Er is geen wederkeer uit dit gedicht

De meer dan duizend gedichten die Gerrit Achterberg bij zijn dood in 1962 achterliet, verschijnen morgen in een definitieve editie, die ook niet eerder gebundeld werk omvat....

Piet Gerbrandy

Marc Dutroux zit in het gevang. Verstoken van slachtoffers ziet hij zichgenoodzaakt zijn verlangens te sublimeren. Hij schrijft lange reeksengedichten waar de eenzaamheid, woede en frustratie van afspatten, en zijntherapeuten achten het heilzaam als hij zijn werk ook publiceert. InBelgië steekt een storm van verontwaardiging op, maarliteratuurwetenschappers wijzen erop dat je het werk los moet zien van deman, en dat het heel goed mogelijk is dat een verdorven mens goede boekenschrijft. Het standaardvoorbeeld is Céline, de rabiate antisemiet wiensromans gerekend worden tot het beste wat de Franse literatuur in detwintigste eeuw heeft opgeleverd. Voor literaire prijzen komt Dutroux nietin aanmerking, maar zijn werk blijkt duizenden lezers te fascineren,misschien juist door de wetenschap dat het gaat om de zieleroerselen vaneen man die fundamentele grenzen heeft overschreden. Pas over een eeuw zalhet mogelijk zijn het oeuvre van Dutroux op zijn letterkundige waarde teschatten.

Het voorbeeld is fictief. Toch is het zinvol dit scenario in gedachtente houden bij de beschouwing van de gedichten van Gerrit Achterberg(1905-1962), de boerenzoon die onderwijzer werd en uitgroeide tot een vande meest gelezen Nederlandse dichters. Achterberg is een speciaal geval.Hij is de enige twintigste-eeuwse dichter die een eigen Genootschap heeft,een club fanaten die het werk van de meester niet alleen bestuderen, maarook als inspiratiebron voor hun leven gebruiken. Opmerkelijk is dat de wareaficionado geen wezenlijke belangstelling heeft voor andere poëzie.Achterberg is geen gewone dichter, maar een zwart gat dat alles in zijnomgeving opslorpt. Wie voor Achterberg valt, is lange tijd verloren.

Het kan niet anders of dit heeft iets te maken met het onfortuinlijkeseksleven van de dichter, waarvan de details pas na zijn dood bekend zijngeworden. Vanaf 1963 werd er gefluisterd dat Achterberg in 1937 zijngeliefde had doodgeschoten en daarna enige jaren in klinieken haddoorgebracht. De vrouw naar wie hij in zijn poëzie zo hartstochtelijk opzoek was, de dode die hij weer tot leven wilde wekken, was niemand andersdan de hospita die op die noodlottige dag het slachtoffer was geworden van's dichters onbeteugelde driften. Aldus de mythe.

Maar zo is het niet gegaan. Sinds enkele jaren weten we dat Achterbergreeds als adolescent een gemankeerd minnaar was die er geen been in zagzijn vriendinnen te bedreigen en te verkrachten. Dat de befaamde hospitaniet zijn geliefde was, maar de moeder van een zestienjarig meisje aan wieAchterberg zich wilde vergrijpen. Dat hij nooit wroeging heeft gekend, endat hij ook toen hij al een gelauwerd dichter was nog als potloodventerdoor de duinen zwierf. En dat zijn literaire vrienden er alles aan hebbengedaan om hem te sauveren.

Goed. Achterberg was dus een gevaarlijke psychopaat. Maar hij is ookde dichter van een duizendtal gedichten die nog steeds intensief gelezenworden. We kunnen proberen tijdens de lectuur onze kennis van zijnlevensverhaal uit te schakelen, maar de kans dat dat lukt is gering. Hetis ook de vraag of dat moet. Misschien schuilt een deel van de fascinatiedie dit werk uitoefent juist in het feit dat we weten dat Achterberg eendoor en door getroebleerde persoonlijkheid was. Wie zou niet in het breinwillen kijken van iemand die zulke duistere regionen heeft betreden?

