Eindelijk een oprechte president

David Remnick (51) wist al heel vroeg dat hij schrijver wilde worden. Na zijn bestseller over de bokser Muhammed Ali beschrijft hij nu de zegtocht van Barack Obama....

Door Jan Tromp Jan Tromp

De tour vanwege zijn nieuwe boek is hem niet in de koude kleren gaan zitten. Hij zit goed in het pak, geen grijze haar te zien, voor iemand die bijna 52 is, kan hij beslist nog leuk mee. Maar zijn gezicht is bleek en hij geeuwt uitbundig.

David Remnick, gevierd Amerikaans journalist en schrijver, auteur van een nieuw, omvangrijk boek over Obama was dit weekend nog in Engeland en Wales. Wales? Jawel, Wales. Op het literaire festival van Hay-on-Wye. ‘Het is drieënhalf uur rijden van Londen.’ En dus ook weer drieënhalf uur terug. ‘Fucking Wales.’ En of we weten dat ze in dat land links rijden en dat zoiets levensgevaarlijk is.

Goeie stemming.

Wie internationaal een boek aan de man wil brengen, moet op stap. Liever zat hij achter zijn bureau te schrijven. Hij vertelt dat hij altijd schrijver heeft willen worden, al toen hij 7 jaar was.

Remnick is opgegroeid in Hillsdale, New Jersey, halverwege Manhattan en Soprano-land aan de overkant van de Hudson.

‘Ik zat inderdaad aan de verkeerde kant van de rivier, met de blik gefixeerd op Manhattan. Ik was geobsedeerd door de idee dat ik me niet mocht vervelen en dat ik een schrijver moest worden. Ik heb daar in Hillsdale nooit een schrijver ontmoet. Mijn ouders kenden geen schrijvers, ze kenden boekhouders, timmerlui en mannen die liften repareerden. Ik las boeken en ik had romantische dromen. Zo zal het gekomen zijn. Het is heerlijk om te schrijven.’

Het is ook een kwelling.

‘Ik weet dat de meeste schrijvers het schrijven haten. Het geldt niet voor mij. Schrijven geeft me het gevoel dat ik leef. Ik ben bevriend met Philip Roth. Ik zei laatst tegen hem: Philip, nu heb je 25 of misschien wel dertig 30 romans geschreven, je bent ergens in de zeventig, waarom stop je niet, het is mooi geweest. Hij zei: ‘Ik zou niet weten wat ik met mezelf aan moet als ik niet zou schrijven.’ Ik ben bang dat het voor mij niet anders is.’

David Remnick was al op zijn 39ste hoofdredacteur van The New Yorker. Het is een bijzonder weekblad, om te beginnen omdat het vermoedelijk door aanzienlijk meer mensen wordt gekend (‘The New Yorker? Ach ja, natuurlijk, The New Yorker’) dan gelezen. De oplage is wereldwijd ongeveer één miljoen. Het tijdschrift gaat over cultuur en politiek en dat is meteen het laatste wat er standaard aan is.

Remnick noemt The New Yorker ‘een raar beest’. Op het omslag staan geen foto’s – ‘van vrouwen in bikini’ pleegt de hoofdredacteur erbij te zeggen. Er staan nooit foto’s op het omslag en binnenin amper. Op de cover staan altijd tekeningen, dikwijls zijn het cartoons. Half mei stond een serie grappige tekeningen over het milieubederf voorop van de Nederlandse kunstenaar Joost Swarte – een grote eer.

Kenmerkend voor The New Yorker zijn de fraai geschreven dieptereportages. Ze zijn van een lengte die niet modern meer is. Vijftienduizend woorden is normaal. Ter vergelijking: dit stuk telt iets meer dan tweeduizend woorden.

Remnick wil weten hoe het met de Volkskrant gaat. Hij is vorig jaar 25 procent van zijn advertenties kwijtgeraakt. Hij heeft sterk bezuinigd op redactiekosten. Dat het elders niet anders is, lijkt hem tevreden te stellen.

