‘ER MOET EEN REDEN ZIJN WAAROM DE WEG HIER STOPT’

Vandaag werd bekend dat theatermaker Jos Groenier wordt gelauwerd met de Fentener van Vlissingen Cultuurprijs 2007. Toch neemt hij als regisseur in Nederland een onopvallende plaats in....

Natuurlijk. Regisseur Jos Groenier (1952) heeft de plek óók uitgekozen vanwege het geweldige uitzicht: water (rivier de Lek), weilanden (uiterwaarden), een horizon van kerktorentjes en boerderijen (Wijk bij Duurstede en omgeving). En zeker ook vanwege de historie: de buitenvoorstelling Judith, Vrouwe van Wijk speelt zich straks af tegen het silhouet van een industrieel monument: de steenfabriek De Bosscherwaarden uit 1923, die pas in 1991 zijn deuren sloot. Alles is er nog: de voor Nederlandse begrippen unieke ringoven, de 40 meter hoge schoorsteen, het kleidepot en de locomotievenloods. Tussen het onkruid is zelfs het smalspoor nog te traceren, waar karretjes met klei vanaf de dijk werden aangevoerd. Begin september zullen uit al deze hoeken en gaten spelers, muzikanten én scooters te voorschijn komen.

Maar de eigenlijke reden waarom Groenier deze locatie koos om op verzoek van een aantal stichtingen in de provincie Utrecht een voorstelling te maken, is de weg ernaar toe: die loopt dood. En doodlopende wegen, zo blijkt gaandeweg het interview, hebben een onweerstaanbare aantrekkingskracht op de 55-jarige freelance regisseur, decorontwerper en voormalig slagwerker. ‘Het einde van zo’n weg herbergt bijna altijd een verhaal. Of het smeekt er om. Waarom rijd je anders er naar toe? Je gaat, langzaam wordt het stiller, je staat, kijkt en keert om. Dan moet zich daar iets afspelen. Op z’n minst in je verbeelding.’

In zijn gedachten ziet Groenier op deze plek al de Vikingen aan land stormen, om het rijke handelscentrum Dorestad (het huidige Wijk bij Duurstede, dat begin negende eeuw op het knooppunt van de Kromme Rijn en de Lek belangrijker was dan provinciehoofdstad Utrecht) van zijn zilver te beroven. In zijn voorstelling Judith, Vrouwe van Wijk gaat het straks ook om een belegering via het water, maar dan in het apocriefe bijbelverhaal Judith. Daarin wordt de hoofdman van de plunderaars, Holofernes (Paul Hoes), verliefd op Judith (Saskia Temmink), een rijke weduwe uit het kamp van de vijand. Hoewel innerlijk verscheurd onthoofdt zij hem met zijn eigen zwaard en behoedt zo haar volk voor plundering en verkrachting. Het is een eigentijdse muziektheaterbewerking van het psychologische dramadebuut van Friedrich Hebbel uit 1840, met medewerking van fanfares, spreekkoren en kamerkoren uit de regio. Morgen, 17 augustus, beginnen na een vakantie weer de repetities en is het toevallig ook de naamdag van Judith.

Vandaag maakte het Cultuurfonds van SHV bekend dat Groenier op 16 september, de laatste speeldag van Judith, Vrouwe van Wijk, bij de Steenfabriek wordt gelauwerd met de Fentener van Vlissingen Cultuurfondsprijs 2007 (10 duizend euro en een sculptuur). Het is voor de tweede keer dat deze prijs wordt uitgereikt, bedoeld voor ‘een kunstenaar die een meer dan bijzondere bijdrage heeft geleverd aan de provincie Utrecht’. Drie jaar geleden viel beeldend kunstenaar Ruud Kuijer deze eer ten beurt.

Daar bij de uiterwaarden op Lekdijkweg 27, een adres dat door zijn doodlopende coördinaten zelfs weet te ontsnappen aan het navigerend inzicht van een TomTom, staat Groenier dan toch een keer als theatermaker in het middelpunt van de belangstelling. Een plek die hij niet gewoon is. Als regisseur neemt hij in Nederland, ondanks zijn talloze projecten en successen en zijn beeldende, toegankelijke manier van regisseren, een onopvallende plaats in.

