Er moest meer zijn dan getob over God

De Zweedse regisseur Bo Widerberg, die donderdag op 66-jarige leeftijd overleed, was in de jaren zestig vol kritiek op de Zweedse maatschappij....

BO WIDERBERG ging vooral in het begin van zijn carrière gebukt onder de erfenis van zijn landgenoot Ingmar Bergman. Als filmcriticus schreef hij in 1962 een boek waarin hij de 'monopoliepositie' van Bergman en zijn navolgers in de Zweedse film aanviel. Hij stelde onder meer dat er wel meer thema's te bedenken waren dan het eeuwige getob over het bestaan van God.

Om te bewijzen dat er meer te filmen viel, begon Widerberg zelf maar als regisseur en hij verwierf binnen de kortste keren internationale bekendheid. Drie keer kreeg hij een Oscar-nominatie, in 1964 voor Raven's End, in 1969 voor Adalen '31 en in 1996 voor All Things are Fair. De laatste keer was hij concurrent van Antonia, de film van Marleen Gorris, die in Hollywood beter werd bevonden en de Oscar won.

Widerberg werd op 8 juni 1930 geboren in Malmö en werkte na zijn middelbare school enige tijd in een psychiatrische inrichting. Toen hij dacht daar zelf gek van te worden nam hij een baantje aan als nachtredacteur bij een Zweedse krant en schreef in die tijd een aantal korte verhalen en een roman. In 1960 werd hij filmcriticus en veroorzaakte twee jaar later grote opschudding met zijn anti-Bergmanboek.

Na een eerste korte film samen met Jan Troell, debuteerde Widerberg als regisseur in 1963 met Barnvangen, over een vrouw die moet kiezen tussen twee mannen. In datzelfde jaar maakte hij ook Kvarteret Kopen, beter bekend als Raven's End, over een jonge schrijver die probeert aan zijn milieu te ontsnappen. Zijn kritische kijk op de Zweedse maatschappij kwam ook naar voren in de twee films die hem faam gaven in het buitenland: Elvira Madigan (1969) en Adalen '31 (1969).

Elvira Madigan behandelt de destijds opzienbarende liefde van een officier van adel en een circusmeisje begin van deze eeuw, terwijl Widerberg in Adalen '31 de opstand van arbeiders in een papierfabriek anno 1931 deed herleven.

Weliswaar bewees de regisseur zijn gelijk dat er over meer te filmen valt dan over de God van Bergman, maar al snel werd duidelijk dat veel van zijn kritische kanttekeningen een beetje wegvielen tegen vaak te mooie, soms lyrische beelden. De buitenkant bleek net zo belangrijk als de inhoud. Dat werd in de jaren zeventig en tachtig steeds sterker, waardoor zijn werk teleurstelde na het sterke begin.

In 1970 regisseerde hij in Hollywood Joe Hill, over een Zweedse immigrant die met liedjes en toespraken leider werd van arme arbeiders. Op de kritiek dat zijn stijl steeds sentimenteler werd, antwoordde Widerberg dat je alleen een groot publiek kan trekken als je films mooi en romantisch zijn.

De carrière van Widerberg ging bergafwaarts, in de jaren tachtig maakte hij maar twee, onbelangrijke, films (The Man from Majorca, 1984 en The Serpent's Way, 1986). Daarna was het tien jaar stil rond de criticus uit de jaren zestig, tot hij in 1996 onverwacht terugkeerde met All Things are Fair. Eigenlijk was dat de ingedikte bioscoopversie van een televisieserie, die mede daardoor een onevenwichtige indruk maakte.

All Things are Fair was wel sfeervol en had ook weer een maatschappelijk thema. Hij gaat over de verhouding van een lerares met een leerling en speelt zich af in 1943. Zweden was tijdens de Tweede Wereldoorlog neutraal, maar de gevolgen van de oorlog waren desondanks merkbaar. De bewoners van Malmö, waar het verhaal plaatsvindt, waren angstig en depressief. Net zo depressief als in de meeste films van Ingmar Bergman.

Peter van Bueren

Meer over