InterviewPhilip Huff

‘Elke keer dat ik mijn ouders zag, voelde ik dat mijn bloed ging koken’

Nauwgezet heeft Philip Huff zijn jeugd beschreven in zijn nieuwe roman Wat je van bloed weet: het geweld thuis, de schaamte, de onveiligheid. De leugens ook: ‘Mijn ouders hielden de schijn op van een succesvol en prettig gezin.’

Cécile Koekkoek
Philip Huff: ‘Als je ouders zo’n huwelijk hebben als dat van de mijne kleeft daar schaamte en taboe aan’.  Beeld Eva Roefs
Philip Huff: ‘Als je ouders zo’n huwelijk hebben als dat van de mijne kleeft daar schaamte en taboe aan’.Beeld Eva Roefs

Philip Huff (37) ontvangt in het statige pand van uitgeverij Prometheus aan de Herengracht te Amsterdam. Op tafel ligt zijn nieuwe roman Wat je van bloed weet, over opgroeien in een gewelddadig gezin – vers van de pers. Hij laat het door zijn handen gaan, bladert erin. Het is dikker dan hij had verwacht. ‘Maar dat is niet per se iets om trots op te zijn hoor, ik probeer niet zo’n witte, mannelijke schrijver te worden die telkens weer boeken van achthonderd bladzijden schrijft.’ Naast hem staat een pot thee; koffie drinkt hij niet.

Ik heb slecht geslapen na het lezen van je boek.

Huff zwijgt en kijkt zorgelijk.

Verbaast je dat?

‘Je bent een van de eersten die het hebben gelezen. Ik moet even laten bezinken wat je zegt.’

Philip Huff studeerde filosofie en geschiedenis in Amsterdam en Berlijn. In 2009 debuteerde hij met de roman Dagen van gras, in 2012 gevolgd door zijn bestseller Niemand in de stad over zijn studententijd – later verfilmd door Michiel van Erp. Daarna volgden de verhalenbundel Goed om hier te zijn (2013), de roman Boek van de doden (2014) en de essaybundel Het verdriet van anderen (2015).

Wat je van bloed weet is gebaseerd op mensen en gebeurtenissen uit het leven van Huff, zo schrijft hij in de verantwoording. ‘Veel van de beschreven plekken bestaan echt, scènes en dialogen zijn uit het leven gegrepen.’ Het roept onvermijdelijk de vraag op hoe autobiografisch dit boek is.

‘Ik heb nauwgezet mijn jeugd beschreven. Beter gezegd: de emotionele waarheid van mijn jeugd, mijn waarheid. De doorleefde waarheid van een kind in een gewelddadig huwelijk.’

Annabelle pakt Alex’ schouder vast. Dan slaat ze hem. Je voelt het geluid van de klap over je hele lichaam. Alex’ dikke witte wang kleurt rood. Zijn ogen knijpen dicht en beginnen te tranen. Je zegt niets, je doet niets.

(Uit: Wat je van bloed weet.)

Waarom koos je ervoor om in de tweede persoon te schrijven?

‘Dan hoefde ik niet alles te herbeleven, wat in de ik-vorm wel zo zou zijn. Door de tweede persoon te gebruiken, kon ik compassie en empathie in het verhaal stoppen, terwijl ik tegelijkertijd veel meer durfde te zeggen. De jij-vorm werkte bevrijdend.’

De ouders van de hoofdpersoon zijn bij vlagen extreem agressief, ze slaan elkaar én hun drie kinderen. Huff beschrijft indringend de angsten van een kind, de hoop dat er – schrijnend genoeg vaak door zijn eigen pogingen tot bemiddeling – een einde komt aan het geweld, de schaamte, het wegkijken door de buitenwereld, de loyaliteit aan de ouders en vooral de onveiligheid, het gevoel nergens te kunnen schuilen en de aanhoudende dreiging van een nieuwe geweldsuitbarsting.

Huff weegt zijn woorden zorgvuldig. Hij lijkt tijdens het gesprek afstand te nemen van het beladen onderwerp, om beter te kunnen analyseren wat er in zijn jeugd is gebeurd en hoe dat doorwerkt in het leven van de man die hij nu is.