Zelf wijt hij dat aan het feit dat hij vanaf het begin van zijn carrière in meerdere genres én meerdere landen (België, Noorwegen, Duitsland) actief is geweest. Als vormgever ontwierp hij decors voor Toneelgroep De Appel, Het Nationale Toneel en voor opera’s in het Holland Festival Oude Muziek. Hij werkte met regisseurs als Lodewijk de Boer, Hans Croiset, Leonard Frank, Aram Adriaanse, Paul Eenens en Eddy Habbema. Hij ontving een John Kraaijkamp Musical Award voor de Beste Creatieve Prestatie voor zijn scèneontwerp van de Joop van den Ende musical Jesus Christ Superstar (2005) en een jaar eerder een nominatie voor het ontwerp van Passion (2004).

Groenier deed als vormgever veel regieassistentie (hetgeen bij opera niet ongebruikelijk is) en had naar eigen zeggen daarbij soms ‘zo’n grote mond over hoe het beter zou kunnen’ dat hij uiteindelijk besloot zelf te gaan regisseren. Voor zijn debuutregie in het Festival Oude Muziek, Las Cantigas de Santa Maria (De wonderen van de Heilige Maria, 1984), verbeeldde hij de wonderen van de Heilige Maagd Maria als muzikale miniatuurverhalen in vitrines. Koningin Beatrix bleek van deze muzikale en museale wandeling zo gecharmeerd dat ze de voorstelling hoogstpersoonlijk meenam als geschenk tijdens een staatsbezoek aan Denemarken. Twintig jaar later schijnt ze Las Cantigas de Santa Maria nog steeds als een van de leukste staatsgeschenken te beschouwen, hoorde Groenier laatst via een contact.

Tijdens zijn studie theaterontwerp aan de Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen assisteerde hij jarenlang de Belgische ontwerper en operaregisseur Rudolf Corens bij tal van opera-, televisie- en theaterproducties. Met hem ontdekte hij de beeldende kracht van het Italiaanse straattheater: de commedia dell’arte in Venetië. Een stijl die nog altijd herkenbaar is in zijn regies. Zo spelen gemaskerde dames in de recente jubileumproductie Niëllo, dansen van liefde en leven (2006) van het Internationaal Danstheater een onthullende dans met hun maskerade. Wederom een regie van Groenier die alom geprezen werd, maar die zijn naam in de danswereld wonderlijk genoeg niet vestigde.

‘Misschien komt het omdat dat ik als drummer ben begonnen. Slagwerkers hebben graag overzicht, zitten achterin en proberen vanuit die achterhoedepositie, net als bassisten, de dingen te sturen.’ Lachend: ‘Ik heb ook nog steeds die rare mentaliteit van een oude rocker, vies van publiciteit en verkooppraatjes: als iets kwaliteit heeft bewijst het zich zelf; ze komen maar naar óns toe; en als ze het niet opmerken ligt dat aan hen en niet aan ons muzikanten.’

Dat hij ging drummen wist hij al als kleine jongen. Vanuit Den Haag verhuisde zijn ouders met vier kinderen naar Renkum, omdat zijn vader daar maître d’hôtel werd in het Rijnhotel. Als goed katholiek opgevoed jongetje liep hij als bruidsjonkertje mee in een processie. ‘Nog steeds kan ik mij bijna fysiek herinneren hoe ik als aan de grond genageld bleef staan toen ik in de verte een drumband hoorde.’ Toch werd het eerst nog bugel in de plaatselijke fanfare. ‘Maar ik geloofde een vriendje die zei dat je van dat blazen voor altijd een dikke kop kreeg. Eindelijk mocht ik gaan trommelen.’ Zijn gevoel voor ritme werd sterker toen hij door Ambonese vriendjes in de Veluwezoom – net als hij import en dus onbekend met het plaatselijke dialect – werd uitgenodigd mee te roffelen in de muziekbandjes van hun zingende ooms.

De opleiding tot slagwerker aan het conservatorium in Arnhem heeft hij nooit afgemaakt maar die zette wel de toon voor de manier waarop Groenier graag met een zaal omgaat. ‘Je geeft het publiek een gevoel, merkt dat het wordt opgepikt, en krijgt het in een flow terug. Als het lukt, krijg je een waanzinnige kick. Dan vlieg je op het podium. Iedere muzikant, zanger of acteur herkent die ultieme emotieoverdracht.’

