Interview

Elif Shafak: ‘Humor en ironie zijn gevaarlijk geworden in Turkije’

Elif Shafak:  ‘Je hoofd mag best pessimistisch zijn, als je hart maar optimistisch is.’ Beeld Guardian / eyevine
Elif Shafak: ‘Je hoofd mag best pessimistisch zijn, als je hart maar optimistisch is.’Beeld Guardian / eyevine

In haar roman Het eiland van de verdwenen bomen schrijft de Brits-Turkse auteur over het ‘opgepotte verdriet’ in het tussen Griekenland en Turkije verscheurde Cyprus.

Hans Bouman

‘Ik wilde al heel lang over Cyprus schrijven. Ik voel mij emotioneel verbonden met het eiland en houd zowel van de Turken die in het noorden wonen als de Grieken in het zuiden. Maar het is niet gemakkelijk om over Cyprus te schrijven. Het eiland heeft een geschiedenis van etnisch geweld en de wonden daarvan zijn nog niet geheeld. Er is op Cyprus sprake van een enorme hoeveelheid opgepot verdriet. Het is voor een schrijver een hele uitdaging om over dit verdeelde eiland te schrijven zonder in de valkuil van het nationalisme te belanden. Ik heb daarom lang geaarzeld voordat ik aan dit boek begon.’

Aan het woord is de Brits-Turkse schrijver Elif Shafak (50) en het boek waarover ze spreekt is The Island of Missing Trees, in het Nederlands vertaald als Het eiland van de verdwenen bomen. De roman vertelt over de liefde tussen de Grieks-Cypriotische (christelijke) Kostas en de Turks-Cypriotische (islamitische) Defne, in de vroege jaren zeventig. Tegen alle sociale regels in worden de twee verliefd. Er zijn spanningen tussen Grieks- en Turks-Cypriotische militante bewegingen en er vallen slachtoffers van geweld. Twee sympathiserende dorpsgenoten bieden de geliefden een geheime ontmoetingsplaats in een achterkamertje van hun taverne De Gelukkige Vijgeboom.

Door omstandigheden wordt het jonge stel gescheiden en brengt Kostas een aantal jaren door in Londen, terwijl Defne op Cyprus achterblijft. Zij maakt de Turkse invasie van Noord-Cyprus in 1974 mee, de opdeling van het land in twee delen, het bloedvergieten waarmee dat gepaard gaat, en de grote volksverhuizingen van Turks-Cyprioten richting het noorden en Grieks-Cyprioten naar het zuiden. Vele jaren later ontmoeten Kostas en Defne elkaar opnieuw en pakken ze hun liefde weer op. Ze vestigen zich in Londen en krijgen een dochter: Ada. Maar er is iets veranderd.

U heeft lang geaarzeld voordat u besloot over Cyprus te schrijven. Wat deed u uiteindelijk over die aarzeling heenstappen?

‘Een schrijftechnische vondst: het besluit om een deel van het verhaal te laten vertellen door een vijgenboom. Bomen zijn buitengewoon interessant. Er zijn de laatste twintig jaar veel studies over verschenen, al weten we nog steeds veel niet over ze. Bomen hebben een groter bewustzijn dan wij denken. Ze leven langer dan wij, bestonden allang voordat de mens op het toneel verscheen en ik denk dat ze er nog steeds zullen zijn als wij zijn verdwenen. Door een deel van het verhaal vanuit het gezichtspunt van een boom te vertellen, kreeg ik een andere invalshoek en een langetermijnperspectief.’

De vijgenboom informeert de lezer over onder meer cultuur, geschiedenis en biologie.

‘Er is een moment in het boek waarop de vijgenboom mensentijd en bomentijd vergelijkt. Die zijn totaal verschillend. Wij mensen denken over tijd als iets lineairs en progressiefs: het moet morgen beter zijn dan gisteren. Vooruitgang! De tijdboog moet zich richting gerechtigheid begeven. Maar in de praktijk gaat het vaak niet zo. De tijd kan achteruitgaan, landen kunnen achteruitgaan. Nieuwe generaties kunnen de fouten herhalen waarvan hun grootouders geleerd zouden moeten hebben. Wanneer je de bomentijd volgt, zie je de patronen, de cirkelbewegingen. Ik denk dat bomentijd dicht in de buurt komt van verhalentijd. Lineaire tijd is een illusie.’

