Je kunt het maar één keer doen

‘Er sluipen duizend rituelen in 51 jaar huwelijk, dat moet ik nu allemaal alleen doen’

null Beeld Krista van der Niet
Beeld Krista van der Niet

Tuurlijk, dood gaan we allemaal. Maar afscheid­nemen kan op veel manieren. Hoe je het doet, maakt nogal wat uit. In deze serie spreekt ­Barbara van Beukering nabestaanden over het stervensproces van hun dierbaren.

Jan Smits (91, humanistisch raadsman) overleed op 3 augustus 2017 aan de gevolgen van een fietsongeluk. Hij was getrouwd met Mick Smits Hattink (85, sociaal-cultureel werker) met wie hij twee dochters had, Annemarie (58) en Janneke (55).

Mick Smits Hattink: ‘Het was kwart over vijf toen ik een beetje uit het raam begon te kijken. Jan was fietsen, hij fietste elke dag zo’n vijftien á twintig kilometer. Om een uur of vijf was hij meestal thuis. Er parkeerde een politieauto in de straat. Die zal wel bij de buren moeten zijn, dacht ik nog. Maar nee, de twee agenten liepen mijn pad op. Ik deed de deur open en vroeg: ‘Is er iets met Jan?’ ‘Mogen we binnenkomen?’, vroeg de jongeman. De agent naast hem was een vrouw. ‘Uw man is dood’, zei hij. Ik riep keihard: ‘Dat kan niet! Dat kan niet!’ Ze kwamen binnen en vertelden dat Jan verongelukt was. Terwijl hij fietsend overstak, was hij aangereden door een auto. Ik zei: ‘Dat kan helemaal niet want Jan kijkt altijd heel goed uit.’ Ik wilde weten waar hij was. De agent zei dat Jan in het Meander Medisch Centrum lag, dat is het ziekenhuis hier in Amersfoort. Ik wilde er meteen naartoe maar dat mocht niet. Het was een ernstig ongeluk geweest. Zijn benen waren gebroken, zijn hoofd kapot, ze waren nog bezig om hem klaar te maken. Ik mocht pas om acht uur ’s avonds naar hem toe.

We waren 51 jaar samen. Jan had van zijn 12de tot zijn 25ste op een seminarie gezeten, waar hij intern was opgeleid tot priester. Daarna heeft hij zeven jaar als kapelaan gewerkt. Maar dat beviel hem niet, want dan sta je onder een pastoor en er werden beslissingen in de parochie genomen waar hij niet achter stond. Hij besloot als aalmoezenier bij het ministerie van Defensie te gaan werken. Ik ging als 18-jarig meisje in militaire dienst, bij de Luva, de Luchtmacht Vrouwenafdeling. We ontmoeten elkaar bij de kazerne waar hij als geestelijk verzorger werkte. Een aalmoezenier mocht geen relatie hebben en hij moest uittreden als priester om met mij te kunnen trouwen. De meeste priesters die uittraden, zochten een andere baan en trouwden gewoon. Maar Jan vond dat hij dat zijn ouders niet kon aandoen als enige priesterzoon in een kleine Brabantse gemeente en wilde uittreden met toestemming van de Paus. Twee jaar hebben we op die Pauselijke toestemming moeten wachten, twee jaar lang was onze relatie geheim. Omdat we alles stiekem moesten doen, was het een zware tijd, maar het heeft een heel stevige basis onder onze relatie gelegd. We konden niet zonder elkaar.

In het mortuarium mocht ik hem eindelijk zien, ze hadden hem redelijk opgelapt. Hij lag op een soort brancard. Ik stond er wezenloos naast. Ze hadden hem nog niet aangekleed dus hij lag onder een laken. Ik zei: ‘Dit kan niet Jan, we hadden afgesproken dat we samen zouden gaan.’ Toen ik weer thuiskwam, zaten alle buren in de huiskamer. Mijn dochter Janneke zorgde voor koffie en wijn. Jan was er nog gewoon voor mijn gevoel, hij kon niet weg zijn. Als ik nu terugdenk, weet ik niet meer wat voor avond het was. Was het nou gezellig? De betrokkenheid van de buurt was hartverwarmend, dat weet ik nog wel. Aan het eind van de avond ging ik voor het eerst alleen naar dat grote bed.