Vorm, zegt Groenier, is bij hem nooit decoratie, uiterlijk of aankleding, maar altijd een zoektocht naar dat wat achter de vorm verborgen ligt. Hij citeert Michelangelo die vond dat iedere mens gedwongen zou moeten worden te tekenen naar de natuur. ‘Niet om zo exact mogelijk dieren, plantjes en bruggetjes te schetsen, maar om het wezen van de verschijningsvorm te doorgronden.’

Om die reden vroeg hij in 1991 ook een Zwitserse ijsarchitect een mythisch decor van sneeuw en ijs te maken voor Bertolt Brechts De goede mens van Sezuan, een buitenvoorstelling die hij in Lapland maakte op uitnodiging van een uit Nederland geëmigreerde collega. Hij liet de spelers in het Noors en het Laps acteren in een ring van sneeuw met daarbinnen grillige punten van bevroren water. ‘Je kon daaraan zien dat de mens de natuur had aangeraakt en tot cultuur gemaakt. Voor mij wordt de natuur op zo’n moment begeesterd.’

Het dametje achter de toonbank van de enige kruidenier in de wijde omtrek moest in het begin niets hebben van die vreemde snuiter met zijn rare theater in Lapland. ‘Ze negeerde mij volkomen.

Totdat ze de voorstelling had gezien. Ze viel mij huilend om de nek.’

Groenier kreeg voor De goede mens van Sezuan de Staatsprijs in Noorwegen voor de Beste Regie. En: het spektakel speelde zich niet toevallig af aan de rand van een meer waar de weg niet verder ging. Zo’n punt is er niet voor niets. Er moet een reden zijn waarom de weg daar doodloopt. Zo’n reden is voor mij een verhaal.’

Niet vreemd dat Groenier zijn eigen stichting Beau de Bavière vernoemde naar een middeleeuwse gravin bij wie de stamboom doodliep. Hij stond toen net op het punt een inspiratieplek voor podiumkunstenaars op te richten in Frankrijk, een beoogd samenwerkingsverband met de Nederlandse muziekkenner Jan Nuchelmans, toenmalig hoofd van de afdeling Oude Muziek aan het Conservatorium van Parijs. Het initiatief ging uiteindelijk niet door, om praktische redenen.

Groenier weet dat hij niet vies is van effecten en het grote gebaar. In Lapland werden vuurkogels afgeschoten, liet hij zogenaamd vliegtuigen overkomen via quadrafonisch geluid en kwamen de goden op sneeuwscooters aan. In Wijk bij Duurstede is hij ook van plan uit te pakken. Holofernes zal arriveren via een landingsvaartuig, geleend van de Marine. De oorlog wordt ontketend met dorpsbewoners op ronkende motorvoertuigen. ‘Ik hou van contrast. Dat maakt de dingen scherp en helder. Eerst een groot effect en dan stilte. Dan is het ook echt stil en maak je plaats voor emotie. Ik wil het publiek onverwacht raken.’

De voorstelling bij de steenfabriek in Wijk bij Duurstede moet de opmaat worden voor een tweejaarlijks cultuurfestival in het rivierengebied, dat in 2013 aansluiting vindt bij het door Vrede van Utrecht lang voorbereide megafestijn. Ja, hij hoopt dat hij nog meer producties rond de Kromme Rijn mag regisseren. Hij woont zelf met partner (kostuumontwerpster Mirjam Pater) en drie kinderen in Zeist, provincie Utrecht, en hij kent de streek goed. Hij heeft er onder meer jaren lang intensief contact gehad met de vorig jaar in Langbroek overleden Paul Fentener van Vlissingen. Deze filantroop, natuurbeschermer en Nederlandse ondernemer – telg uit een puisant rijk patriciërsgeslacht – had Groenier gevraagd samen met hem de jubileumvoorstelling te regisseren ter ere van het honderdjarig bestaan van SHV, de holding van Fentener van Vlissingen. Medewerkers van hoog tot laag, speelden zelf deze eenmalige productie in de Stadsschouwburg Utrecht. Groenier hield er een artistieke en mentale verwantschap aan over met Fentener van Vlissingen, die overigens volledig los staat van de door een onafhankelijke jury bepaalde toekenning van de Cultuurfondsprijs.

Maandag is het precies een jaar geleden dat Paul Fentener van Vlissingen aan kanker overleed. Groenier: ‘Misschien dat een doodlopende weg mij ook altijd herinnert aan het levenseinde van de mens. Vlak voordat je doodgaat, weet je pas echt wat de wereld voor jou was en wie jij voor de wereld was.’

Meer over