Hij zegt: ‘Wij gaan niks veranderen aan wat we zijn. Wij gaan over lezen.’

Aan het algemene leesgenoegen heeft Remnick zelf naast tal van reportages zes boeken toegevoegd. Hij schreef in 1999 King of the World, dat door Time Magazine werd uitgeroepen tot het beste non-fictieboek van het jaar. Het gaat over Amerika in de jaren zestig, het beschrijft het leven van de bokser Muhammad Ali, ook bekend als Cassius Clay, ‘een rapper voordat de rap was uitgevonden’. Het is het epos van de moord op Kennedy, Ali’s vriendschap met de zwarte radicale leider Malcolm X en zijn lidmaatschap van de Muslim Brothers. Ali wist: ‘I am the greatest.’

Remnick: ‘Ik ben gefascineerd door de figuren in de bokswereld, veel meer dan door het boksen. Ik ben me er heel goed van bewust dat het moreel niet te verdedigen is, die sport. Ik kijk er weinig naar. Ik heb genoeg boksers gezien om te weten hoe ze eindigen. Ik zou niet willen dat mijn zoon bokser werd.’

Heeft u fascinatie voor het boksen ook te maken met ras en rassentegenstelling?

‘Jazeker. Want het verhaal van het kampioenschap der zwaargewichten is historisch gezien ook het verhaal over ras en rassenstrijd, of het nu ging om Joe Louis, ‘Sugar’ Ray of Muhammad Ali.’

Uw nieuwe boek, The Bridge, over de jeugd en de opkomst van Barack Obama, kind van een blanke moeder en een Afrikaanse vader gaat in feite ook over ras.

‘Dat is waar, maar alles in Amerika gaat altijd ook over ras. Ik kan niet begrijpen hoe iemand geïnteresseerd is in Amerika en niet in de rassenkwestie.

‘Hoe zou je belangstelling kunnen hebben voor de Amerikaanse literatuur en niet voor ras? Neem Philip Roth. Lees diens The Human Stain, over racisme en verondersteld racisme. Wat is Amerikaanse muziek? Dat is toch in de allereerste plaats de blues en de jazz en de gospels en rock-’n-roll. Dát is de klassieke Amerikaanse muziek. Het is de muziek die de geschiedenis vertelt van de zwarte bevolking.’

Het boek waarvoor hij naar Amsterdam is gekomen, The Bridge, de Nederlandse versie heet De Brug, telt bijna 660 pagina’s, zo’n driehonderdduizend woorden.

‘Het is een pil. Sorry daarvoor.’ Hij heeft hem een jaar gekost, inclusief de tientallen interviews met mensen die op enig moment het leven van Obama kruisten en met Obama zelf. Remnick heeft er elk vrij moment in gestoken en zo kon het boek op de leesplank liggen vijftien maanden na de inauguratie van januari vorig jaar. Hij vindt het zelf ook wel een prestatie. ‘Misschien heb jij het sneller gelezen dan ik het geschreven heb, maar echt groot kan het verschil niet zijn.’

Het boek begint met de middag van 4 maart 2007. Obama, senator voor Illinois, is in Selma, Alabama, in het zuiden van Amerika.

Op 7 maart 1965 werd een groep van ongeveer zeshonderd zwarte demonstranten voor gelijke rechten door state troopers uit elkaar geslagen. Twee weken later liepen duizenden demonstranten, met Martin Luther King voorop, in protest van Selma naar Montgomery, de hoofdstad van Alabama. Zo werd Bloody Sunday een omslag. Obama is 42 jaar later in Selma om te herdenken.

Remnick: ‘In Selma bereidde Obama zich voor om de erfgenaam te worden van de pijnlijkste van alle Amerikaanse gevechten, de rassenstrijd.’