Als je met deze intentie het verzameld werk van Achterberg gaat lezen,kom je echter van een koude kermis thuis. In verreweg de meeste gedichtenwordt een gestorven of tenminste verdwenen 'u' opgeroepen, maar het ismerkwaardig dat deze Ontbrekende hoegenaamd geen contouren krijgt. In veelgevallen is zelfs niet vast te stellen of de aangeroepene een vrouw, eenGod, of domweg 'het Afwezige' is. De gedichten zijn taalconstructies dieop ingewikkelde wijze iets proberen te bewerkstelligen wat niet kan, enwaarvan ze zelf ook steeds laten zien dat het niet kan: aanwezig maken water niet is. Het gevolg is dat we niet alleen de Afwezige niet leren kennen,maar ook de dichter niet, want deze poëzie is zo gesloten als een steen.Je komt er niet in, en dat wil de dichter ook graag zo houden. Ditdichtwerk is één grote afleidingsmanoeuvre.

Daarmee is tegelijk aangegeven waarom Achterberg altijd repertoireheeft gehouden. Wat deze dichter onderneemt is niet wezenlijk verschillendvan wat de kern uitmaakt van het werk van dichters als Mallarmé, Kouwenaaren Faverey: dingen van taal maken, op papier een universum opbouwen waarinniet de natuurkunde, maar de taal de wetten bepaalt. Achterberg is eenkabbalist, een taalfetisjist die gelooft dat het woord de magische krachtheeft tegenwoordig te stellen wat er niet is. De van huis uit strengprotestants-christelijke Achterberg is een schepper die meent dat in denbeginne zijn woord was, en dat hij door 'er zij licht' te roepen deduisternis kan verdrijven.

De vraag is of hij daar goed in is. Op basis van de in 2000 verschenenwetenschappelijke editie is nu voor een breder publiek het verzameld werkuitgegeven, dat naast de al bekende bundels ook ongepubliceerde gedichtenbevat. Het is geen onverdeeld genoegen dat allemaal achter elkaar te lezen.Het vroegste werk is onbeholpen en wekt een benepen negentiende-eeuwsesfeer op, de gedichten uit de laatste tien jaar zijn voor het merendeelgeroutineerd in elkaar geflanste sonnetten zonder urgentie.

Ergens tussen 1925 en 1928 schrijft Achterberg: Mijn meisje met dekoninklijke beenen,/ blanke pilaren in uw rokkenhol./ Uit hun geweldigsamenzwellen komt/ het rose klufje haren groeien.// De weeke modder/ vanuw lendenen/ is het hulpeloos moeras/ binnen gedegen bergen.

Dit is slechte pornografie, maar het is een veeg teken dat de dichterde vrouw enerzijds van onderaf beziet als een gewelf, alsof hij als kleutertussen haar benen staat, en anderzijds als een moeras waarin je kuntwegzakken. Deze dichter is bang voor vrouwen. Geen wonder dat de vrouwenin zijn werk óf abstracties blijven, óf zich voordoen als levenlozeopblaaspoppen: 'In je pullover staan / je borsten, proefgeboren, /dwingend, horizontaal / tegen het weefsel aan.'

Het verklaart misschien waarom al in Achterbergs officiële debuutAfvaart (1931) - eerder was een bundeltje verschenen dat hij later nietmeer wenste mee te tellen - een vrouw moet sterven om door de dichterbezeten te kunnen worden. Alleen een dode vrouw is hanteerbaar. Totwerkelijk contact is deze man niet in staat.

Na het drama in 1937 is Achterberg als een bezetene gaan schrijven.Tussen 1939 en 1943 publiceert hij vier bundels, in 1944 verschijnen erdrie, in 1946 zelfs zes. In dat jaar treedt hij in het huwelijk. Vanaf hetmoment dat hij weer op vrije voeten is, maar vooral na de opheffing van deterbeschikkingstelling in 1955 neemt de productie af. Kennelijk had hij hetschrijven niet meer zo hard nodig. Achterberg was getemd en gesocialiseerd.Hij hoorde erbij.

Een typerend gedicht uit die produktieve periode is 'Osmose':

Nu ik hier nog herhaal, herhaal als re-gen

mijn ademhaal, opdat zal óverwegen

het bloedverhaal boven uw doodsbe-richten,

- want voor mijn lichaam bleven zijverzwegen -

worden de talen in elkaar geregen

en plaatsen van verwondering ont-staan

over herkenbaarheden allerwege;

weerkaatst zien wij onze gezichten

in spiegelbeelden samengaan.

