden de leden van de 'ballotagecommissie' van de schrijversvereniging zijn romans Willem Mertens levensspiegel, Louteringen of Tobias en de dood niet gelezen. Indien wel, dan zouden ze die minstens als 'ongezonde kunst' hebben gekarakteriseerd. Voorzover bekend heeft Feijlbrief nooit antwoord op zijn aanmelding gekregen.

De laatste keer dat de Dichtertreffen nog even de aandacht trokken, was enkele jaren na de oorlog. In 1951 (het jaar van Feijlbriefs dood) verschenen de memoires van ex-voorzitter Hans Carossa. Hij noemde de gebeurteniseen destijds in Weimar, 'een van de schijnbewegingen die de weg van het Derde Rijk van het begin tot het bittere eind hebben begeleid en die het zo vaak het stempel van een boosaardig carnaval hebben gegeven.'

Hans Carossa overleed in 1956. Hij was een belangrijk schrijver geweest, die vooral in de jaren dertig veel werd gelezen. In de Nederlandse Moderne encyclopedie van de wereldliteratuur heeft hij een eigen lemma. Er staat van alles in, maar niets over zijn voorzitterschap van de vereniging. Daarin is hij trouwens niet de enige. Ook bij de lemmata van de zeer populaire Claes, Streuvels en Timmermans staat niets over hun bezigheden in de Tweede Wereldoorlog, laat staan iets over hun bemoeienissen met de Weimarer Dichtertreffen.

De enige over wie wel iets is te vinden, is de zielige Feijlbrief, die hunkerde naar aandacht. Ook hij kreeg een lemma in de encyclopedie. Over hem staat te lezen: 'Na de oorlog moest hij zich verantwoorden voor enige hand- en spandiensten van literaire aard, voor de Duitsers verricht. Dit versterkte zijn gevoel van isolement dat zijn leven heeft overheerst.'

Meer over