Elke dag VDB in de krant: dát verkocht

Op 18 april 1999 won Frank Vandenbroucke Luik-Bastenaken-Luik. Tien jaar later werd de Belg dood aangetroffen in Senegal. Vlaamse wielerjournalisten praten over hun rol in het leven en de dood van het prinsenkind....

Er was eens een sportman die zijn land in opperste staat van verrukking kon brengen. Hij tartte zijn rivalen, de goden, het noodlot. Dergelijke bravoure was het land vreemd en hij groeide uit tot een idool van supranationale proporties: een James Dean van zand en klei.

Voor eeuwig is zijn naam verbonden met Luik-Bastenaken-Luik van 18 april 1999. Hij fonkelde die dag en kwam solo over de eindstreep als de onverslaanbare matador. Landgenoten bogen in adoratie voor hem, kranten schreven hem de hemel in. Tien jaar later werd hij dood aangetroffen in een Senegalees pension.

Men pakte me onder de oksels en tilde me van de grond. Ze zetten een kroontje op mijn hoofd en knielden voor mijn troon. Overal waar ik kwam, was ik VDB, het supertalent, de jonge god. Mensen begonnen te stotteren wanneer ik ze aansprak. Hoe lang duurt het voor iemand zich als god begint te gedragen?

Ik ben god niet, de autobiografie van Frank Vandenbroucke, die verschenen is in 2008.

Rik van Walleghem: ‘Luik-Bastenaken-Luik van 1999, daar begint het allemaal mee. De manier waarop hij dat doet, een aangekondigde overwinning in de traditie van Cassius Clay.

‘Conventionele topsporters hebben een fundamenteel respect voor de tegenstander. Er zijn maar weinigen die een overwinning aankondigen en die op zo’n verbijsterende wijze binnenhalen.’

Walter Pauli: ‘Zoals hij de grote Bartoli op zijn nummer zette en Boogerd op Saint Nicolas wegzette als een scholier. Dat hadden wij in België lang niet beleefd.’

Luc Lamon: ‘Ik was er al bij op de Mont Faron, waar hij een rit had verloren in de Ronde van de Middellandse Zee. Zijn ploegleider Jef Braeckevelt wilde hem opmonteren, maar dat was helemaal niet nodig. Frank zei: morgen ga ik winnen, voor jou. En dat deed hij. Dat zelfbewuste zat er van begin af aan in.’

Marc Ghyselinck: ‘Een paar weken na zijn zege in Luik werd hij voor de eerste keer opgepakt in verband met dopinggebruik. Na zijn vrijlating gaf hij een persconferentie. De zaal zat vol met supporters en journalisten. Ongelooflijk hoe hij dat deed, heel overtuigend,’

Ik had sterallures, dat was ook zo. Ik was heel goed in mijn sport én ik had iets wat de pers en de lezers aansprak. Ik was een vedette, een publieksspeler, een showman. Etre bien, être prêt, ook buiten de koers.

Ik ben god niet

Pauli: ‘Hij leefde het leven van een prinsenkind. Voorbestemd voor de troon, heel zijn leven in het teken van dat ene doel en geen rijksvoorlichtingsdienst om hem te corrigeren.’

Lamon: ‘Net als alle grote renners had hij over van alles en nog wat een mening. Niet een hoogstaande mening, maar wel een mening.’

Van Walleghem: ‘Een traditionele Flandrien is zwijgzaam, nors en nederig in de beste Vlaamse tradities, altijd bang voor de grote wereld. Het is een kleinburgerlijke wereld en opeens komt er zo’n beeldenstormer, die alles met de voeten treedt. Die zegt: ik ga de wereld veroveren.’

Ghyselinck: ‘Frank kon zo verschrikkelijk aardig zijn, zo’n aangenaam, lief en aardig mens. Zo charmant en zo geïnteresseerd.’