Mick en Jan Smits. Beeld Privéfoto
Mick en Jan Smits.Beeld Privéfoto

De volgende dag kwam Jan thuis. Vroeger dacht ik altijd dat ik dat eng zou vinden, je man opgebaard in huis. Maar dat was het niet, in tegendeel, hij heeft een week bij me gestaan.

Ik vind een verkeersongeluk de ergste dood die je kunt meemaken, want ik kreeg hem verminkt terug. Zijn vingers waren gebroken, hij was koud. Zijn gezicht was gelukkig onbeschadigd, zijn bril was nagenoeg nog heel. Maar zijn hoofd was kapot. Voordat ze de kist plaatsten, vroeg de uitvaartbegeleidster of ik misschien een pet had. Jan had een gat in zijn hoofd en daar heeft ze zijn Franse pet overheen gelegd. Ik heb er niet onder gekeken. Je bent langer dan vijftig jaar samen, dus dat lijf is je heel erg vertrouwd, het was het enige lijf dat ik kende. En opeens kun je het niet meer aanraken.

De volgende dag kwam de politie om te vertellen hoe het precies gegaan was. Ik vroeg meteen of die auto te hard had gereden. ‘Nee mevrouw, hij reed maar 60.’ Ik vroeg wie de bestuurder was. Het was een jongen van 18 die de dag ervoor zijn rijbewijs had gekregen. Het was de auto van zijn moeder, hij mocht van haar een eindje rijden. Zijn vriendin zat ernaast. Ze hebben de jongen meteen meegenomen naar het bureau en getest op alcohol en drugs. Hij had geen alcohol gebruikt, niet te hard gereden, dus hij had niks verkeerds gedaan volgens de politie. Jan was een beetje doof, dus waarschijnlijk heeft hij de auto niet horen aankomen.

Twee weken later kreeg ik via een aan slachtofferhulp gelieerde organisatie een briefje van die jongen. Maar ik wilde er nog niks mee te maken hebben, het was me nog veel te vroeg. Ik vond dat het van mij moest komen, ik wilde zelf het tijdstip bepalen.

Mensen zeggen weleens dat het een geluk is dat Jan er zelf niks van gemerkt heeft. Jan kennende kan ik dat beamen. Een lang ziekbed had hij echt niet gewild dus voor hemzelf was dit het beste. Maar voor mij niet. Voor mij was het traumatisch. Ik had hem graag willen verzorgen, dan had ik op die manier tenminste afscheid kunnen nemen. Ook al is iemand 90, leeftijd doet er niet toe. We hadden al die jaren bepaalde rituelen in ons huwelijk. ’s Morgens sta je samen op en ontbijt je samen. Tijdens het ontbijt bespraken we wat we die dag zouden gaan eten. ‘Wie zorgt er voor het eten, jij of ik?’ Er zijn duizend rituelen die in 51 jaar in je huwelijk zijn geslopen, en dat moet ik nu allemaal alleen doen. Als je zestig bent is het ook vreselijk, is het even erg, maar je hebt nog een toekomst. Als je zo oud bent als ik heb je geen toekomst meer. Ik kan erg genieten van de tuin, maar alleen genieten is lang niet zo fijn als met z’n tweeën.

Een jaar na de dood van Jan heb ik de jongen die hem heeft aangereden ontmoet. We hadden afgesproken in een restaurant in Leusden, waar we tegelijk aankwamen. Het was een leuke jongen, een student psychologie met een knotje op zijn kop. Hij heeft alleen maar gehuild. Hij zei alsmaar: ‘Ik vind het zo erg, ik vind het zo vreselijk.’ Ik vroeg hem of Jan nog leefde toen hij uitstapte, dat wilde ik weten. Hij vertelde dat hij naast Jan was gaan zitten en dat hij een hele diepe zucht had gehoord. Dat was het. Hij is bij hem blijven zitten tot de politie er was. Ik heb gezegd dat ik hem niks kwalijk nam. Hij vertelde dat hij na het ongeluk met zijn studie was gestopt, hij kon niet meer verder. Hij had extra rijlessen gekregen om zijn angst te overwinnen. Toen we afscheid namen, stond hij tegenover mij met dikke tranen in zijn ogen. ‘Mag ik u een knuffel geven?’, vroeg hij. Ik zei: ‘Ja, dat mag.’ Arme jongen. Voor mij was het traumatisch, maar voor hem ook.’

Meer over