Was de rassenkwestie de voornaamste reden om 660 pagina’s over Obama te schrijven?

‘Zeker. Mijn boek gaat in ruime mate over de zoektocht van Obama naar zijn identiteit, zijn zwarte identiteit. Ik heb het er niet zomaar met de haren bijgesleept. Wat Obama historisch zo belangrijk maakt, ook al vóór zijn presidentschap is dat raciale aspect.’

Is er in de raciale verhoudingen in de VS iets veranderd, doordat Obama president is geworden?

‘In ieder geval symbolisch. Het is natuurlijk een heel krachtig signaal dat de Amerikanen iedere dag op hun televisiescherm een man zien die hun leider is en die zwart is. Dat maakt verschil. Het normaliseert. Als jij in Harlem woont of in Zuid-Chicago en je 10-jarige zoon ziet voortdurend een zwarte president, dan denkt hij dat het nooit anders is geweest. Het is dus een heel belangrijk symbool van het Amerika-in-vooruitgang.’

Met permissie: het racisme ligt in uw land nog voor het oprapen. Chicago dat u daarnet noemde is nog altijd een bijna volmaakt gesegregeerde stad.

‘Maar ik heb ook geen tel de illusie dat het presidentschap van Obama het alfa en omega is voor alle raciale problemen. Maar het is ook geen 1965 meer. De dingen veranderen gestaag. Het historische epos van een zwarte president verandert niet alles op slag en stoot, maar het verandert wel het beeld.

Dat vind ik het grote, historische belang van het presidentschap van Barack Obama. Het verandert de politieke verbeelding in het land, op een ingrijpende wijze. Het normaliseert als het ware de optie van de volgende zwarte president.’

Obama zegt op verschillende plekken in uw boek dat hij de strijd van de zwarten om gelijke rechten niet als een Afro-Amerikaans verhaal ziet, maar als een Amerikaans verhaal. Wordt dat aanvaard in uw land, denkt u?

‘Nou ja, daar zie je zijn enorme retorische en politieke begaafdheid. Hij slaagt erin om het tot een zaak van allen te maken. Daarom is zijn toon zelden er een van woede, maar doorgaans van eenheid en insluiting. Hij is niet, zo laat hij weten, de president van zwart Amerika. Hij is de president van de Verenigde Staten.

Ergens in het boek citeer ik de filosoof Richard Rorty die erop heeft gewezen dat er hoop en inspiratie te vinden is in het verleden van Amerika, niet alleen maar ellende en onrecht.

Als je Noam Chomsky leest of Howard Zinn, mensen uit de linkerflank van het politieke spectrum, krijg je de sterke indruk dat alles in de Amerikaanse geschiedenis deprimerend was, corrupt en repressief. Zinn heeft de ontstaansgeschiedenis van de VS geschreven vanuit de ervaringen van de indianen en de slaven. Chomsky en hij hebben absoluut in bepaalde opzichten gelijk. Obama voegt er iets aan toe. Obama zegt: kijk alsjeblieft ook naar de potentie van vooruitstrevende bewegingen om dingen ten goede te keren.

Ik ben het daarmee eens. En ik niet alleen gelukkig. We hebben die vent met z’n allen gekozen.’

Obama kwam vanuit het niets. Wanneer dacht u: hemel, deze man zou wel eens president kunnen worden?

‘Niet eerder dan begin 2008, toen hij de voorverkiezing won in Iowa. Geen dag eerder. Ik had gedacht dat Hillary zou winnen, niet alleen Iowa maar gewoon alles, de hele race. Toen was daar opeens Obama. Ik dacht: wat krijgen we nou?

Hij was de beste. Zij had de beste papieren, maar ze kwam aanzetten met een verschrikkelijk campagneteam dat een paar verschrikkelijke strategische fouten maakte en dat voortdurend ruzie maakte met elkaar. Dan verlies je.’