Iedereen wist van mijn Dallasiaanse bouwplannen in Ploegsteert, van mijn nieuwe Porsche en men begon voor het eerst te vragen of dat allemaal wel kon voor een jongen van 24, zij het in kleine grijze opiniestukjes aan de rand van pagina 23. Zolang mijn resultaten er niet om logen, had niemand iets aan te merken.

Ik ben god niet

Lamon: ‘Altijd dat uiterlijk vertoon, hè? Kocht niet één Ferrari, maar kocht er meteen twee. Liet een enorm huis bouwen met een vijver omdat hij zo graag viste. Maar in onze dagelijkse contacten was hij zo eerlijk als goud, in niets een megalomaan figuur. Hij hield van de aandacht, maar gedroeg zich niet als een ster.’

Ghyselinck: ‘We gingen een keer met hem eten in ’t Konijntje, een duur restaurant bij Waregem. Ik liet hem de wijn uitzoeken en dat had ik niet moeten doen. Na afloop belde ik de chef en zei: ik heb goed nieuws en ik heb slecht nieuws. We hebben een mooi verhaal, maar het heeft wel wat gekost.’

Lamon: ‘Je kon bij Frank altijd terecht voor een goed verhaal.’

Van Walleghem: ‘Toen het tijdens een koers in Mallorca niet naar zijn zin ging, heeft hij in het hotel fruit tegen de muren gegooid en een deur uit de lijst getrokken. Van Patrick Lefevere, zijn ploegleider, moest hij de schade vergoeden. Maar Frank zei: je kunt mijn kloten kussen.

‘Ze hebben hem op het vliegtuig gezet en dat was in feite het einde van Frank Vandenbroucke. Hij ging naar Cofidis en daar ging het mis. Mensen die zo groot zijn, creëren een eigen hofhouding waarin elk perspectief verdwijnt.’

Het werd routine, een uitstapje naar een wereld waarin geen plaats was voor praktische beslommeringen, pers, fans, wanorde. Ik dacht dat ik er behoefte aan had de werkelijkheid te ontrollen. Zo rechtvaardigde ik het voor mezelf.

Ik ben god niet

Ghyselinck: ‘Volgens Clothilde, zijn eerste vrouw, was de koers Franks leven. Als het daarin goed ging, ging het goed met Frank. En andersom dus ook.’

Lamon: ‘Dat zelfbewuste was misschien ook wel een maskering voor onzekerheid.’

Van Walleghem: ‘De meeste mensen zijn voorzichtig, berekenend. Er is maar een klein percentage dat de risico’s niet schuwt en de mensen vinden dat mooi, maar op het moment dat zo iemand op zijn bek gaat, is er toch ook iets van: zie je wel, toch beter om het voorzichtiger te spelen.’

Pauli: ‘Zijn grote probleem is geweest dat hij op een breukvak leefde. Wat in 1998 en 1999 is gebeurd in het welrennen, kun je vergelijken met de val van de Berlijnse Muur. Voor die tijd respecteerden journalisten het privéleven van sporters en doping was een fact of life.

‘Dopinggevallen waren beroepsongelukken. Het hoorde erbij en ze kwamen ermee weg. Maar de generatie van Tom Boonen is opgevoed met een grens waarover ze niet mogen gaan, anders gooien ze hun eigen glazen in. Frank heeft die omslag niet kunnen maken.’

Nadien kwam de grote baas van die krant me thuis opzoeken om, alstublieft please, de banden weer aan te halen. Had ik op dat moment gezegd: op uw knieën en blaf als een hond, dan zou hij het gedaan hebben.

Ik ben god niet

Ghyselinck: ‘Die grote baas kon weleens van onze krant zijn geweest. Een collega had tegen de afspraak in gepubliceerd over zijn verhouding met de Italiaanse Sarah Pinacci. Frank wilde niets meer met de krant te maken hebben en dat konden we niet hebben. Een krant zonder nieuws over Frank was geen krant.’