‘Als je ouders zo’n huwelijk hebben als dat van mijn ouders, kleeft daar schaamte en taboe aan. Het geweld vindt binnenshuis plaats, waardoor de ervaring van het kind wordt weggedrukt. Dat wilde ik rechtzetten. In het eerste deel wilde ik de stem van het kind laten horen, omdat het perspectief van ouders het vaak wint van dat van kinderen. Zij zijn verbaler, hebben meer macht en kinderen luisteren naar hun ouders, waardoor de buitenwereld vaak niet weet wat er werkelijk aan de hand is. Mijn ouders hielden de schijn op van een succesvol en prettig gezin. Ze hielden macht over het narratief, om ons leven te bepalen en te manipuleren.

‘Ik hou niet van literaire romans die volledig in kinderperspectief zijn geschreven. Ik heb gekozen voor de lange lijn, dus niet alleen hoe het voor een kind is, maar ook hoe het nog steeds invloed heeft op mijn leven. Ik wilde iets zeggen over het leven zoals ik het ken, mijn waarheid vertellen. De literaire inzet is om dat overtuigend en goed te doen, ik wil een literaire roman schrijven en geen dagboek. Dit is mijn meest persoonlijke boek, dit is wie ik ben. Dat voelt veel enger dan bij mijn vorige boeken. Die zeiden ook iets over wat ik had meegemaakt, maar toch kon ik me meer verschuilen achter fictie.’

Voelt het als een bevrijding?

‘Nee! Ik vind het verschrikkelijk. Het is zo spannend wat mensen ervan gaan vinden, hoe ze naar mij gaan kijken – juist omdat het zo persoonlijk is. Echt niet meer dan een handjevol van mijn vrienden kennen deze kant van mij. Straks een heleboel lezers.’

Phillip Huff: ‘Er zijn veel mensen die het raar vinden dat ik mijn ouders vrijwel nooit zie.’ Beeld Eva Roefs
Phillip Huff: ‘Er zijn veel mensen die het raar vinden dat ik mijn ouders vrijwel nooit zie.’Beeld Eva Roefs

Je hebt het over ‘mijn waarheid’.

‘Mijn moeder liep een tijdje met een nekbrace, in mijn herinnering omdat mijn vader haar van de trap had geduwd. Op school moest ik vertellen dat ze een whiplash had. Daarmee deden ze hun kinderen nóg meer geweld aan.

‘In mijn hoofd heeft het verzonnen verhaal de waarheid overgenomen. Maar ik weet wel zeker dat er een ambulance was, hoe de zwaailichten op de muren weerkaatsten. Mijn broer herinnert zich weer andere dingen. Door het aantal incidenten dat we samen kunnen noemen, zagen we een duidelijk patroon. Er zit een scène in het boek waarin de hoofdpersoon, mijn alter ego, door een glazen wand wordt geduwd. Ik kon me dat niet herinneren. Pas toen mijn broer het vertelde, dacht ik: o ja. We zijn er niet achter gekomen of het nou een raam was of een douchedeur. Dat het gebeurd is, staat vast, maar ik moest keuzes maken.’

Huff denkt na en vraagt: ‘Wat heb ik nou ook alweer gekozen?’

Een douchedeur.

‘Daarom is het dus een roman; herinneringen zijn ook een vorm van fictie. Om het even plat te slaan: er zijn, denk ik, drie manieren om om te gaan met een pijnlijk verleden. Achter je laten en doorgaan, proberen empathie en compassie voor de ouders te vinden, of de verantwoordelijkheid nemen voor jezelf. Die drie manieren zijn verdeeld over de drie kinderen.

‘Door duidelijk te houden dat ik vanuit mijn perspectief heb geschreven, probeer ik voor mijn zus de ruimte te creëren om te zeggen: het is Philips boek. Het is mijn keuze dit boek op deze manier te schrijven, mijn waarheid dus.’

Hebben je broer en zus het al gelezen?

‘Mijn zus nog niet, zij koopt het in de winkel, ‘dan heb je ook weer een exemplaar verkocht’. Mijn broer wel, vanwege een brief van hem aan mijn vader die ik heb opgenomen. Hij is de meest fantastische man op aarde, ik bewonder hem omdat ik weet wat hij allemaal heeft moeten doorstaan. Ik vond die brief van zo’n bovenmenselijke liefde getuigen, met zelfs empathie voor mijn vader.

‘Sinds een jaar of vijf zijn we gelijkwaardige broers, door het leeftijdsverschil is dat lang anders geweest. Mijn zus is de oudste, ik ben de middelste en dan volgt zeven jaar later mijn broertje. De gaten die mijn ouders lieten vallen heb ik geprobeerd op te vullen. Ik hoop dat ik dat goed heb gedaan.’

