ColumnSylvia Witteman

Eigenlijk heeft Tim Krabbé een rare en lelijke manier van schrijven, maar het wérkt

null Beeld

Voor de ingang van het Sweelinck College aan het Museumplein stonden twee meisjes van een jaar of 15 te praten. ‘Het klonk zo… ja, ik weet niet, gezellig ofzo’, zei de een. ‘Het gouden ei. Ik dacht, dat is net zoiets als die gouden toegangskaart in Sjakie en de chocoladefabriek. Dus ik ga liggen lezen in bed. Téééring…’

Het andere meisje lachte. ‘Ja man’, zei ze. ‘Nachten van wakker gelegen.’

Ik liep door en lachte ook. Dat er nog mensen bestaan die niet weten waar Het gouden ei over gaat! Ik dacht eigenlijk dat dat boek de alfa en de omega was van de leeslijstliteratuur: dun, spannend en niet te ‘moeilijk’.

Wat had ik er zelf van gevonden, bij verschijning in 1984? Ik heb ‘dun’ nooit als voordeel gezien bij het lezen van boeken. Een fijn boek kan nooit lang genoeg duren (daarom speet het me ook zo dat ik geen plezier beleefde aan Harry Potter) maar dat Gouden ei paste precies in die 97 pagina’s, je zou kunnen zeggen als een ei in zijn schaal. Het was helemaal af.

Was het spannend? Ja, ik las het achter elkaar uit, en ik heb er wakker van gelegen ook. Niet eens van het verhaal zelf, overigens, maar vooral van de schrik dat iemand zó kil kon schrijven. ‘Show, don’t tell’, leren ze je altijd, maar Tim Krabbé doet succesvol het omgekeerde. ‘Hij voelde zich eenzaam’, ‘Hij werd gek van verdriet’, ‘Hij begon ongecontroleerd te huilen’. ‘Dan werd ze nu verkracht. En daarna? Ze kon vermoord worden. Dan werd haar lijk vroeger of later gevonden.’

Eigenlijk is dat een rare en lelijke manier van schrijven, maar het wérkt. Ook op de laatste pagina doet Tim Krabbé zoiets wonderlijks (ik ga er hier van uit dat iedere levende Nederlander, behalve dat meisje voor het Sweelinck, weet hoe Het gouden ei afloopt, zo niet, dan NU ophouden met lezen):

‘Uiterst behoedzaam, om de zekerheid nog uit te stellen, voelde hij naar rechts. Rechts was een houten wand. Aan zijn hoofdeinde was een schot. Aan zijn voeteneinde was een schot. Hij sloeg met zijn vuisten boven en naast zich en hij schreeuwde maar hij hoorde niets, alsof het geluid door het zwart werd opgeslokt.

‘Gááhd.’

Heel goed. De lezer weet nu wat er aan de hand is. Dat ‘Gááhd’ is ook heel eng, waarvoor hulde. Maar nu de volgende zin: ‘Hij lag in een kist, levend begraven.’

‘Wat doe je nou, Tim?’, riep ik. ‘Ga jij nu iets opschrijven wat wij allemaal al begrepen hebben? DAT HOORT NIET! SHOW, DON’T TELL!’

En dan gaat het verder. ‘Dat dit Saskia was aangedaan! Dat zij hier zo had gelegen, smekend dat hij haar zou komen redden, tegelijk zeker wetend dat hij niet kón komen… De eenzaamheid hiervan!’

Veel te nadrukkelijk, Tim! Had dan geschreven hoe ze in het donker naar het glanzen van haar eigen ogen had liggen kijken ofzo. Of had haar ‘rosebud’ laten stamelen, of ‘het is volbracht’, of, zoals Alfred Hitchcock op zijn sterfbed: ‘One never knows the ending. One has to die to know exactly what happens after death, although catholics have their hopes.’

Die zin ‘De eenzaamheid hiervan’ is ook zo lelijk. Hij lijkt wel slecht vertaald uit het Engels. Maar de laatste alinea van dat hoofdstuk is dan weer wél tamelijk geniaal:

‘‘Kalm blijven’, dacht hij. ‘Ik lig hier een kwartier. Ik heet Rex Hofman. Toen hij bedacht hoe belachelijk het was om op deze plaats een naam te hebben begon hij te lachen.’

Doodeng, ondanks die opzichtige stilistische fouten. Hoe dóét die man dat?!

Meer over