Elk woord onvermijdelijk

Lezen van literatuur vereist rust, terugbladeren, herlezen. Af en toe kijkt de lezer van het boek op, staart naar buiten, denkt na over het zojuist gelezene en gaat weer door met zijn lectuur....

door Jan Fontijn

Het afgelopen jaar heb ik als jurylid van de Librisprijs meer dan 170 boeken moeten beoordelen. Een onmogelijk karwei natuurlijk. Van herlezen en nadenken kan dan weinig terechtkomen. Gelukkig zijn er vernuftige systemen bedacht om de boeken zo veel mogelijk recht te doen zonder dat elk jurylid ze allemaal moet lezen. Als ik ze allemaal van a tot z gelezen had, dan zou ik elke twee dagen een boek verslonden moeten hebben! Goed voor een volledige indigestie.

Ik ben niet zo'n lezer als Samuel Johnson. Volgens zijn biograaf las die uitgehongerd, alsof hij het boek verslinden wou. Tijdens het eten bewaarde Johnson een boek op zijn schoot, in het tafellaken gewikkeld om startklaar te zijn wanneer hij met het voorafgaande klaar was.

Gelukkig was de eerste schifting voor de jury gemakkelijk. Een aantal boeken viel snel door de mand, soms bij de eerste bladzijden al, omdat ze aan de meest elementaire eisen van nauwkeurig taalgebruik niet voldeden: beeldspraak die niet klopt, ongrammaticale zinnen, enzovoort. Wie als schrijver niet de discipline bezit om zijn boek daarop te controleren, verdient geen beter lot.

Heel wat moeilijker werd het bij de tweede schifting, die tot de 'longlist' van ongeveer twintig titels moest leiden. Dat was zoveel moeilijker, omdat vele schrijvers tegenwoordig de techniek, zo men wil de trucs van het vertellen goed beheersen. Hun boeken zijn onderhoudend en verraden vakmanschap. Een personage wordt met een paar treffende woorden getypeerd, een situatie wordt zonder veel omhaal neergezet. Als dat de resultaten van de cursussen 'creative writing' zijn, dan is dat mooi meegenomen, maar toch missen die boeken iets. Ze lezen vaak als een trein, maar zodra je ze uit hebt, ben je ze vergeten. Behoefte om ze nog eens te lezen, voel je nooit.

Bij goede literatuur gaat het om meer. Wat dat is, is niet zo makkelijk te zeggen. Met onderwerp of genre heeft het niets te maken. Familieromans, liefdesromans, autobiografische romans, reisverhalen, generatieromans, alle genres waren in de lange lijst van meer dan 170 boeken wel te vinden en sommige waren uitstekend in hun soort. Mijn parool is: alle genres zijn goed, behalve de vervelende.

Wat hebben goede boeken dan dat hen onderscheidt van de andere? Waarom kozen wij als juryleden voor Mortiers Marcel, Rosenbooms Publieke werken, Ruebsamens Beer is terug, Enters Winterhanden, 't Harts De revue en Verhelsts Tongkat?

Ik heb vele jaren geleden met mijn vrienden de gewoonte gehad boeken te beoordelen op criteria als 'moed', 'intelligentie', 'ideeën' en 'persoonlijkheid', en daarvoor cijfers te geven. We hadden dat afgekeken van Ter Braak en Du Perron, die in hun brieven aan elkaar op die manier aan schrijvers rapportcijfers gaven. Zo gaven deze Forum-redacteuren, als ik me goed herinner, Nietzsche en Stendhal voor alle onderdelen het cijfer 10. De vrouwenversierder D.H. Lawrence scoorde voor intelligentie lager (een cijfer voor 'potentie' ontbrak).

Onze rapportcijfers waren destijds ook niet mis. Hoog scoorden bij ons - ik vond onlangs bij mijn verhuizing nog zo'n rapport - Hermans, Elsschot, Yourcenar, Céline, Nabokov, de jonge Reve, Laclos, Maurice Gilliams, Montaigne, Thomas Mann, Kafka en Lautréamont. Curieus genoeg bijna allemaal prozaschrijvers. Poëzie begon ik pas veel later goed te lezen.

Opvallend was dat op ons rapport een apart cijfer voor 'stijl' ontbrak, momenteel voor mij het belangrijkste criterium waarop ik schrijvers beoordeel. Vonden we dat toen minder belangrijk? Of meenden we dat het begrip 'stijl' al in criteria als 'moed', 'ideeën', 'persoonlijkheid' en 'intelligentie' was geïmpliceerd? Voor dat laatste is best iets te zeggen.

Want waar letten we eigenlijk op als we ons op de stijl van een schrijver richten? Natuurlijk op zijn taalgebruik, de stijl van een auteur is goed, wanneer de overdracht van gevoelens en gedachten nauwkeurig is, wanneer hij de juiste woorden, beelden of situaties vindt om zijn gevoelens en gedachten aan de lezer over te brengen, wanneer de lezer de indruk heeft dat elk woord onvermijdelijk is en gebaseerd is op oorspronkelijke, authentieke gevoelens. 'U bent een kunstenaar', schreef Tsjechov aan Gorki, 'uw gevoelens zijn groots, u bent plastisch, dat wil zeggen, wanneer u een ding beschrijft, dan zie je het ook en kun je het aanraken met je handen.'

Op een andere keer schreef hij aan een vriend: 'Schrap al die bladzijden over het maanlicht en geef ons daarvoor in de plaats wat uw gevoelens daarover zijn - de weerschijn van de maan in een scherf van een gebroken fles.'

Natuurlijk moeten gevoelens en gedachten die de schrijver gebruikt de moeite waard zijn, een zekere diepte of reikwijdte bezitten (Du Perrons en Ter Braaks criteria: 'ideeën' en 'intelligentie'). Vaak zijn die gedachten en gevoelens taboe of is het opdiepen en uiten ervan een pijnlijke affaire voor de schrijver. Dan is er ook moed voor het schrijven nodig.

Een van de grote wonderen van goede stijl is dat wat in oorsprong uiterst persoonlijk is en onmiskenbaar gebaseerd is op authentieke levenservaringen zo'n vorm krijgt dat talloze lezers zich aangesproken voelen en het een universele dimensie krijgt. Het heerlijke gevoel bij het lezen: dat is voor mij geschreven. Een grotere troost bestaat er nauwelijks.

Meer over