Het kostte bijna veertien jaar om dit boek te schrijven, zeg je in de verantwoording. Waarom kon je het nu publiceren?

‘Ik heb me lang achter het idee verscholen dat ik niet de enige ben met een gewelddadige jeugd, dus wie ben ik om te klagen? Veertien jaar geleden heb ik al eens geprobeerd erover te schrijven, maar toen was mijn jeugd nog te dichtbij, te kort geleden. Nu heb ik meer afstand. Ik heb therapie gevolgd. Mijn vertrouwen om te kunnen en willen vertellen over mijn jeugd is gegroeid.

‘Er zijn zoveel mensen die tegen me zeggen dat ze het raar vinden dat ik mijn ouders vrijwel nooit zie. Zij hebben geen idee hoe erg het is geweest. Ik had geen zin meer om dat niet-gehoorde kind te zijn. Of die zorgeloze jongen met die blonde kuif.

‘Ik denk niet dat ik met een roman de wereld kan veranderen, maar al zijn er maar twee mensen die na het lezen ervan beter snappen wat kinderen uit gewelddadige gezinnen doormaken, dan zijn dat toch twee mensen.’

Philip Huff : ‘Ik heb altijd gedacht dat ik vooral zelf geen kinderen moest krijgen’.  Beeld  Eva Roefs
Philip Huff : ‘Ik heb altijd gedacht dat ik vooral zelf geen kinderen moest krijgen’.Beeld Eva Roefs

Heb je een kinderwens?

‘Ik heb altijd gedacht dat ik vooral zelf geen kinderen moest krijgen, omdat dan de ellende weer opnieuw zou beginnen. Dat pessimistische patroon houdt je gevangen. Uiteindelijk heb ik via therapie geleerd dat er in mijn leven andere mogelijkheden zijn, ook als het kinderen betreft.

‘Na de beslissing om toch in therapie te gaan, maak ik in het boek een sprong van een aantal jaar. Dan schrijf ik wat ik mezelf had gegund. Dat ik nog bij mijn grote liefde zou zijn en dat we ergens buiten zouden wonen, in een gelukkige relatie. Ik ben lang verdrietig geweest dat die relatie op de klippen is gelopen en dat had onder andere te maken met haar kinderwens en mijn overtuiging dat ik geen kinderen wilde. Inmiddels denk ik anders over kinderen krijgen. Als ik in de positie kom om het te overwegen, zou ik het aandurven.’

In het boek worden de kinderen opgevangen door een liefdevolle oom en tante. Je schrijft: ‘Hij en tante Josephine weten wat er thuis gebeurt, en toch vragen ze niet of Alex, Emilie en jij op de Veluwe komen wonen.’ Waarom doen mensen niks?

‘Dat lijkt ingegeven door onze cultuur. Neem alleen al de term huiselijk geweld: huiselijk impliceert een soort knusheid, een privédomein. Alles wat zich afspeelt binnen het privédomein dient men te respecteren. Maar ik vind dat je ook achter de voordeur moet ingrijpen. Ik probeer mijn vrienden te helpen met opvoeden, terwijl daar een enorm taboe op rust. Ik maak me grote zorgen over de huidige, of beter gezegd eeuwigdurende, regering, die steeds verder verwijderd raakt van de jeugdzorg, terwijl er zo veel kinderen zijn die hulp nodig hebben. Aan de man bij wie mijn broertje uiteindelijk ging wonen, heb ik ooit gevraagd waarom ze dat deden, zo’n daad van goedheid. Hij zei: omdat ik geprobeerd heb je vader te helpen, maar dat is me niet gelukt.’

Heb je je ouders op de hoogte gebracht van je boek?

‘Ja, om een schrikreactie te voorkomen. Mijn vader vroeg zich af waarom ik mijn eigen nest zo graag bevuil en klaagde vervolgens over zijn gezondheidsklachten, die volgens hem zijn veroorzaakt door de stress van zijn huwelijk, de scheiding en de kinderen. Dat is zijn emotionele waarheid. En mijn moeder vond het opmerkelijk dat ik me op mijn leeftijd nog steeds verschuil achter mijn slechte jeugd. Tot zover de verdediging van mijn ouders. Ze zijn zelf verantwoordelijk voor hun gedrag en de gevolgen van hun gedrag, maar ze willen er niet mee worden geconfronteerd. Ze hebben de pech dat een van hun kinderen schrijver is.’

