Er gebeurt van alles, maar zijn het Hollandse rituelen

Een festival met de naam Hollandse Rituelen schept veel verwachtingen, zelfs al duurt dat ‘eendaagse’ festival maar ternauwernood een uur of zes.

Bij betreding van de zaal blijkt het vaste concertritueel verbroken te zijn, want pianist Kees Wieringa is al begonnen aan de Soloduiveldans van Simeon ten Holt, een stuk met veel bezwerende herhalingen. Het licht is zo gedempt dat het programmaboekje echt niet meer te lezen is, en dat is dan weer wel gewoon. Net zoals dat iedereen weet hoe het hoort en klapt na afloop. Maar dat zijn vermoedelijk niet de rituelen waar het NPS-programmamaker Frans van Gurp om begonnen is. Het Muziekgebouw bewijst opnieuw multifunctionele diensten. Overal gebeurt van alles. Op het tweede foyerdeck bestuderen met vergrootglas toegeruste handlezers de palmen van bezoekers. Men kan zich daar tevens de aura laten healen. Elders klinkt opeens groot rumoer. Boven in het gebouw staat een meterslange houten hoorn opgesteld, waar niet alleen op wordt getoeterd, maar ook getrommeld. Om de hoek is een wonderlijk schouwspel gaande: leden van een fanfarekorps, toegerust met berenmutsen, bombardons en vergelijkbaar materieel, volvoeren in stilte – alleen of in kleine groepjes – merkwaardige choreografische bewegingen in de Performance van Sander Breure en Witte van Hulzen.

De fanfarecreatie klopt in elk geval prachtig met de titel van het festival: de twee elementen ‘Hollands’ en ‘rituelen’ zitten erin. Dat geldt ook voor Rituelen voor de gamelan, waarin componist Andries van Rossem veertien kempulgongs laat zoemen en pulseren in uitgespaarde ritmes. Maar verder beweegt het evenement zich op een glijdende schaal waarin het onderscheid tussen ritueel en spiritueel even vloeibaar als de scheidslijn tussen Hollands en uitheems. Dat hier de Drei Gesänge aus Rabindranath Tagores Gitanjali van Jan van Gilse klinken, zal toch vooral met het exotisme van de titel te maken hebben, want de muziek is romantisch naar Duits model, en de zang van sopraan Janny Zomer vooral luid.

Gesproken woord, getrommel op de djembé en vlammend flamencogitaarspel van Eric Vaarzon Morel larderen een in elk geval onderhoudende avond waarin Hollandse rituelen zich voornamelijk voordoen in de gedaante van de Oosterse keuken thuis, zoals Louis Andriessen ijle Japanse impressie TAO en in Transformaties van Sinta Wullur. Ook Chapter Seven, een nieuw werk van de Spaanse Nederlander Enrique Raxach, heeft iets on-Nederlands. De Radio Kamer Filharmonie overschrijdt het middernachtelijk uur met Raxachs soms naar gangsterfilmmuziek neigende compositie. Als kloppende ritmes een ritueel zijn, is het een passende afsluiting, al is de aanblik van de inmiddels al weer half uiteengenomen midwinterhoorn minstens zo goed in het geheugen blijven hangen.

Meer over