Hoe zou u verhalentijd omschrijven?

‘Verhalentijd is circulair. Ik groeide op met verhalen uit het Midden-Oosten, Anatolië, de Balkan: orale verteltradities die altijd uit cirkels in cirkels bestaan, uit verhalen binnen verhalen. Alsof je een doos opent en daarin bevindt zich nog een doos en daarin weer een andere, enzovoort. Niet lineair dus, met een keurig onderscheid tussen verleden, heden en toekomst.’

Twee cruciale gebeurtenissen in uw boek zijn het begraven en weer opgraven van een vijgenboom. Dat blijkt een aloude manier te zijn om zo’n boom de koude winter te laten overleven. Een hoopvol symbool, zou ik zeggen.

‘Toen ik in de VS woonde, gaf ik les aan de Universiteit van Michigan in Ann Arbor. Daar zijn de winters erg koud. Ik ontmoette in die tijd Italiaans-Amerikaanse families die hun vijgenbomen aan het begin van de winter in de aarde begroeven en in het voorjaar weer opgroeven. Als je dat voorzichtig doet en zorgt dat er niet te veel wortels afbreken – een paar is niet erg – dan kan dat. Toen ik daarvan hoorde, realiseerde ik me dat dit een prachtige metafoor was.

‘Zoals ik in mijn boek beschrijf, bestaat er op Cyprus een door de Verenigde Naties ingestelde Commissie voor Vermiste Personen, waarin Turks- en Grieks-Cyprioten nauw met elkaar samenwerken. Zij graven letterlijk in de grond, op zoek naar de overblijfselen van mensen die tijdens gewelddadige confrontaties om het leven zijn gekomen. Ze doen dit om het genezingsproces een kans te geven. Om te genezen moet je het verleden begrijpen. Door de families van de overledenen een kans te geven hun geliefden te begraven, kunnen ze de tragische gebeurtenissen uit het verleden afsluiten, ermee in het reine komen.’

U vertelt in uw boek dat de eerste en tweede generatie overlevenden vaak niet over het verleden kunnen praten. Pas de derde generatie wil graven en het verzwegene boven tafel halen.

‘Dat is me vaak opgevallen bij immigrantenfamilies, eigenlijk bij elke familie met een gecompliceerde achtergrond. Ik ben geïnteresseerd in het concept van geërfde pijn. Ik denk dat we naast fysieke eigenschappen ook meer abstracte zaken als verdriet erven van onze voorouders. In mijn boek behoort Ada tot de tweede generatie. Zij weet dat haar ouders een pijnlijk verleden hebben op Cyprus, maar zelf is ze in Londen geboren en daar wil ze haar eigen leven opbouwen. Pas de generatie na haar zal in staat zijn zich met het verleden bezig te houden.’

U maakt op uiteenlopende manieren gebruik van het beeld van de vijgenboom. Zo neemt Kostas een stekje mee van Cyprus naar Londen, om dat in zijn tuin te planten. Maar een verplaatste vijgenboom draagt de eerste zeven jaar geen vruchten.

‘Als je naar een andere plek wordt overgebracht, kun je niet gewoon verder gaan met je leven alsof er niets is gebeurd. Ergens schrijf ik: ‘Een deel van je sterft vanbinnen, zodat een ander deel een nieuwe start kan maken’. Wanneer je immigrant of balling bent, is er altijd sprake van een gevoel van verlies en van melancholie.’

Dus praten migranten, als er niemand kijkt, tegen vijgenbomen, zoals u schrijft.

‘Ja, dat is echt waar. Ik heb dat verschillende migranten zien doen. Ik geloof hartstochtelijk in de mogelijkheid om tot meerdere culturen te behoren. In het heetst van de Brexit-retoriek zei de toenmalige Britse premier: ‘If you believe you are a citizen of the world, you are a citizen of nowhere’. Daar ben ik het zeer mee oneens. Het is heel goed mogelijk je betrokken te voelen bij lokale zaken en van je land te houden en tegelijkertijd een wereldburger te zijn.

