Erfvijanden samen op zoek naar de waarheid

Servische, Kroatische, Bosnische en Kosovaarse historici gingen samen aan het werk om de ware toedracht van de Balkanoorlogen uit de jaren negentig te achterhalen.Door Leen Vervaeke..

Een geschiedenisboek schrijven met 177 auteurs, dat lijkt vragen om problemen. Maar een geschiedenisboek schrijven met 177 auteurs die voor een groot deel voormalige doodsvijanden zijn, dat lijkt helemaal het recept voor een fiasco.

Toch verscheen vorige week Confronting the Yugoslav Controversies: A Scholar’s Initiative, geredigeerd door Charles Ingrao en Thomas Emmert, twee Amerikaanse historici, en geschreven door een collectief van 177 academici uit West-Europa, Amerika en vooral, alle landen die ontstaan zijn uit het voormalige Joegoslavië.

Zeven jaar lang werkten de academici aan het boek, in elf teams – één voor elk hoofdstuk – en op een wikipedia-achtige manier (maar dan professioneler en met meer hiërarchie en controle).

Hun weg lag vol hindernissen. In de loop der jaren overleden auteurs, stapten er een paar uit onvrede op, en werden andere na ruzie aan de deur gezet. Alle hoofdstukken werden vijf tot tien keer grondig aangepast na kritiek van andere auteurs. Eén hoofdstuk moest zelfs twee keer volledig worden herschreven.

‘De afgelopen zeven jaar ben ik geregeld in het holst van de nacht wakker geschoten, denkend aan het onderzoek’, zegt projectleider Charles Ingrao die in Indiana Europese geschiedenis doceert. ‘Thomas (Emmert, de andere projectleider, red.) zei onlangs dat hij in zijn hele carrière nog nooit zo veel stress heeft gehad.’ Ingrao en Emmert wilden een geschiedenis schrijven van de Joegoslavië-oorlogen in de jaren negentig, die in álle opvolgerstaten van het voormalige Joegoslavië zou worden aanvaard. Een opgave vergeleken waarbij een gezamenlijke Duits/Nederlandse geschiedschrijving over de Tweede Wereldoorlog een peuleschilletje lijkt.

Ruim een decennium na de oorlogen in de Balkan denken de inwoners van Servië, Kroatië, Bosnië en Kosovo totaal verschillend over de vraag hoe het tot dit bloedvergieten kon komen en wie er verantwoordelijk voor is. De Kroatische versie van de jongste – en van de verder terugliggende – geschiedenis staat haaks op de Servische en die weer op de Kosovaarse. Elk volk kent ‘een eigen spectrum van ‘waarheden’, waarvan er vele vervormd of schaamteloos onwaar zijn’, aldus A Scholar’s Initiative. ‘Lastige’ feiten worden weggemoffeld.

Zo zijn in Servië – ondanks positieve stappen onder de huidige president Boris Tadic – nog veel aanhangers van de geschiedsversie dat ‘alle partijen in de oorlog even schuldig waren’. Dat westerse journalisten en historici onomstotelijk hebben aangetoond dat de Servische president Milosevic de hoofdverantwoordelijkheid draagt voor de bloedige oorlogen en dat Servische (para)militairen de meeste oorlogsmisdaden hebben begaan, wordt afgedaan als bewijs van de anti-Servische stemming van het Westen.

Historici in Bosnië, Kroatië en Kosovo daarentegen kruipen geheel in de slachtofferrol, waarbij politiek radicalisme of oorlogsmisdaden van de eigen mensen worden gerelativeerd. Zo wordt het rabiate nationalisme van de Kroatische president Tudjman weg geretoucheerd, evenals het provocerende gebruik van de safe area Srebrenica als uitvalsbasis door Moslimmilities, of het geweld dat het Kosovaarse bevrijdingsleger UCK uitoefende tegenover (Servische) burgers. Door Serviërs wordt juist de volle nadruk gelegd op deze elementen. Ze worden aangevoerd als argument voor de Servische ‘zelfverdediging’ in Kroatië, Bosnië en Kosovo.

Afwijkende versies van de geschiedenis zijn niet uniek voor het voormalige Joegoslavië. Maar omdat ze ‘wantrouwen, wrok en zelfs haat zaaien tussen volkeren’ en een ‘obstakel voor verzoening’ vormen, wilden Ingrao en Emmert een manier vinden om tot een eensluidende, kritische en toch voor alle vroegere Joegoslavische staten aanvaardbare geschiedenis te komen.

In 2001 nodigden ze tientallen historici en sociale wetenschappers uit alle Balkanlanden uit om samen met West-Europese en Amerikaanse collega’s (als een soort bemiddelaars) een geschiedenis van de oorlogen te schrijven. Door de medewerking van auteurs uit de eigen natie – 34 Serviërs, 6 Kosovo-Albanezen, 10 Kroaten en 13 Moslims – zou deze ‘gedeelde geschiedenis’ meer draagvlak kunnen krijgen bij het publiek in de Balkan, hoopten Ingrao en Emmert.

Om het verwijt voor te zijn dat ze louter pro-westerse academici uit de Balkan hadden ingeschakeld, hanteerden Ingrao en Emmert een open toelatingsbeleid: iedere academicus die wilde meedoen, was welkom, als hij of zij maar bereid was met een open blik naar de feiten te kijken.

‘Soms meldden zich mensen aan die we er eigenlijk liever niet bij hadden. Radicalen, zowel radicaal nationalistisch als radicaal anti-nationalistisch, probeerden we te vermijden. Maar we weigerden niemand’, zegt Ingrao.