Nu is ze zijn minister. Hoe gaat dat eigenlijk?

‘Heel behoorlijk, op een min of meer zakelijke manier. Ik geloof niet dat ze elkaar Valentijnskaarten sturen.

Hij heeft door haar in zijn kabinet te tillen een betrekkelijk briljante zet gedaan, in de sfeer van: ik heb liever iemand in mijn tent die naar buiten pist dan iemand buiten de tent die naar binnen pist.’

Hoe doet Obama het volgens u?

‘Als je de vraag stelt aan een historicus zal die zeggen: hij zit anderhalf jaar in het Witte Huis en hij heeft iets voor elkaar gebracht dat anderen in vijftig jaar niet is gelukt: de herziening van de ziektekostenverzekering. Voor jullie is het de normaalste zaak van de wereld, in ons bestaan is een verzekering tegen ziektekosten een gigantische verworvenheid.

De journalist beoordeelt van dag tot dag. In de week waarin Obama de ziektekostenverzekering binnensleepte, zou de journalist hem op één lijn plaatsen met Roosevelt. Nu de olie de kusten in het zuiden van het land overspoelt, roept de journalist: waar is Obama, waar is die vent mee bezig? De politieke analyse op het niveau van de theatercriticus die het allemaal weer niks vindt, begrijp je.’

Toen Obama werd verkozen, was het alsof hij in Nederland premier zou worden, zo opgetogen was men hier. Na Bush en al diens manipulaties eindelijk een eerlijke vent. Klopt dat?

‘Zeker. Ik ben een kind van het tijdperk Johnson en Nixon, ik weet wat ziekelijk liegen is. Er zijn momenten geweest waarop ik niet dol was op Obama. De manier waarop hij zijn belangrijkste adviseur Gregory Craig aan de kant schoof beviel me niet, dat hij Guantanamo nog steeds niet heeft gesloten, bevalt me niet. Het neemt niet weg dat Obama een oprechte president is.’

Na Bush eindelijk een president met verstand, een intellectueel.

‘Het is de opluchting die je ook bij veel Amerikanen ziet: zijn besluiten neemt hij niet met een verwijzing naar God en diens geloof, maar ze zijn gebaseerd op argumenten, op ratio.’

Na Bush eindelijk een president die niet rechts is, maar links.

‘En daar gaan jullie in de fout. Jullie hebben je laten misleiden. Barack Obama is niet van de linkervleugel van de Democratische partij. Die zou nooit een gekozen president kunnen produceren. Wij zijn niet links. Obama is dat ook niet, wat ze bij Fox ook mogen zeggen. Hij is van het midden, misschien een heel klein beetje links van het midden. Maar overwegend van het midden.’

Na de opgetogenheid is er nu een lichte kater: is dit alles?

‘Jullie moeten beseffen dat euforie niet bedoeld is om lang voort te duren en net als seksuele opwinding een tijdelijke zaak is.’

In uw epiloog schrijft u: ‘Obama is niet de leider van een beweging. Hij is een politicus.’

‘Ik heb het opgeschreven, maar ik vond het eigenlijk een vanzelfsprekendheid. Martin Luther King was een leider van een beweging. Hij stond buiten de macht. Hij mobiliseerde om de macht te beïnvloeden. Gekozen politici zijn niet van een beweging, ze zijn de macht zelf.

Aan Obama is eens gevraagd: op wie zou Martin Luther King hebben gestemd, op u of op Hillary? Obama had een heel verstandig antwoord. Hij zei: ik denk op geen beiden. Ik denk dat King afgewacht zou hebben wie van ons beiden won. En dan zou hij met zijn achterban zijn komen demonstreren om ons te dwingen te doen wat we volgens hem zouden moeten doen.

Barack Obama is een politiek dier, een professional in de politiek. Ik zou het niet anders willen hebben. Ik zit niet te wachten op een presidentschap als talentenjacht.’

Meer over