Ernest Mandel

Dagdromer van de revolutie

Depondt Paul

Twaalfhonderd kameraden begeleidden op 30 september 1995, nu bijna twaalf jaar geleden, de urn met Ernest Mandels stoffelijke resten op het oude Parijse kerkhof Père Lachaise naar zijn laatste rustplaats, aan de voet van de Mur des Fédérés, waar in 1871 de laatste strijders van de Commune van Parijs terechtgesteld waren. Onder een warme herfstzon weerklonken het Chant des martyrs en De Internationale. De kameraden namen afscheid van hun voorman, de leider van de trotskistische Vierde Internationale.

In de geest van Mandel werd het een militante manifestatie 'zonder rouw en droefheid', met veel rode vlaggen en welluidende toespraken. Het was 'een vaarwel aan een leven voor de revolutie', schrijft historicus en biograaf Jan Willem Stutje in Ernest Mandel - Rebel tussen droom en daad, 'een vaarwel aan een profetenleven dat het geloof in de mens verdiepte'.

Marxist, wetenschapper, activist, partijleider, journalist en militant pedagoog Mandel geloofde in de revolutie. Tijdens de meidagen van 1968 overzag hij, 'de ogen rood doorlopen van de wolken traangas', op een barricade het schouwspel van vuur en verwoesting in de Parijse straten. Een verslaggever van The Observer hoorde hem roepen: 'Ah! Comme c'est beau! C'est la révolution!'

In de mei-revolte van de jongeren en de arbeiders liet Mandel zich niet alleen kennen in de rol van theoreticus of politiek analist, maar ook als direct betrokkene (zoals eerder in Berlijn met studentenleider Rudi Dutschke), 'als agitator in het debat en in het gevecht tijdens la nuit des barricades'.

Mandel, die in Berlijn colleges gaf, kreeg van de Duitse liberale minister van Binnenlandse Zaken Hans Dietrich Genscher een inreisverbod opgelegd, omdat - zei de minister - 'professor Mandel de leer van de permanente revolutie niet alleen wetenschappelijk uitdraagt, maar zich er ook (...) actief voor inzet'. Pas in 1978, na zesenhalf jaar, werd het weer ingetrokken. Van 1968 tot 1981 werd hem de toegang tot Frankrijk verboden. Hij was persona non grata verklaard in de Verenigde Staten, in Zwitserland en Australië. Nog in de zomer van 1989, kort voor de val van de Muur, werd hij bij de grensovergang van West- naar Oost-Berlijn als ongewenst persoon teruggestuurd.

Mandel, die als auteur en geleerde grote internationale erkenning genoot - ook bij liberale economen -, werd blijkbaar gevreesd door regeringen en hun geheime diensten in Oost en West.

Stutje, die als eerste toegang kreeg tot de indrukwekkende archieven van Mandel, heeft ook zijn wetenschappelijke werk gelezen. Mandel werkte aan een actualisering van wat hij het 'dialectisch materialisme' noemde. In zijn boeken, die in meer dan veertig talen zijn vertaald, verwierp hij een eenzijdig economische lectuur van het kapitalisme. Hij ontwikkelde, los van de Frankfurter Schule, 'een herstel van de rol van de politieke economie in het creatieve marxisme'. Hij prees de revolutionaire hartstocht van Karl Marx, hij las en herlas én interpreteerde het werk van alle belangrijke economen.

Mandel ging om met studentenleiders, arbeiders en vakbondsleiders, met medestrijders als Rudi Dutschke, Alain Krivine en Ernesto Che Guevara, met filosofen als Jean-Paul Sartre, zijn 'goede vriend' Ernst Bloch en Lucien Goldman, met geleerden als Roman Rosdolsky en Perry Anderson. Hij schreef ontzettend veel, gaf colleges, hield lezingen in meer dan een half dozijn talen, organiseerde geheime vergaderingen, congressen, debatten en politieke meetings.