Om te beginnen: de titel heeft nauwelijks relevantie voor wat hetgedicht zegt. De autodidact Achterberg wil zijn lezers imponeren met aande natuurwetenschappen ontleende moeilijke woorden. De vergelijking 'alsregen' lijkt ingegeven door rijmdwang, want het weer speelt in het gedichtverder geen rol. Kan de herhaling 'herhaal, herhaal' nog als afbeelding vande betekenis gezien worden, het woord 'ademhaal' is daarna iets teveel vanhetzelfde, en 'bloedverhaal' is ronduit lelijk.

Interessant is echter wat de spreker beweert. Hij heeft vernomen datde afwezige dood is, maar zijn lichaam wil dat niet aanvaarden. In de taalwil hij een plaats creëren waar verwondering kan ontstaan, verwonderingover herkenbaarheid. De ik en de u herkennen zichzelf in elkaar, alsof deéén het spiegelbeeld van de ander is en de verschillen tussen beidenworden opgeheven. Sterker nog, kennelijk mist de spreker niet die ander,maar - een deel van - zichzelf. De dichter is een narcist, die bovendienonhandig formuleert.

Dat geldt niet voor alle gedichten, hoewel zijn monomanie Achterbergdwingt steeds hetzelfde kunstje te vertonen op een net iets andere manier,wat op den duur onherroepelijk tot maakwerk leidt - een verwijt dat jebijvoorbeeld ook Faverey zou kunnen maken. Het beste werk is echter wreeden compromisloos, vooral ten opzichte van zichzelf. Zo is 'Indicht' eenongenaakbaar gedicht dat niet de geliefde, maar zichzelf om zeep brengt:de titel geeft al aan dat het een potdichte constructie is, een gevangenis.Dit is de eerste strofe:

Er is geen wederkeer uit dit gedicht,

omdat een lichaam op de bodem ligt,

waaruit geen droom zich meer op-richt.

Een gedicht zonder wederkerigheid, een gedicht waaruit je, eenmaalbinnengelokt, niet meer terug kunt keren, een gedicht met een lijk op debodem. De derde regel kan zowel betrekking hebben op het gedicht als op hetlichaam: het gedicht zelf is even zielloos als de dode die eraan tengrondslag ligt.

De antimetrie in de laatste woorden raakt je als een onverhoedsevuistslag. 'Woord, tegen zichzelf gericht,/ achter gesloten aangezicht':het gedicht is niet in staat je aan te kijken. Het woord vreet zichzelf vanbinnenuit leeg. Maar die interne uitholling kan ook nog anders beschrevenworden, en nu wordt het echt onsmakelijk: 'Inteelt van zinnen en de vrucht/in zijn beginsel omgebracht.' De zinnen waaruit het gedicht bestaat,bedrijven bloedschande met elkaar en de uit die verbintenis voortgekomenvrucht is niet levensvatbaar. Het gedicht is een afgedreven foetus. Vandaardat het zo eindigt: 'O strophen zonder nageslacht.' De rijmwoorden behoren,zou je kunnen zeggen, allemaal tot hetzelfde gezin.

Dit is een ijzersterk, maar weerzinwekkend gedicht. Jammer dat het overzichzelf gaat. Achterberg is er nooit in geslaagd zich uit zijn gevangeniste bevrijden.

Gerrit Achterberg: Alle gedichten Bezorgd door Peter de Bruijn, EdwinLucas en Fabian R.W. StolkAthenaeum - Polak & Van Gennep; 1268pagina's; 54,95 (twee banden in cassette)ISBN 90 253 0216 5Het eersteexemplaar wordt zaterdag 26 november tijdens het Achterberg Symposiumuitgereikt aan burgemeester Wim Deetman van Den Haag, aanvang 12.30 uur inhet Letterkundig Museum te Den Haag. Sprekers zijn de dichters Wiel Kustersen Eva Gerlach. Vanaf dinsdag is het boek in de handel.

Meer over