Elke stad zijn stadsgezelschap

Wat gaat de invoering van het toneelbestel, sinds gisteren, betekenen voor het aanbod in de grote stadsschouwburgen?..

Hein Janssen

Er is lang over vergaderd, er is veel over gelobbyd, en er is er uiteindelijk een hoop geld ingestoken. Maar in Nederland is dan toch vanaf gisteren, 1 januari 2009, de ‘Basisinfrastructuur Theater’ van start gegaan. Het idee hiervoor ontstond tijdens het bewind van Medy van der Laan als staatssecretaris van Cultuur, en wordt nu door minister Ronald Plasterk van Cultuur doorgevoerd, voornamelijk om helderheid in de subsidieverstrekking te creëren.

Het nieuwe toneelbestel houdt in dat vanaf nu acht grote steden een stadsgezelschap hebben. Het gaat om Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Groningen, Maastricht, Eindhoven en Arnhem. In sommige steden zijn bestaande grote gezelschappen hiervoor aangewezen, zoals het Nationale Toneel in Den Haag en het Ro Theater in Rotterdam. In andere steden moesten groepen fuseren om aan de criteria van de Basisinfrastructuur te voldoen.

De acht gezelschappen moeten in hun steden en in de omliggende regio het theater nieuwe impulsen geven. Ze moeten mooie voorstellingen maken, meer publiek trekken, meer jongeren bereiken, en dan ook nog ruimte creëren voor nieuw talent en educatie.

Voorwaar geen sinecure, en een aantal van de stadsgezelschappen heeft al aangegeven voorlopig niet aan al die eisen te kunnen voldoen. De meeste zullen blij zijn als er voorstellingen gemaakt worden die aanslaan bij het publiek.

In de drie grote steden verandert er weinig: Toneelgroep Amsterdam, Ro Theater in Rotterdam en het Haagse Nationale Toneel gaan door met dezelfde artistieke leiding en ambities. Ook in Eindhoven blijft het Zuidelijk Toneel proberen hechter in de eigen regio verankerd te raken.

In Maastricht vond een verandering plaats: bij Het Vervolg neemt Arie de Mol met zijn Els Inc. de leiding over. Hoe dat zal uitpakken zal pas over een jaar blijken. Want De Mol heeft aangegeven zijn visie op theater in het Limburgse rustig aan door te voeren.

De grote veranderingen doen zich voor in Groningen, Arnhem en Utrecht, waar nieuwe artistiek leiders zijn aangetreden. Het meest opmerkelijk daarbij is de keuze voor Jos Thie, die in Utrecht de erfenis van De Paardenkathedraal van Dirk Tanghe (wat in het theater lange tijd als A-merk gold) volledig heeft weggevaagd. Hij opent zijn seizoen met de voorstelling The Beauty Queen of Leenane (met Nelly Frijda, Annick Boer en Waldemar Torenstra), een coproductie met V & V Entertainment van Albert Verlinde. Hier hebben een commercieel producent en het gesubsidieerde kunsttheater elkaar gevonden, in de hoop er samen beter van te worden. De redenen daarvoor zijn niet duidelijk.

De vraag dient zich hierbij aan in hoeverre het gesubsidieerde toneel – dat immers risico’s en experiment niet behoeft te schuwen – zich voldoende onderscheidt van het commerciële theatercircuit.

Voorlopig lijken de plannen van Ola Mafaalani bij het Noord Nederlands Toneel in Groningen het meest intrigerend, op papier althans. Zij gaat binnenkort stevig van start met Medea, met onder anderen een flamencodanser, een nieuwslezeres en een Commissaris van de Koningin.

Pluspunt in de plannen van de stadsgezelschappen is dat de diverse stadsschouwburgen weer meer de ‘eigen’ stadsgezelschappen gaan programmeren. De afgelopen jaren programmeerden de theaters van Utrecht, Groningen en Arnhem vooral theatergroepen van elders.

Uiteindelijk zal de nieuwe ‘Basisinfrastructuur Theater’ minstens twee jaar flink moeten warmdraaien om tot wasdom te komen. Of dat gaat lukken is de vraag omdat veelal jong talent de kar moet gaan trekken. Zoals bij Toneelgroep Oostpool in Arnhem de huisregisseurs Erik Whien en Marcus Azzini, die met bekend repertoire als Gorki’s Zomergasten en Shakespeares Midzomernachtsdroom hun eigenheid moeten zien te onderstrepen.

Het Nederlandse toneel heeft de afgelopen jaren gezichtsbepalende artistiek leiders als Johan Simons, Dirk Tanghe en Guy Cassiers zien vertrekken; Theu Boermans is voorlopig beroofd van de middelen van zijn bestaan. Die lacune zal niet snel op te vangen zijn, ook niet door welke ‘Basisinfrastructuur’ dan ook.

Meer over