‘Hoewel ik inmiddels twaalf jaar in Londen woon en mij echt inwoner van Groot-Brittannië voel, heb ik tegelijk een geweldige heimwee naar Istanbul, waar ik om politieke redenen niet meer naartoe kan. Er is een tijd geweest dat ik forensde tussen die twee steden. Maar Turkije is een steeds moeilijker land geworden voor schrijvers, journalisten, academici, dichters en cartoonisten. Humor is gevaarlijk geworden. Overal waar een autoritair bewind heerst, wegen woorden zwaar en kun je worden vervolgd. En naar mijn mening geldt dat in nog zwaardere mate voor vrouwelijke en niet-heteroseksuele auteurs. Naast het genoemde is er namelijk ook nog het element van seksisme, vrouwenhaat, patriarchaat en homofobie.’

Uw boek bevat een geweldige rijkdom aan informatie. Over de onderlinge communicatie tussen bomen, over de geschiedenis van Cyprus, over vogels, vlinders, de schitterende culinaire tradities en fantastische spreekwoorden van het Nabije Oosten.

‘Ik doe veel research en lees over de meest uiteenlopende onderwerpen voordat ik aan een roman begin. Onderzoek is niet alleen een intellectueel maar ook een emotioneel proces. In geloof erg in emotionele intelligentie en wil graag het hoofd en het hart met elkaar verbinden. En ik geloof in interdisciplinaire kennis. Het is mijn overtuiging dat we leren van diversiteit. Ik lees graag politieke filosofie, maar ben ook gek op kookboeken.

‘Inderdaad, mijn boek bevat informatie over honingbijen en boomwortels, maar ook over bijgeloof en spreekwoorden. Ik ben opgevoed door vrouwen en mijn grootmoeder leek wel op de tante in Het eiland van de verdwenen bomen. Haar huis was vol voedsel, bijgeloof, magie, rituelen… Die cultuur en traditie wil ik niet kleineren ten opzichte van de wetenschap, zoals ik de orale vertelcultuur niet wil kleineren ten opzicht van de geschreven literaire cultuur. Integendeel, ik probeer met mijn werk een brug te zijn tussen die twee.’

De titel van uw roman verwijst naar de teleurstelling van de Britse militairen die van 1914 tot 1960 het bestuur over Cyprus hadden. Zij hadden een eiland vol bomen verwacht. Uw boek speelt na de Britse tijd. Vanwaar toch die titel?

‘Het is cruciaal om te weten wat er met de natuur, de bomen gebeurde om te begrijpen wat mensen elkaar hebben aangedaan. Wij zijn geneigd te denken dat de verwoesting van de natuur en menselijk geweld in tijden van oorlog separate zaken zijn. In feite zijn ze met elkaar verbonden. Als mensen elkaar vernietigen, vernietigen ze ook het leven van planten en dieren. Dat verlies is cruciaal, zeker nu, in een tijd dat we geconfronteerd worden met een klimaatcrisis. Afgelopen zomer zijn er vreselijke natuurbranden geweest in Turkije, Griekenland en Californië. Het leek of de hele natuur het uitschreeuwde. Wij zijn bezig een compleet ecosysteem te verliezen. Dat wilde ik via de titel benadrukken. Die bomen zijn niet zomaar verdwenen. Die verwoesting is door de mens aangericht.’

U bent tweetalig en hebt wel gezegd dat de Turkse taal vooral geschikt is om emoties en verdriet in uit te drukken, terwijl de Engelse taal geschikter is voor ironie, satire en het intellectuele discours.

‘En humor. In het Turks hebben we geen woord voor ironie. Ik houd van humor, vooral humor met mededogen. Humor die niet neerbuigend is, maar van begrip getuigt voor wat menselijk is. Wanneer ik ironisch of satirisch wil schrijven doe ik dat altijd in het Engels. Melancholie gaat me beter af in het Turks.’

U heeft een nogal nomadisch leven geleid en naar ik begrijp was dat ook een reden om te gaan schrijven.