Slechts aarzelend, pas in de jaren tachtig, besefte hij dat aan de trend, die in mei '68 begonnen was, een einde was gekomen. Soms sloot hij, tegen beter weten in, de ogen voor de onvermijdelijkheid van die maatschappelijke veranderingen. Mandel had moeite met de restauratie van het kapitalisme in de voormalige Sovjet-Unie of de hereniging van Duitsland. Bij die hereniging werd hij bij debatten in Oost-Berlijn door de zaal op een fluitconcert getrakteerd. Hij bleef maar geloven i

n een rebelse arbeidersklasse.

Dit zelfbedrog verdonkeremaande hij, 'niet vanwege zijn vergissingen', zegt zijn biograaf, die deerden hem weinig, 'wel uit angst dat de revolutionaire droom voor sommigen voorgoed achter de einder zonk'.

In juni 1995 kwam de Vierde Internationale op zijn veertiende wereldcongres in Wépion bij het Belgische Namen 'tot de volmondige erkenning van de crisis van het socialisme'. Enige weken later overleed Mandel, volkomen uitgeput en ongetwijfeld ook teleurgesteld. De rooskleurige toekomst van het socialisme en het rotsvaste geloof in de revolutie waren aan het verbleken.

Stutje nu schreef geen hagiografie, integendeel, hij toont ook de zwakke kanten van de door hem bewonderde Mandel. Hij was een complexe persoonlijkheid, altijd hartelijk, attent en zorgzaam; humeur kende hij niet. 'Volwassen als politicus en wetenschapsman', schrijft Stutje, 'naïef in het gevoelsleven.' Hij kon zelden zijn hart luchten; zijn eerste vrouw was depressief - de altijd hard werkende en uithuizige Mandel kon zoiets niet aan. Ze is aan de pillen bezweken.

Stutje, zelf ooit actief trotskist, noemt zijn biografie van Mandel 'een oefening in kritische bewondering'. In zijn vorige boek, de biografie van de Nederlandse communistische partijleider Paul de Groot, toonde hij weinig sympathie voor zijn hoofdpersoon. Hij raakte in De man die de weg wees - Leven en werk van Paul de Groot 1899-1986, zijn omvangrijke proefschrift, verstrikt in diens tegenstrijdige karakter: De Groot was een opgewonden en gevoelige idealist, maar ook een harde despoot, voor de enen een 'onbaatzuchtige profeet', voor anderen een 'achterdochtige intrigant'.

In zijn biografie moest hij hem ontmaskeren als een stalinist met duivelse trekken. Ondanks de omvang van zijn boek en het vele doorploegde bronnenmateriaal kon Stutje 'het raadsel Paul de Groot' niet tot op het bot ontwarren.

Blijkbaar heeft hij meer greep op Ernest Mandel. Het leven en het werk van de revolutionaire marxist heeft hij 'vrank en vrij' onderzocht, weliswaar met sympathie, maar ook kritisch en open. Wie ooit naar colleges of toespraken van Mandel heeft geluisterd of enkele keren met hem heeft gesproken, zal zich een groot, intelligent en ondogmatisch redenaar herinneren, maar vooral ook een optimist, ' dagdromer en dromer van de revolutie'. Mandels geloof in de menselijke creativiteit en solidariteit was grenzeloos. Zijn humanisme werkte ook aanstekelijk.

Het boek van Stutje is behalve een karakterschets vooral ook een 'intellectuele biografie' waarin Mandels opvattingen, stellingen en inzichten tegen het licht worden gehouden. Natuurlijk heeft hij zich wel eens vergist, wie niet, uiteraard had hij niet de wijsheid in pacht; als iets blijkt uit deze biografie dan is het wel dat Ernest Mandel een heel integer iemand is geweest die zijn pessimisme bestreden heeft met een rotsvast 'wilsoptimisme' (naar het woord van Antonio Gramsci). Hij was allerminst een intellectuele avonturier.

Voor hem bleef Marx' lijfspreuk geen dode letter: 'Twijfel aan alles.' Ook, tussen droom en daad, aan het eigen gelijk.

Meer over