Ook in het boek tonen ze geen greintje empathie, ze bekennen nooit schuld, zelfreflectie kennen ze niet. Ik geloof dat ik dat het pijnlijkst vond van alles.

‘Dat is inderdaad een van de wezenlijkste dingen waarmee ik heb geworsteld. Dat ik niet gehoord en gezien werd, terwijl je dat, zeker als kind, altijd blijft hopen. Die hoop is er nog steeds. Als mijn ouders iets liefs zeiden of deden, was het meestal om iets voor elkaar te krijgen.’

Je wisselt de hoofdstukken af met cursiefjes over een warm en hecht gezin. Zijn die ook waar gebeurd of zijn ze fantasie?

‘Mijn ouders hebben hun eigen issues en groeiden allebei zelf ook op in een onveilig en gewelddadig gezin. De eerste jaren na onze geboortes hebben ze echt van ons gehouden, denk ik, zoals je van een kind zou moeten houden. Dat wil ik mijn ouders niet ontzeggen. Maar vanaf het moment dat ik me dingen kan herinneren zijn de momenten van veiligheid en warmte op een hand te tellen. Dat zijn de momenten die ik heb verwerkt als cursiefjes. Als een soort contrapunt tegen alle ellende. Maar het zijn ook confrontaties met wat ik heb gemist. Hoe mijn leven is verlopen, is volledig toevallig. Ik had net zo goed leuke ouders kunnen hebben. Op elke verjaardag, met Kerstmis en andere feestelijke momenten word ik geconfronteerd met wat ik heb gemist.’

Het verbaast me dat je gezien jouw gewelddadige jeugd met een autoritaire vader en excessief machtsmisbruik hebt gekozen voor het studentencorps, waarover verhalen over vernedering blijven rondzingen.

‘Mijn zus was bang dat ik als student de hele dag op mijn kamer R.E.M. en Nirvana zou gaan zitten luisteren en heeft me ervan overtuigd dat ik me moest aansluiten bij het corps. Gelukkig kwam ik op een goede plek terecht, waar mensen elkaar de ruimte gaven en elkaar stimuleerden om een studie goed af te ronden. Ik woonde in een studentenhuis waar de Volkskrant, NRC en Het Parool werden gelezen. Dat kende ik niet: bij mij thuis hadden we De Telegraaf en de Troskompas. Mijn huisgenoten studeerden sociologie, kunstgeschiedenis, psychologie en waren ambitieus. Voor mijn ontgroening moest ik Baudelaire uit mijn hoofd leren en voordragen. Nu vind ik dat verschrikkelijk pretentieus en grappig, maar ik kwam wél in aanraking met Baudelaire. Het is ook de plek waar ik voor het eerst Berlin Alexanderplatz heb gelezen. Ik sluit mijn ogen niet voor de kwalijke kanten van het corps, maar het heeft mij ook op veel manieren gestimuleerd. Ik werd er ook hooghartig van, en dat gun ik studenten ook.’

In je studententijd vocht je weleens. In Wat je van bloed weet beschrijf je hoe woede in de hoofdpersoon op kan borrelen. Hoe beangstigend is dat?

‘Dat is heel confronterend. Elke keer dat ik mijn ouders zag, voelde ik dat mijn bloed ging koken. Ik kan nog steeds enorm boos worden, maar ik geef er geen fysieke uiting meer aan. Ik probeer nu mijn woede in te zetten voor iets moois, iets goeds. Schrijven heeft mij gered van exploderen. Het vuur kan nog oplaaien als ik John de Mol, zo’n dominante witte man, zijn valse verhaal zie oplepelen. Vanuit datzelfde vuur heb ik dit boek geschreven. De woede zit hopelijk in elke bladzijde.’

Wat van je van bloed weet is onlangs verschenen bij uitgeverij Prometheus Beeld
Wat van je van bloed weet is onlangs verschenen bij uitgeverij Prometheus

Multitalent

Philip Huff schrijft naast boeken ook scenario’s en legt zich steeds vaker toe op regisseren. In 2020 ging zijn eerste korte film, Bosrandgeluk, in première op het Nederlands Film Festival. In 2022 zal zijn tweede film als scenarioschrijver en regisseur verschijnen, Het kamp, naar een kort verhaal van Maartje Wortel.

Meer over