‘Dat klopt. De hoofdreden was dat ik mij verveelde. Ik groeide op in mijn grootmoeders huis in Ankara, zonder broertjes of zusjes, en ons gezin viel een beetje uit de toon in onze omgeving. Dus had ik behoefte aan een andere plek waar ik in mijn verbeelding naartoe kon gaan: storyland. Ik ging lezen en hoewel het een cliché is: mijn boeken werden mijn vrienden. Vervolgens ging ik schrijven en omdat ik een doodsaai leven had schreef ik niet over mijzelf, zoals kinderen doen die een dagboek bijhouden, maar over andere mensen. Literatuur was voor mij vanaf het eerste moment iets transcendentaals: ik wilde de grenzen overstijgen waarmee ik op de wereld was gekomen.’

Is dat verwant aan uw uitspraak dat het belangrijk is een intellectuele nomade te zijn?

‘Het is belangrijk intellectueel in beweging te blijven en te leren van andere disciplines, andere culturen. Dikwijls spreek ik mannelijke lezers die tegen mij zeggen: ik wil weten wat er in de wereld omgaat, dus lees ik over politiek, geschiedenis, financiën, neurowetenschappen, filosofie, maar geen fictie. Mijn vrouw wel, die leest fictie. Ik vind het zo treurig als ik dat hoor, want binnen fictie heb je alles, alle wetenschappen die ik zojuist noemde. En het allerbelangrijkste: fictie bevat emotionele intelligentie. We moeten voortdurend grenzen blijven overschrijden, uit onze comfortzone treden, en het persoonlijke verweven met het culturele, politieke en historische. Wanneer je een roman leest, ben je een aantal uren of dagen op reis in de geest van een andere persoon. Daar word je een beetje nederiger van.’

U heeft ooit opgemerkt dat mensen van de Balkan, de Levant en Anatolië niet erg optimistisch van aard zijn.

‘Haha, ik zeg wel eens: ik kan geen optimist zijn, want ik ben Turks. Als je de loop van de Donau volgt vanuit Zuid-Duitsland richting de Zwarte Zee, dan daalt het optimisme naarmate de rivier verder oostwaarts stroomt. Dat geldt ook voor mij, maar ik heb voor mijzelf wel een oplossing gevonden. Mijn standpunt is: je hoofd mag best pessimistisch zijn, zolang je hart maar optimistisch is. We leven in een tijd waarin we beide nodig hebben. Een gezonde dosis pessimisme helpt je te begrijpen wat er gaande is in de wereld. Maar we hebben ook hoop nodig, en die komt van onze medemensen.’

Elif Shafak: Het eiland van de verdwenen bomen. Uit het Engels vertaald door Manon Smits. Nieuw Amsterdam; 366 pagina’s; € 22,99.

null Beeld

Wie is Elif Shafak?

Elif Shafak werd op 25 oktober 1971 geboren in Straatsburg in een intellectueel Turks gezin. Haar vader doceerde filosofie. Toen haar ouders scheidden, verhuisde Shafak met haar moeder naar Ankara, waar ze werd opgevoed door haar grootmoeder, terwijl haar moeder studeerde en diplomaat werd. Shafak bracht haar tienerjaren door in Madrid en Amman en studeerde daarna Internationale Betrekkingen in Ankara. Ze studeerde en doceerde aan diverse universiteiten in de Verenigde Staten en ging vervolgens in Istanbul wonen, de stad die haar grote liefde werd.

Shafak debuteerde in 1994 als auteur met het verhaal Gözlere Anadolu. In 2006 verscheen haar eerste in het Engels geschreven boek, The Bastard of Istanbul (De bastaard van Istanbul). Deze roman kwam haar op een proces te staan wegens ‘belediging van de Turksheid’, omdat een van haar personages naar de moorden op Armeniërs tijdens WOI verwijst met de term ‘genocide’. Shafak werd vrijgesproken. Tot haar grote verdriet is ze om politieke redenen al een aantal jaren niet meer welkom in Turkije.

Van haar uit negentien boeken bestaande oeuvre zijn er twaalf in het Nederlands vertaald. In 2019 werd ze genomineerd voor de Booker Prize met de roman 10 Minutes 38 Seconds in this Strange World (10 minuten 38 seconden in deze vreemde wereld). Elif Shafak woont in Londen en is gehuwd met de Turkse journalist Eyüp Can Sağlık, met wie ze twee kinderen heeft.

Meer over