Uit een korte check van hun achtergrond blijkt dat de meeste auteurs uit pro-westerse hoek komen, zelden uit nationalistische kringen. ‘Er zaten wat nationalisten tussen’, zegt Ingrao. ‘Maar die waren niet zo nationalistisch dat ze de ogen sloten voor rationele argumenten of dat het hun integriteit aantastte.’

In Bosnië en Kosovo bleek het heel moeilijk om ervaren academici te vinden – als gevolg van de dood of vlucht van veel inwoners, de lage kwaliteit van het onderwijs en de vele buitenlandse missies, waar hooggeschoolde Bosniërs en Kosovaren meer geld konden verdienen dan door het dienen van de wetenschap. Als Ingrao en Emmert na lang zoeken eindelijk een ervaren Kosovaars historicus hadden gevonden, weigerde hij resoluut om zijn Servische collega te ontmoeten. Exit de Kosovaar.

Een andere collega – een Noord-Amerikaan, geboren in Servië – wilde niet aanvaarden dat Serviërs in Kosovo etnische zuiveringen hadden gepleegd, ondanks ‘een berg aan bewijsmateriaal’, aldus Ingrao. ‘We hadden tal van interviews met Kosovaarse vluchtelingen, maar die man zei: ‘Dat zijn acteurs, ingehuurd door de NAVO om leugens te vertellen.’ Zo kun je niet werken. Die man hebben we eruit moeten zetten.’

De grootste moeilijkheden kwamen verrassend genoeg niet van de deelnemers uit de Balkan, maar van een groepje westerse academici. ‘De onpartijdigheid kwam volgens mij in het gedrang door hun morele verontwaardiging over de gruweldaden van de Serviërs’, zegt Ingrao.

Ondanks die conflicten verliepen de discussies en het uitwisselen van kritiek doorgaans vlot. ‘De meesten gedroegen zich heel professioneel. Als er feiten op tafel lagen, accepteerde iedereen die.’

A Scholar’s Initiative leidde ook tot succesvolle, voordien ondenkbare samenwerkingsverbanden tussen academici. Zoals tussen Mile Bjelajac en Ozren Zunec, de hoofdauteurs van hoofdstuk zeven, over de oorlog in Kroatië. Bjelajac is een Servisch militair historicus en zoon van een generaal, Zunec was tijdens de oorlog hoofd van de Kroatische militaire contraspionage. ‘Hoewel het een paar weken duurde om hen te overreden om telefonisch contact op te nemen, smeedden ze al gauw een band’, meldt het voorwoord van A Scholar’s Initiative. Toen Bjelajac zware kritiek kreeg van Kroatische academici, verdedigde Zunec hem. ‘Tijdens een ontmoeting in zijn kantoor in Zagreb verklaarde Zunec dat hij tijdens de oorlog vijf keer gewond was geraakt en niet van plan was ooit nog een nieuwe oorlog mee te maken.’

Het contact tussen de academici verliep via e-mail en telefoon, een interactieve website en op jaarlijkse congressen. In verschillende rondes werd de agenda bepaald, een opzet voor de teksten gemaakt, bijkomend onderzoek verricht (waarvoor fondsen werden ingezameld), en telkens opnieuw werd er kritiek georganiseerd en werden teksten herschreven.

Het resultaat is verbazend coherent. De hoofdstukken tonen verschillen in stijl, maar die zijn niet storend. In die hoofdstukken worden controverses in de nationale geschiedsversies één voor één gesignaleerd en geanalyseerd en – in de meeste gevallen – door een objectief verhaal vervangen (soms blijkt meer onderzoek nodig).

Dat objectieve verhaal is nooit zwart-wit. Integendeel, A Scholar’s Initiative toont haarfijn aan hoecomplex de oorzaken voor het ontbranden en escaleren van de Joegoslavië-oorlogen waren. Hoe niet te stoppen mondiale ontwikkelingen, opportunistische politici en gemanipuleerde burgers een explosieve cocktail vormden. En hoe de waarheid meer kanten heeft, maar na wikken en wegen niettemin kan overhellen naar één kant.

Door dit minutieus fileren van actie en reactie ontstaat een beeld van de Joegoslavië-oorlogen waarin alle partijen in meer of mindere mate zowel dader als slachtoffer zijn, maar waarin toch onontkoombaar is vastgesteld dat een groot deel van de verantwoordelijkheid bij Slobodan Milosevic ligt.

Uit A Scholar’s Initiative: ‘Er zullen natuurlijk altijd historici zijn die zeggen dat het land (Joegoslavië) op de rand van de afgrond stond, en dat als Milosevic er niet was geweest, iemand anders wel de genadeslag had uitgedeeld. Misschien klopt dat, maar de geschiedenis toont dat het Milosevic en niemand anders was wiens acties het land over rand duwden.

‘Het was Milosevic die Serviës Communistische Partij (...) deed herleven met behulp van nationalisme, het was Milosevic die de door Tito geschapen verhoudingen zo systematisch ondermijnde dat Joegoslaviës niet-Serviërs bang werden, en het was Milosevic (...) die de pogingen saboteerde om Joegoslavië te hervormen en zo een uitweg uit de crisis te vinden.’

Voor Nederlandse lezers komt die geschiedenis van de Joegoslavië-oorlogen goeddeels overeen met de vertrouwde visie. Maar het bijzondere is dat over die ‘westerse’ geschiedsversie nu overeenstemming bereikt is door Servische, Kroatische, Bosnische en Kosovaarse auteurs.

Al zal hun vaderlandsliefde in bepaalde kringen allicht aangevallen worden, het is een overwinning voor het streven naar waarheidsvinding dat dit verhaal nu wordt verteld door auteurs uit de Balkan zelf.

Meer over