Van Walleghem: ‘Het is de vercommercialisering, een opbodspel. Ik heb het in de Tour meegemaakt, waaraan Frank niet eens meedeed. Die zat gewoon thuis. Maar een collega belde elke dag met hem. Of Frank de dag zonder kleerscheuren was doorgekomen. Elke dag moest Vandenbroucke in de krant, want dat verkocht.’

Lamon: ‘Soms moest je Frank in bescherming nemen. Misschien is het slechte journalistiek, maar ik wilde hem ook weleens behoeden.’

Pauli: ‘Er zijn in Franks leven twee fasen geweest. In het eerste deel deed hij ons allemaal versteld staan en was alle aandacht gerechtvaardigd. In de tweede fase deden we alsof. Onderling lachten we om hem, maar bij elk nieuw seizoen schreven we dat hij de belofte zou inlossen, zodanig dat hij het zelf ging geloven en ook elke keer een nieuwe ploeg vond. Frank was toch altijd weer goed voor een paar maanden positieve publiciteit.’

Spijtig genoeg word je als wielrenner een bekende Vlaming. Gelukkig kan ik de kritiek pareren door met mijn benen te spreken.

Collega-wielrenner Tom Boonen beklaagt zich in de Volkskrant over de mediadruk.

Ghyselinck: ‘De nietsontziendheid waarmee soms over Frank werd geschreven, dat was pijnlijk. Ik had een brok in mijn keel toen ik zijn boek weglegde. Ik zal niet zeggen dat we schuld hebben aan zijn dood, maar we dragen wel een bepaalde verantwoordelijkheid.’

Van Walleghem: ‘Vlaanderen heeft een nogal euforische wielercultuur met weinig relativering. Dat ligt niet zozeer aan de media, het is een zichzelf voedend systeem. En Frank deed er zelf natuurlijk net zo hard aan mee, die zocht het op.

‘Moeten de media dan schrijven dat het de verkeerde kant op gaat? Helpt dat? Wilden de mensen dat lezen? Wij waren het wielrennen, wij hadden Merckx voortgebracht. Dat is het namelijk in de kern van de zaak, heimwee. Elk sprankje hoop dat die tijden terugkeren, wordt aangegrepen.’

Ghyselinck: ‘Toen ik zijn boek uit had, heb ik Frank een sms gestuurd, dat ik blij was dat hij het allemaal had overleefd.’

Ik ben nu 32 jaar. Ik heb hetzelfde leven geleid als Marco Pantani, maar ik heb het overleefd. Een keer met geluk, twintig keer dankzij de mensen om mij heen. Er liggen nog heel wat mooie jaren op mij te wachten.

Ik ben god niet

Van Walleghem: ‘Een half jaar voor zijn dood hadden we een praatavond rond hem georganiseerd. Hij zou er ruim op tijd zijn, dan konden we eerst wat gaan eten. Vlak voor aanvang kwam hij binnen. Te diep in het glaasje gekeken en met een hele entourage, inclusief een meisje in een kort rokske. Ik heb er nog gauw een boterham met hesp in gestopt en het werd een gedenkwaardige avond, heel emotioneel.

‘Hij vertelde over 1999, hoe hij aan het eind van de Vuelta in zijn eentje op het vliegveld zat. Ging hij naar huis, naar Clothilde of ging hij naar Sarah, naar Italië? Terug naar de zekerheid of kiezen voor het avontuur? Je hoorde echt de vertwijfeling van een topvedette die het ook niet meer wist.’

Ghyselinck: ‘Frank was een diep tragisch figuur, al heb ik dat pas later beseft. Hij was manisch depressief. Als het goed ging, ging het vreselijk goed. Als het slecht ging, ging het vreselijk slecht.

Pauli: ‘Frank Vandenbroucke was de slechtst denkbare cocktail. Hij is nooit volwassen geworden en we zijn hem nooit als een volwassene gaan behandelen, ook niet toen dat wel moest. ’

Meer over